Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BV2519

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
31-12-2011
Datum publicatie
01-02-2012
Zaaknummer
16/601084-11 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bezit vals geld met het doel het uit te geven als echt. De rechtbank leidt uit de persoonlijke omstandigheden van verdachte af dat verdachte op het moment dat hij het geld in bezit kreeg, wist dat het vals geld was.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

-

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/601084-11 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 31 januari 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1973] te [geboorteplaats]

wonende te [woonplaats]

gedetineerd te Nieuwegein, PI Utrecht – HvB locatie Nieuwegein

raadsman mr. D.C. Dorrestein, advocaat te Utrecht

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 17 januari 2011, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1:

samen met een ander opzettelijk:

- acht bankbiljetten van €50,-,

- drie bankbiljetten van €100,- en

- een pakketje van 24 bankbiljetten van €50,- en 50 bankbiljetten van €100,-

voorhanden had, waarvan verdachte toen hij die bankbiljetten ontving wist dat ze vals waren, met als doel die bankbiljetten als echt en onvervalst uit te geven;

feit 2:

opzettelijk een bankbiljet van €50,- heeft uitgegeven als echt en onvervalst, waarvan verdachte, toen hij dat bankbiljet ontving, wist dat het vals was.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de zaak, de officier van justitie is ontvankelijk in haar vervolging en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht beide feiten wettig en overtuigend bewezen en baseert zich daarbij op de processen-verbaal van bevindingen, de verklaring van medeverdachte [medeverdachte] dat hij een paar valse bankbiljetten van verdachte had gekregen om drugs van te kopen, de aangifte en de verklaring van getuige [getuige].

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen en wijst daarbij op het volgende.

Ten aanzien van feit 1.

Verdachte was niet op de hoogte van de aanwezigheid van het valse geld onder de auto. Alleen medeverdachte [medeverdachte] is korte tijd uit het zicht van de politie geweest zodat hij kennelijk de mogelijkheid heeft gezien het valse geld onder de auto te gooien. Uit het proces-verbaal van politie blijkt ook dat [medeverdachte], nadat de politie het pakketje had opgemerkt, zei dat ‘het vals geld was en dat het niets bijzonders was’. De bij de politie afgelegde verklaring van [medeverdachte], inhoudende dat verdachte tegen hem had gezegd dat hij het geld onder de auto had gestopt is ongeloofwaardig, omdat de agenten deze opmerking dan ook gehoord zouden moeten hebben. Verdachte wist ook niet dat [medeverdachte] in het bezit was van vals geld.

Subsidiair heeft de raadsman opgemerkt dat er geen sprake was van nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en medeverdachte, zodat medeplegen van dit feit niet bewezen kan worden. Verdachte dient te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van feit 2.

Verdachte wist op het moment dat hij het biljet van €50,- uitgaf niet dat het om een vals bankbiljet ging. Hij had het biljet kort daarvoor van medeverdachte [medeverdachte] ontvangen. Ook de getuige [getuige], die het biljet aanpakte, had niet direct door dat het vals geld was. Er is dan ook geen sprake van opzet, ook niet in de voorwaardelijke vorm, zodat verdachte ook van dit feit dient te worden vrijgesproken.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van beide feiten

Op 8 november 2011 rond 21.44 uur was medewerker [getuige] in de pizzeria aan de [adres] te Utrecht een klant aan het helpen. Er kwam een man binnen, die even tussendoor geholpen wilde worden. Die man gaf aan dat hij geld wilde wisselen voor de automaat. Omdat hij nogal onrustig was, hielp de medewerker hem tussen de andere klanten door. De man gaf een biljet van €50,- en de medewerker wisselde dit voor twee biljetten van €20,- en 5 munten van €2,-. De man liep naar de automaat, keek er even naar en liep vervolgens de pizzeria uit. De medewerker vond dit vreemd en keek nogmaals naar het bankbiljet van €50,- en zag dat het biljet nep was. Hij ging met dit biljet naar de bedrijfsleider en liet het hem zien. De bedrijfsleider bekeek het biljet en zag dat de echtheidskenmerken van een biljet van €50,-- ontbraken. De bedrijfsleider en de medewerker renden naar buiten, op zoek naar de man. Ze hoorden plotseling in een parkeervak iets verderop een auto starten en zagen een Renault Clio heel hard zonder licht uit het vak komen rijden, in hun richting. Toen de auto vlak langs medewerker [getuige] reed, sloeg die [getuige] hard op de ruit aan de bestuurderszijde. De auto reed echter door. [getuige] zag dat de bestuurder van deze auto dezelfde persoon was als die hem het valse biljet had gegeven. Verdachte heeft verklaard dat hij op 8 november 2011 in de pizzeria aan de [adres] een biljet van €50,- heeft gewisseld.

Later die nacht, op 9 november 2011 rond 00.15 uur, werd verdachte, terwijl hij met zijn auto geparkeerd stond bij een benzinestation te Groenekan, gecontroleerd in verband met de verdenking van betrokkenheid bij de hiervoor genoemde valsgeldtransactie. Verdachte zat als bestuurder in de auto en op de bijrijderstoel zat medeverdachte [medeverdachte]. Aanvankelijk waren er geen nadere aanwijzingen voor betrokkenheid bij strafbare feiten, maar nadat de verbalisanten bij de auto van verdachte waren weggelopen, constateerden zij dat er onder die auto een pakketje lag. Vervolgens werd onder de auto van verdachte een pakketje bankbiljetten gewikkeld in huishoudfolie aangetroffen. Op de vraag van een verbalisant wat dit was, antwoordde [medeverdachte] dat het vals geld was. Verdachte en medeverdachte zijn toen aangehouden. Bij de insluitingsfouillering werd in de broekspijp bij [medeverdachte] eveneens geld aangetroffen. Dit ging om acht briefjes van €50,- en drie briefjes van €100, In het pakketje dat onder de auto lag zaten 50 biljetten van €100,- en 24 biljetten van €50,-. Zowel het geld in het pakketje als het geld dat is aangetroffen bij medeverdachte, was vals geld. Alle biljetten van €100,- waren voorzien van het serienummer X00232552487, plaatnummer P001F4 en alle biljetten van €50,- waren voorzien van het serienummer P13261962736, plaatnummer G021D3. Ook het bankbiljet van €50,- dat bij de pizzeria was omgewisseld had het hiervoor genoemde serienummer.

[medeverdachte] heeft bij de politie verklaard dat verdachte tegen hem had gezegd dat hij vals geld onder de auto had gelegd. De valse briefjes die hij in zijn broekspijp had, had hij van verdachte gekregen. Hij zou met dit valse geld drugs kopen.

Nadere bewijsoverweging

Gelet op de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte samen met medeverdachte [medeverdachte] de onder feit 1 genoemde valse bankbiljetten in voorraad had, met het oogmerk ze als echt en onvervalst uit te geven. [medeverdachte] heeft immers verklaard dat hij van verdachte een stapeltje valse biljetten had gekregen en verdachte had ook tegen hem gezegd dat hij een pakketje onder de auto had gelegd.

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman dat het niet aannemelijk is dat verdachte een dergelijke opmerking zou hebben gemaakt, omdat de opmerking van verdachte over het pakketje onder de auto in dat geval ook door de verbalisanten zou moeten zijn gehoord. Het proces-verbaal bevat geen informatie waaruit zou kunnen worden afgeleid dat deze opmerking op zodanig luide toon is gemaakt dat de verbalisanten dit wel hadden moeten horen.

De rechtbank overweegt verder dat het niet anders kan dan dat verdachte, op het moment dat hij de valse bankbiljetten van totaal €6.900,- ontving, bekend was met de valsheid van die biljetten. De rechtbank overweegt daartoe dat het totaalbedrag van de onder verdachte en zijn medeverdachte aangetroffen valse bankbiljetten gelijk is aan € 6.900,-. Verdachte is gedurende vele jaren drugsverslaafd geweest, was afgekickt maar heeft recent weer een terugval heeft gehad, en heeft geen inkomen en geen uitkering. Al deze factoren maken het al bijzonder onaannemelijk dat verdachte een dergelijk bedrag aan echt geld, op wat voor manier dan ook, heeft ontvangen. Verdachte heeft hieromtrent ook helemaal niets verklaard. Samen met het feit dat verdachte in de auto tegen [medeverdachte] had gezegd dat hij over vals geld beschikte, houdt de rechtbank het er dan ook voor dat verdachte niet alleen op dat moment, maar ook al ten tijde van het verkrijgen van het valse geld bekend was met de valsheid daarvan.

Uit het voorgaande volgt ook dat de rechtbank het verweer van verdachte verwerpt dat hij op het moment dat hij het biljet van €50,- in de pizzeria wisselde, niet bekend was met de valsheid van het geld. Daarbij is nog van belang dat het biljet van €50,- dat bij de pizzeria is omgewisseld hetzelfde serienummer heeft als de later onder de auto van verdachte aangetroffen biljetten van €50,- en de bij medeverdachte aangetroffen biljetten van €50,-, waaruit geconcludeerd kan worden dat de valse biljetten uit dezelfde serie afkomstig zijn.

Ook het onder feit 2 tenlastegelegde feit acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen, gelet op de inhoud van de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen en hetgeen hiervoor is overwogen.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

1.

op of omstreeks 09 november 2011 te Groenekan, tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk

- acht bankbiljetten van 50 euro en

- drie bankbiljetten van 100 euro en

- een in doorzichtig [huishoud]folie verpakt pakketje bankbiljetten bestaande uit 24

bankbiljetten van 50 euro en 50 bankbiljetten, van 100 euro

waarvan de valsheid verdachte, toen hij die ontving, bekend was, met het oogmerk om

die als echt en onvervalst uit te geven of te doen uitgeven, in voorraad heeft gehad;

2.

hij op 08 november 2011 te Utrecht opzettelijk een als echt en onvervalst bankbiljet van 50 euro heeft uitgegeven (door dat bankbiljet bij een pizzeria gevestigd aan de [adres] om te wisselen voor andere coupures), welk bankbiljet waarvan de valsheid verdachte, toen hij dat bankbiljet ontving, bekend was.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Feit 1:

Medeplegen van opzettelijk bankbiljetten, waarvan de valsheid verdachte, toen hij die ontving, bekend was, met het oogmerk om die als echt en onvervalst uit te geven, in voorraad hebben

Feit 2:

Opzettelijk bankbiljetten, waarvan de valsheid verdachte, toen hij die ontving, bekend was, uitgeven

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk met oplegging van reclasseringstoezicht. Het voorstel van de reclassering om de zaak aan te houden, teneinde een indicatiestelling bij het NIFP aan te vragen voor klinische opname van verdachte, dient niet te worden gevolgd. Daarvoor is de onderhavige strafzaak niet geschikt. In het kader van het reclasseringstoezicht kan verdachte ambulant worden behandeld.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat een straf gelijk aan de ondergane voorlopige hechtenis afdoende is. Artikel 67a lid 3 Wetboek van strafvordering is dan ook aan de orde, zodat de voorlopige hechtenis onmiddellijk dan wel zo spoedig mogelijk dient te worden opgeheven. Het voorstel van de reclassering om de zaak aan te houden dient te worden afgewezen.

Tegen reclasseringstoezicht in verband met ambulante behandeling heeft verdachte geen bezwaar.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft samen met zijn medeverdachte een groot aantal valse bankbiljetten in voorraad gehad met als doel ze uit te geven als echt en onvervalst. Daarnaast heeft verdachte een vals biljet van € 50,- uitgegeven als echt en onvervalst.

Dit zijn ernstige feiten. De economie is gebaseerd op het vertrouwen dat aan bankbiljetten een bepaalde (daarop vermelde) waarde kan worden toegekend. Door valse biljetten in omloop te houden wordt dit essentiële economische principe ondergraven en worden personen die in ruil voor deze biljetten goederen afstaan financieel gedupeerd.

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft de rechtbank acht geslagen op zijn strafblad. Verdachte heeft een forse delictgeschiedenis met een grote verscheidenheid aan delicten. Daarbij is naast geweld binnen de relatie vooral verwervingscriminaliteit voor het bekostigen van zijn drugsverslaving aan de orde geweest.

Uit het reclasseringsrapport van GGZ IrisZorg, opgemaakt door G.J. van Dijk, blijkt dat verdachte op dit moment geen geschikte huisvesting, geen zinvolle dagbesteding en financiële problemen heeft. Verdachte is gemotiveerd zijn verslaving te doorbreken en met hulp van de reclassering zijn problemen te overwinnen.

Alles afwegende zal de rechtbank aan verdachte een gevangenisstraf opleggen van 6 maanden. Teneinde verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen, zal de rechtbank een deel van deze straf, te weten 3 maanden, voorwaardelijk opleggen. Hieraan zal verplicht reclasseringstoezicht worden gekoppeld, zodat verdachte aan zijn verslaving kan werken, zo nodig in het kader van een ambulante behandeling.

Deze straf doet naar het oordeel van de rechtbank recht aan de ernst van de bewezen-verklaarde feiten, mede gelet op het strafblad van verdachte.

Gelet op deze straf, zal de rechtbank het verzoek tot onmiddellijke opheffing van de voorlopige hechtenis afwijzen.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 57, 209 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Feit 1:

Medeplegen van opzettelijk bankbiljetten, waarvan de valsheid verdachte, toen hij die ontving, bekend was, met het oogmerk om die als echt en onvervalst uit te geven, in voorraad hebben

Feit 2:

Opzettelijk bankbiljetten, waarvan de valsheid verdachte, toen hij die ontving, bekend was, uitgeven;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 6 maanden waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

* omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarde:

* dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens GGZ IrisZorg unit Arnhem, ook als dat inhoudt ambulante behandeling bij een door de reclassering te bepalen instelling;

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

- wijst af het verzoek tot onmiddellijke opheffing van het bevel tot voorlopige hechtenis;

- bepaalt dat het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte wordt opgeheven met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan die van het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde vrijheidsstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. A. van Maanen, voorzitter, mr. L.M.G. de Weerd en

mr. M.H.L. Schoenmakers, rechters, in tegenwoordigheid van D.G.W. van de Haar-Kleijer, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 31 januari 2012.

Mr. Schoenmakers is niet de gelegenheid dit vonnis mee te ondertekenen