Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BV2694

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
30-06-2011
Datum publicatie
02-02-2012
Zaaknummer
16/711299-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Witwassen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/711299-10

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 30 juni 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1986] te [geboorteplaats]

wonende aan de [adres], [woonplaats].

raadsman mr. M. Th. M. Zumpolle, advocaat te Utrecht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 16 juni 2011, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich in de periode van 1 januari 2008 tot en met 14 januari 2011 schuldig heeft gemaakt aan gewoon-tewitwassen dan wel aan schuldwitwassen.

3 De voorvragen

3.1 De geldigheid van de dagvaarding

3.1.1 De standpunten van de verdediging en de officier van justitie

De raadsman is van mening dat de dagvaarding nietig is, nu hierin onvoldoende concreet is aangegeven wat verdachte verweten wordt. De term geldbedragen wordt niet geconcretiseerd en onvoldoende concreet is aangegeven wat verdachte met betrekking tot de in de tenlastelegging genoemde Audi wordt verweten. De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de dagvaarding, in combinatie met het dossier, voldoende duidelijk is.

3.1.2 Het oordeel van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is de dagvaarding voldoende duidelijk, zeker als deze wordt gelezen in samenhang met het dossier. Uit het dossier volgt op welke bij verdachte aangetroffen contante geldbedragen de tenlastelegging betrekking heeft. Verdachte is hiermee tijdens zijn verhoren geconfronteerd en in de gelegenheid gesteld daarop te reageren. Verdachte heeft op vragen, die hierop betrekking hadden ook steeds een concreet antwoord gegeven. Ook ter terechtzitting zijn de bij verdachte aangetroffen contante geldbedragen wederom aan verdachte voorgehouden en heeft hij daarop kunnen reageren. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte zich heeft kunnen verweren tegen de tegen hem geuite beschuldigingen, en dat hij tevens heeft begrepen waarop gedoeld werd. Hetzelfde geldt mutatis mutandis voor het verwerven c.q. voorhanden hebben van de in de tenlastelegging genoemde auto.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat de dagvaarding voldoende feitelijk omschreven is en ook overigens aan de eisen van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering voldoet.

De dagvaarding is daarom geldig.

3.2 Overige voorvragen

De rechtbank heeft voorts vastgesteld dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het ten laste gelegde, gelet op de in het dossier aanwezige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen. Volgens de officier van justitie is er voldoende bewijs dat het geld en de auto uit misdrijf afkomstig zijn. De verdachte heeft geen concrete, verifieerbare en niet op voorhand als hoogst onwaarschijnlijk

aan te merken bronnen voor de herkomst van zijn bezittingen genoemd.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit en gesteld dat de enkele omstandigheid dat verdachte niet met schriftelijke stukken hard kan maken hoe hij aan de geldbedragen is gekomen, niet betekent dat dit geld geen legale herkomst heeft. Uit niets blijkt, aldus de verdediging, dat verdachte betrokken zou zijn bij criminele activiteiten. Verdachte heeft een aannemelijke verklaring gegeven voor de wijze waarop hij de in de tenlastelegging genoemde Audi 4 heeft gefinancierd. Ook heeft verdachte een aannemelijke verklaring gegeven voor het bij hem bij zijn aanhouding in 2009 aangetroffen contante geld. Uit deze verklaringen volgt, aldus de verdediging, dat geen sprake is van witwassen.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank gaat bij haar beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Aantreffen contante geldbedragen

Op 13 april 2009 is verdachte aangehouden als verdachte van overtreding van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994. Bij zijn insluitingsfouillering bleek dat hij een bedrag van

€ 6.923,-- aan contanten bij zich had. De verbalisant zag dat verdachte uit beide broekzakken handen vol los papiergeld haalde en dat het geld bestond uit 1 coupure van € 500,--, 25 coupures van € 200,--, 9 coupures van € 100,--, 3 coupures van € 50,--, 7 coupures van € 20,--, 21 coupures van € 10,-- en € 23,-- aan kleingeld. Op 11 januari 2010 is verdachte wederom aangehouden, nu wegens het rijden met een ingevorderd rijbewijs. Bij zijn insluitingsfouillering bleek hij een bedrag € 635,-- in contanten bij zich te hebben. Dit bedrag bestond uit een biljet van € 200,-- en enkele biljetten van € 100,--

Audi A4 met kenteken [kenteken]

De auto waarin verdachte tijdens voornoemde aanhoudingen reed betrof een Audi A4 met kenteken [kenteken]. Door de politie is een onderzoek ingesteld naar de herkomst van deze auto. Deze auto staat blijkens informatie van de Rijksdienst voor het Wegverkeer sinds 27 juni 2008 op naam van verdachte, daarvoor was deze auto opgenomen in de bedrijfsvoorraad van [bedrijf 1] te [vestigingsplaats]. Verdachte heeft de Audi op 21 juni 2008 gekocht bij [bedrijf 1] voor een bedrag van

€ 28.445,--. De kilometerstand van de auto bedroeg op het moment van aankoop 9.719 km. Op het door verdachte ondertekende contract is handmatig bijgeschreven dat een bedrag van € 20.000,-- contant is voldaan. Voor het resterende bedrag heeft verdachte een financieringscontract gesloten met de Volkswagen Bank, waarbij verdachte zich heeft verbonden het kredietbedrag van € 8.445,00 in 24 maandelijkse termijnen van € 387,66 terug te betalen. De Audi is op 20 mei 2010 door de politie Utrecht in beslag genomen, omdat verdachte reed terwijl zijn rijbewijs was ingevorderd en hij onder invloed van alcohol verkeerde. Bij de inbeslagname gaf de kilometerteller ruim 71.000 km aan.

Voor aankoop van de Audi beschikte verdachte over een Opel Astra-G-Caravan, voorzien van kenteken [kenteken]. Deze auto heeft verdachte op 21 juni 2008 verkocht aan [bedrijf 2] voor een bedrag van € 1900,--.

Financieel onderzoek

Uit bij de belastingdienst opgevraagde gegevens is naar voren gekomen dat verdachte in 2007 met werkzaamheden in loondienst in totaal € 11.716,-- heeft verdiend. In 2008 heeft verdachte tot en met 30 april 2008 in loondienst gewerkt en in totaal bruto € 8.341,-- verdiend. Over het resterende gedeelte van 2008 en over 2009 zijn bij de belastingdienst geen loongegevens van verdachte bekend, evenmin zijn rente-inkomsten bekend over de jaren 2007-2009. Uit informatie van het UWV blijkt dat verdachte over de periode 2006-2010 geen uitkering van het UWV heeft ontvangen. Uit van het BKR ontvangen informatie blijkt dat verdachte een aflopend krediet heeft afgesloten bij VW Bank voor een bedrag van € 9.303,--. Met ingang van 17 september 2009 is een betalingsachterstand ontstaan.

Verklaringen van verdachte

Verdachte heeft verklaard dat het bij hem bij zijn insluitingfouillering op 13 april 2009 aangetroffen geld niet van hem was, maar van een vriend. Hij heeft gesteld dat hij dit geld voor die vriend bij zich had. Wie die vriend is wilde verdachte desgevraagd niet verklaren. Hij heeft verklaard dat het bedrag dat hij op 11 januari 2010 bij zich had wel van hem was.

Bij de politie heeft verdachte verklaard dat hij naast zijn inkomsten uit loondienst geen andere inkomsten heeft gehad. Verdachte heeft bekend dat bij de aankoop van de Audi een bedrag van € 20.000,-- contant is betaald. Hij stelt deze auto samen te hebben gekocht met zijn broer, [A], en dat zij allebei een bedrag van € 10.000,-- contant hebben betaald. Hij stelt aan dit contante geld gekomen te zijn door het geld dat hij verdiend heeft van zijn rekening af te halen door te pinnen. Het geld voor de afbetaling, benzine en onderhoud van de auto stelt verdachte ook samen met zijn broer te hebben betaald. De auto staat, aldus verdachte, op zijn naam omdat zijn broer nog geen rijbewijs heeft. Ter zitting heeft verdachte verklaard dat hij naast zijn inkomsten uit loondienst geld heeft verdiend met het verrichten van werkzaamheden voor vrienden met een eigen bedrijf en dat hij geld heeft gekregen van vrienden en familie. Bij wie hij werkzaamheden heeft verricht, welke bedragen hij daarmee heeft verdiend en hoeveel geld hij heeft ontvangen van familie en vrienden heeft verdachte desgevraagd niet willen verklaren.

[A], de broer van verdachte

[A] heeft bij de politie verklaard dat hij nog geen rijbewijs heeft en dat hij de Audi A4 samen met zijn broer heeft gekocht. Hij heeft zijn broer €10.000,-- cash gegeven voor het betalen van de auto en zij hebben de kosten voor benzine en onderhoud van de auto gedeeld. Hij stelt dit geld gespaard te hebben door te pinnen bij de bank en dat het mogelijk is dat hij contant geld geleend heeft van iemand om de auto te betalen. Van wie hij dat geld geleend heeft wil hij niet verklaren.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt voorop dat, om tot een bewezenverklaring te komen, volgens vaste jurisprudentie (HR 27 september 2005, NJ 2006, 473) uit de bewijsmiddelen enkel hoeft te blijken dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf en dat niet bewezen hoeft te worden door wie, wanneer en waar dit misdrijf concreet is begaan. Aan genoemd vereiste is voldaan indien uit de bewijsmiddelen kan volgen dat het in de gegeven omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp een criminele herkomst heeft. Daaraan is naar het oordeel van de rechtbank in deze zaak voldaan.

De rechtbank heeft daarbij acht geslagen op de volgende omstandigheden:

- het is een feit van algemene bekendheid dat het voorhanden hebben van grote contante geldbedragen door particuliere personen hoogst ongebruikelijk is vanwege het risico van onder meer diefstal of brand, waarbij het geld niet verzekerd is. Deze risico’s worden in het algemeen uitsluitend geaccepteerd als er sprake is van het verbergen van crimineel geld;

- criminaliteit gaat veelal gepaard met grote hoeveelheden contant geld in diverse, vaak ook grote coupures, terwijl coupures van € 500,-- in het normale betalingsverkeer een zeldzaamheid zijn;

- de verklaring van verdachte dat het contante geldbedrag dat bij hem is aangetroffen bij de insluitingsfouillering in 2009 niet van hem was, maar dat hij dit geld voor iemand anders bij zich had, acht de rechtbank ongeloofwaardig, mede gelet op de wijze waarop verdachte dit geld bij zich had. Het bedrag van € 6.923,-- zat los in zijn in zijn broekzak. Bovendien heeft verdachte geweigerd de naam te noemen van degene voor wie hij het geld stelde bij zich te hebben. Hierdoor is deze verklaring van verdachte niet verifieerbaar;

- de contante geldbedragen waarover verdachte beschikte, de door hem gedane contante betaling van € 20.000,-- voor de Audi A4 en de gemaakte kosten voor onderhoud, benzine en aflossing van deze auto zijn geenszins te verklaren uit de hiervoor genoemde inkomsten uit dienstbetrekkingen van verdachte;

- verdachte heeft geen concrete, verifieerbare en op voorhand niet als hoogst

onwaarschijnlijk aan te merken gegevens genoemd over de herkomst van het geld, waarmee hij de contante betalingen voor de Audi A4 heeft verricht en de kosten voor onderhoud, benzine en aflossing heeft voldaan. Dat verdachte de Audi A4 samen met zijn broer heeft gekocht acht de rechtbank onaannemelijk, nu deze auto op naam van verdachte staat, verdachtes broer niet over een rijbewijs beschikt en verdachtes broer geen aannemelijke verklaring heeft afgelegd, waaruit volgt dat hij over een bedrag van € 10.000,-- kon beschikken. Verdachte heeft zijn, eerst ter zitting afgelegde verklaring dat hij geld heeft verdiend met het verrichten van werkzaamheden voor bedrijven van vrienden en dat hij daarnaast geld heeft gekregen van familie en vrienden, op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt. Verdachte heeft desgevraagd geweigerd te verklaren voor welke bedrijven hij werkzaamheden heeft verricht en van welke familieleden en/of vrienden hij geld heeft gekregen.

Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan dan dat dit geld niet op legale wijze is verkregen, maar dat het geld –onmiddellijk of middellijk– uit enig misdrijf afkomstig is.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich op tijdstippen in de periode van 01 januari 2008

tot en met 14 januari 2011 in Nederland, schuldig heeft gemaakt aan witwassen,

immers heeft verdachte

- van onderstaand eerstgenoemde voorwerpen telkens de werkelijke herkomst verhuld en

- onderstaand ten tweede genoemd voorwerp verworven en voorhanden gehad, te

weten:

- geldbedragen, in contanten en

- een voertuig, te weten een Audi, type A4 (kenteken [kenteken]),

terwijl verdachte telkens redelijkerwijs moest vermoeden, dat die voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van het feit

Strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op:

Schuldwitwassen, meermalen gepleegd.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een werkstraf voor de duur van 120 uur, subsidiair 60 dagen vervangende hechtenis.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft, voor het geval de rechtbank tot het opleggen van een straf mocht komen, het opleggen van een lagere straf bepleit.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het witwassen van gelden. Verdachte heeft geprobeerd een schijnbaar legale herkomst te verschaffen aan de opbrengst van geld dat afkomstig was uit een misdrijf, om zodoende het misdrijf aan het zicht van justitie te onttrekken. Het witwassen van gelden heeft bovendien een ontwrichtende werking op het economisch verkeer. Om deze redenen neemt de rechtbank het verdachte kwalijk dat hij zich met deze praktijken heeft bezig gehouden.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank acht geslagen op een hem betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 3 mei 2011, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld terzake van witwassen.

Alles overziend acht de rechtbank de straf, zoals door de officier van justitie gevorderd, passend en aangewezen. De rechtbank zal verdachte dan ook veroordelen tot een werkstraf voor de duur van 120 uur, subsidiair 60 dagen vervangende hechtenis, met aftrek van voorarrest.

7 De vordering tot verbeurdverklaring

De officier van justitie heeft gevorderd een bedrag van € 13.500,-- - welk bedrag verdachte zou hebben ontvangen voor de verkoop van voornoemde Audi A4 – verbeurd te verklaren. De verdediging heeft afwijzing van deze vordering bepleit.

Ter zitting is komen vast te staan dat op de Audi A4 geen beslag meer rust. Verdachte heeft blijkens zijn verklaring ter terechtzitting de Audi A4 onlangs verkocht voor een bedrag van € 13.500,--. De rechtbank wijst de vordering tot verbeurdverklaring van dit geldbedrag af. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat op dit geldbedrag geen beslag rust en bovendien niet vaststaat of verdachte nog over dit bedrag beschikt.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 22c, 22d, 56, 63 en artikel 420 quater van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4. is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Schuldwitwassen, meermalen gepleegd;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf voor de duur van 120 uren, te vervangen door hechtenis voor de duur van 60 dagen indien de veroordeelde deze straf niet naar behoren verricht.

Beveelt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht bij de uitvoering van de werkstraf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uren taakstraf per dag inverzekeringstelling/

voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.R. Krol, voorzitter, mr. M.J. Veldhuijzen en mr. P.L.C.M. Ficq, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.J.C.J. Evers, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 30 juni 2011.