Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BV2522

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
31-12-2011
Datum publicatie
01-02-2012
Zaaknummer
16/601085-11 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bezit vals geld met het doel het uit te geven als echt. De rechtbank leidt uit de persoonlijke omstandigheden van verdachte af dat verdachte op het moment dat hij het geld in bezit kreeg, wist dat het vals geld was.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/601085-11 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 31 januari 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1968] te [geboorteplaats]

wonende te [woonplaats]

gedetineerd Haarlem, PI Midden Holland - HvB Haarlem

raadsvrouw mr. R.E.H. Jager, advocaat te Amersfoort

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 17 januari 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

samen met een ander opzettelijk:

- acht bankbiljetten van €50,-,

- drie bankbiljetten van €100,- en

- een pakketje van 24 bankbiljetten van €50,- en 50 bankbiljetten van €100,-

voorhanden had, waarvan verdachte toen hij die bankbiljetten ontving wist dat ze vals waren, met als doel die bankbiljetten als echt en onvervalst uit te geven.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de zaak, de officier van justitie is ontvankelijk in haar vervolging en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het feit wettig en overtuigend bewezen en baseert zich daarbij op de processen-verbaal van bevindingen en de verklaring van verdachte dat hij een paar valse bankbiljetten van [medeverdachte] had gekregen om drugs van te kopen.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen en voert daartoe het volgende aan. Op het moment dat duidelijk werd dat de agenten de auto waarin verdachte en zijn medeverdachte zaten zouden controleren heeft verdachte de valse bankbiljetten, die onder het dashboardkastje lagen, gepakt en bij zich gestopt, om ze op die manier aan het zicht van de politie te onttrekken. Verdachte had niet het oogmerk deze bankbiljetten als echt en onvervalst uit te geven. Dit blijkt ook uit het feit dat hij kort daarvoor nog € 5,20 van zijn zoon had geleend om een pakje sigaretten te kopen. Deze

€ 5,20 is ook bij verdachte aangetroffen.

Verdachte wist niet dat de medeverdachte een pakketje met bankbiljetten onder de auto had neergelegd, zodat hij ook voor dit deel dient te worden vrijgesproken.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Op 9 november 2011 rond 00.15 uur werden verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte], terwijl ze met hun auto geparkeerd stonden bij een benzinestation te Groenekan, gecontroleerd in verband met de verdenking van betrokkenheid bij een valsgeldtransactie eerder die avond. Medeverdachte [medeverdachte] zat als bestuurder en verdachte als bijrijder in de auto. Bij die controle werd onder hun auto een pakketje bankbiljetten gewikkeld in huishoudfolie aangetroffen. Op de vraag van een verbalisant wat dit was, antwoordde verdachte dat het vals geld was. Verdachte en [medeverdachte] zijn toen aangehouden.

Bij de insluitingsfouillering werd in de broekspijp bij verdachte eveneens geld aangetroffen. Dit ging om acht briefjes van €50,- en drie briefjes van €100, In het pakketje dat onder de auto lag zaten 50 biljetten van €100,- en 24 biljetten van €50,-. Zowel het geld in het pakketje als het geld dat is aangetroffen bij verdachte, was vals geld

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij de valse briefjes die hij in zijn broekspijp had van medeverdachte [medeverdachte] had gekregen. Hij zou met dit valse geld voor [medeverdachte] drugs kopen.

Nadere bewijsoverweging

Gelet op de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte samen met medeverdachte [medeverdachte] de genoemde valse bankbiljetten in voorraad had, met het oogmerk ze als echt en onvervalst uit te geven.

Ten aanzien van de bij verdachte aangetroffen valse bankbiljetten heeft verdachte immers verklaard dat hij die bankbiljetten van medeverdachte had gekregen met als doel drugs te kopen. De rechtbank verwerpt dan ook de verklaring van verdachte ter zitting dat hij de biljetten slechts onder zich had om ze aan het zicht van de politie te onttrekken.

De rechtbank acht dit voorhanden hebben van vals geld niet in strijd met de omstandigheid dat verdachte kort daarvoor een klein geldbedrag had geleend bij zijn zoon om een pakje sigaretten te kopen. Het is immers gebruikelijk dat een bankbiljet bij een betaling in een winkel wordt gecheckt op echtheid en verdachte zou bij gebruikmaking van vals geld bij de aankoop van sigaretten dan ook het risico lopen betrapt te worden, zoals hijzelf ook bij de politie heeft verklaard.

Op grond van het proces-verbaal van politie dat verdachte nadat het pakketje onder de auto was aangetroffen uit zichzelf verklaarde dat het vals geld was, is de rechtbank van oordeel dat verdachte ook wetenschap had van de aanwezigheid van dit valse geld en dit samen met medeverdachte voorhanden had.

Het totaalbedrag van de onder verdachte en zijn medeverdachte aangetroffen valse bankbiljetten is €6900,-. Uit de omstandigheid dat verdachte gedurende vele jaren drugsverslaafd is geweest, ook nu nog geldgebrek heeft, zoals blijkt uit zijn eigen verklaring, leidt de rechtbank af dat het niet anders kan dan dat verdachte, op het moment dat hij de valse bankbiljetten ontving, bekend was met de valsheid van die biljetten.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

op 09 november 2011 te Groenekan, tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk

- acht, bankbiljetten van 50 euro en- drie, bankbiljetten van 100 euro en

- een in doorzichtig [huishoud]folie verpakt pakketje bankbiljetten bestaande uit 24

bankbiljetten van 50 euro en 50 bankbiljetten, van 100 euro

waarvan de valsheid verdachte, toen hij die ontving, bekend was, met het oogmerk om

die als echt en onvervalst uit te geven of te doen uitgeven, in voorraad heeft gehad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

Medeplegen van opzettelijk bankbiljetten, waarvan de valsheid verdachte, toen hij die ontving, bekend was, met het oogmerk om die als echt en onvervalst uit te geven, in voorraad hebben.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk, met als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd, onder verwijzing naar jurisprudentie, dat in het algemeen voor dergelijke feiten een werkstraf of een voorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd.

De voorlopige hechtenis dient dan ook, op grond van artikel 67a lid 3 Sv, te worden opgeheven. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht de voorlopige hechtenis te schorsen. Zijn jongste zoontje wordt op 27 januari 2012 twee jaar en verdachte wil dit graag in familieverband vieren.

Verdachte staat open voor hulp en begeleiding door de reclassering en wil ook meewerken aan behandeling bij Kade 17.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straffen heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft samen met zijn medeverdachte een groot aantal valse bankbiljetten in voorraad gehad met als doel ze uit te geven als echt en onvervalst.

Dit is een ernstig feit. De economie is gebaseerd op het vertrouwen dat aan bankbiljetten een bepaalde (daarop vermelde) waarde kan worden toegekend. Door valse biljetten in omloop te houden wordt dit essentiële economische principe ondergraven en worden personen die in ruil voor deze biljetten goederen afstaan financieel gedupeerd.

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft de rechtbank acht geslagen op zijn omvangrijke strafblad. Verdachte is diverse malen veroordeeld voor vermogensdelicten al dan niet gecombineerd met geweld, voor feiten uit de Opiumwet en voor diverse andersoortige feiten. Uit het reclasseringsrapport blijkt dat verdachte na jarenlange verslaving sinds 2 à 3 jaar is afgekickt. Dat heeft ook zijn weerslag op het strafblad; recentelijk is verdachte niet meer veroordeeld voor vermogensdelicten maar nog wel voor huiselijk geweld. Het voormelde reclasseringsrapport is ook opgemaakt in een zaak betreffende huiselijk geweld. In dat kader is aan hem reclasseringstoezicht opgelegd. Na een moeizame start is aan dit toezicht inhoud gegeven en verdachte is gemotiveerd om hieraan mee te werken.

Alles afwegende zal de rechtbank aan verdachte een gevangenisstraf opleggen van 6 maanden. Teneinde verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen, zal de rechtbank een deel van deze straf, te weten 3 maanden, voorwaardelijk opleggen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het opleggen van verplicht reclasseringstoezicht, zoals door de officier van justitie gevorderd en door de raadsvrouw bepleit, geen toegevoegde waarde, nu dit reeds is opgelegd in de zaak van het huiselijk geweld.

De rechtbank is van oordeel dat een werkstraf, eventueel gecombineerd met een voorwaardelijke gevangenisstraf, onvoldoende recht doet aan de ernst van het feit, mede gelet op het strafblad van verdachte.

Gelet op de op te leggen straf, zal de rechtbank het verzoek tot onmiddellijke opheffing van de voorlopige hechtenis afwijzen.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 209 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Medeplegen van opzettelijk bankbiljetten, waarvan de valsheid verdachte, toen hij die ontving, bekend was, met het oogmerk om die als echt en onvervalst uit te geven, in voorraad hebben;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 6 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

- wijst af het verzoek tot onmiddellijke opheffing van het bevel tot voorlopige hechtenis;

- bepaalt dat het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte wordt opgeheven met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan die van het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde vrijheidsstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. A. van Maanen, voorzitter, mr. L.M.G. de Weerd en

mr. M.H.L. Schoenmakers, rechters, in tegenwoordigheid van D.G.W. van de Haar-Kleijer, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 31 januari 2012.

Mr. Schoenmakers is niet de gelegenheid dit vonnis mee te ondertekenen