Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BV2360

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
06-10-2011
Datum publicatie
01-02-2012
Zaaknummer
16/600585-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

brandstichting en poging tot brandstichting in een auto

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/600585-11

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 6 oktober 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1991] te [geboorteplaats]

wonende te [woonplaats]

Gedetineerd HvB Wolvenplein, Utrecht.

raadsman mr. R.P. van der Graaf, advocaat te Utrecht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 22 september 2011, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

1. samen met een ander op 6 juni 2011 opzettelijk brand heeft gesticht in een Volkwagen Polo;

2. samen met een ander op 6 juni 2011 heeft geprobeerd opzettelijk brand te stichten in een Daewoo Lanos.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het eerste ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen, met name gelet op de door [getuige] afgelegde getuigenverklaring en de in het gezicht van verdachte waargenomen brandverwondingen. De officier van justitie heeft gevorderd verdachte van het tweede ten laste gelegde feit vrij te spreken, nu zich voor zijn betrokkenheid bij dit feit onvoldoende bewijsmiddelen in het dossier bevinden.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit verdachte van beide ten laste gelegde feiten vrij te spreken. Ten aanzien van het eerste ten laste gelegde feit heeft de verdediging gesteld dat enkel getuige [getuige] heeft verklaard dat zij heeft gezien dat verdachte betrokken was bij het in brand steken van de Volkwagen Polo. Op de geloofwaardigheid van deze verklaring is echter wel het een en ander af te dingen en op een aantal punten is deze verklaring in strijd met andere getuigenverklaringen. Daarbij is het mogelijk dat getuige [getuige] verdachte heeft verwisseld met [neef verdachte], die heeft verklaard op 6 juni 2011 omstreeks 01.30 uur vanuit de [straat 4] naar de woning aan de [straat 2] is gerend. Voor de op zijn gezicht aanwezige brandwonden heeft verdachte een geloofwaardige verklaring gegeven, namelijk dat deze zijn ontstaan toen hij op 4 juni 2011 thuis frikadellen bakte. Deze verklaring wordt ook in zekere mate bevestigd door de moeder van verdachte.

Ten aanzien van het tweede ten laste gelegde feit heeft de verdediging gesteld dat zich in het dossier geen bewijsmiddelen bevinden waaruit blijkt dat verdachte bij deze poging tot brandstichting betrokken zou zijn geweest.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Redengevende feiten en omstandigheden

Op 6 juni 2011 omstreeks 01.30 uur komt een melding binnen bij de politie dat aan de [straat 4] te Amersfoort een auto in brand zou staan. Verbalisanten waren om 01.35 uur ter plaatse en zij zagen dat van een personenauto van het merk Volkwagen, type Polo, het raam aan de bijrijderszijde vernield was en dat de binnenzijde van de auto geheel in brand stond. Zij zagen dat verderop in de straat, ter hoogte van nummer 40, nog een auto stond met een vernield bijrijdersraam. Dit betrof een personenauto van het merk Daewoo, type Lanos. Zij roken bij deze auto een sterke benzinelucht en zagen dat in de auto, op de bijrijdersstoel, een Coca Cola fles van anderhalve liter lag, zonder dop, waarin nog een kleine laag vloeistof zat. Tevens zagen zij dat ook in de middenconsole een laagje vloeistof lag. Zij roken dat de vloeistof in de fles en in de middenconsole sterk naar benzine rook. Ze hebben deze fles in beslag genomen en op de voorgeschreven wijze veiliggesteld voor sporenonderzoek.

[aangever 1] heeft op 7 juni 2011 aangifte gedaan van brandstichting in zijn auto, te weten een Volkswagen Polo. [aangever 2] heeft op 9 juni 2011 aangifte gedaan van vernieling van zijn auto en poging tot brandstichting in zijn auto, te weten een Daewoo Lanos.

Getuige [getuige] heeft verklaard dat zij zondagnacht 6 juni 2011 rond 01.30 uur op een bankje voor haar woning aan de [straat 3] te Amersfoort een sigaretje zat te roken. Terwijl zij daar zat zag zij twee jongens uit de buurt, haar bekend als [medeverdachte] en [verdachte], aan komen lopen. Zij verklaart dat [medeverdachte] op de [straat 1] woont en [verdachte] aan de [straat 2]. Zij maakte een grapje tegen de donkere jongen, [medeverdachte], dat ze in het donker alleen zijn tanden zag. Ze zag dat de jongens verder liepen richting de basisschool. Zij zag vervolgens dat de jongens weer terugliepen langs het bankje waarop ze zat en zag bij een van de twee jongens een “bobbel” onder zijn jas, die zij eerder niet had gezien. Ze zag dat de jongens liepen in de richting van de [straat 4]. Omdat zij de jongens niet vertrouwde is zij na ongeveer 5 minuten ook naar de [straat 4] gelopen en achter een muurtje gaan staan. Op ongeveer 20 meter afstand zag zij [medeverdachte] en [verdachte] bij een auto, een Volkswagen Polo, staan. Zij zag dat een van de jongens benzine over de auto gooide, dat de andere jongen de benzine aanstak en dat de auto vlam vatte. Toen de vlammen heftiger werden zag ze de jongens wegrennen in de richting van de [straat 2]. Ze verklaart 100% zeker te weten dat de jongens die zij bij de auto zag dezelfde jongens waren die zij eerder bij haar woning had gezien. Ze weet zeker dat zij niet [neef verdachte] bij de Volkswagen Polo heeft gezien. Zij kent [neef verdachte] ook, weet dat hij een neef van verdachte is en weet zeker dat zij hem niet heeft gezien bij de Volkswagen Polo. Zij heeft verder verklaard dat ze [verdachte] in de middag van 5 juni 2011 heeft gezien en dat zij toen geen brandwonden in zijn gezicht heeft gezien. Toen zij hem op 9 juni 2011 tegenkwam, zag zij dat hij een verwonding in zijn gezicht had, rondom zijn rechteroog waren wimpers en een deel van de wenkbrauw verdwenen.

Verdachte heeft verklaard bij de politie dat een deel van zijn wenkbrauw is verbrand.

Een vingerafdruk, aangetroffen op de Coca Cola fles in de Daewoo Lanos, is veiliggesteld. Uit een dactyloscopisch onderzoek is gebleken dat de op de Coca Cola fles aangetroffen vingerafdruk is geïdentificeerd op verdachte. Deze identificatie betekent dat de aangetroffen vingerafdruk gelijk is aan die van mede-verdachte [medeverdachte] en alleen hij de donor van het spoor kan zijn.

Ter zitting heeft de rechtbank samen met de getuige [getuige], verdachte, zijn raadsman en de officier van justitie een overzichtskaart van de situatie ter plaatse bekeken. Op deze overzichtskaart is te zien dat wanneer vanuit de [straat 3], waar getuige [getuige] stond, naar de [straat 4] wordt gelopen, eerst de [straat 4] -waar is Daewoo Lanos is aangetroffen- wordt gepasseerd en vervolgens de plaats waar de Volkswagen Polo in brand is gestoken.

Bewijsoverweging

De rechtbank acht beide ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen en heeft daartoe als volgt overwogen.

De rechtbank stelt voorop dat zij uitgaat van getuigenverklaring van [getuige], zoals die ter zitting is afgelegd. De rechtbank acht haar verklaring en haar herkenning van verdachten geloofwaardig. Getuige wist waar verdachte en mede-verdachte [medeverdachte] wonen. Dat zij mede-verdachte [medeverdachte] kende volgt naar het oordeel van de rechtbank ook uit de omstandigheid dat zij richting hem een raciaal getint grapje heeft gemaakt. Een dergelijk grapje wordt, zeker gezien het tijdstip waarop, in het algemeen niet gemaakt tegen een onbekende.

De rechtbank stelt vast dat op 6 juni 2011 op de [straat 4] te Amersfoort een Volkswagen Polo in brand is gestoken en is geprobeerd een Daewoo Lanos in brand te steken. Bij beide auto’s sprake is van dezelfde modus operandus, in die zin dat van beide auto’s het raam aan de bijrijderszijde is ingeslagen en een brandbare vloeistof is gebruikt.

De rechtbank stelt vast dat er twee jongens, te weten verdachte en [medeverdachte], ten tijde van de brand in de [straat 4] zijn gezien. Getuige [getuige] heeft verklaard dat zij zag dat een van deze jongens benzine over de Volkwagen Polo gooide en de andere de benzine aanstak waarna de auto in brand vloog. Vervolgens zag zij beide jongens in de richting van de [straat 2] wegrennen. Dat de getuige niet meer weet wie de benzine gooide en wie deze aanstak is voor het oordeel dat sprake is van medeplegen niet van belang.

Nu bij de Daewoo Lanos sprake is van dezelfde modus operandus als bij de Volkswagen Polo, gaat de rechtbank ervan uit dat verdachte en [medeverdachte] samen hebben geprobeerd ook deze auto in brand te steken. Gelet op de ter zitting waargenomen looproute naar de [straat 4] vanuit de [straat 3], waarbij eerst de Daewoo Lanos wordt gepasseerd, gaat de rechtbank er voorts vanuit dat verdachte en [medeverdachte] eerst hebben geprobeerd de Daewoo Lanos in brand te steken. Dit volgt ook uit de getuigenverklaring van [getuige], die beide jongens na het in brand steken van de Volkswagen Polo zag wegrennen in de richting van de [straat 2]. Nu in de Daewoo Lanos een fles met een laagje benzine is achtergebleven en de getuige heeft gezien dat vanuit een fles benzine over de Volkswagen Polo is gegooid, concludeert de rechtbank dat verdachte en [medeverdachte] een tweede fles met benzine bij zich moeten hebben gehad om de Volkswagen Polo in brand te steken.

De rechtbank acht niet aannemelijk dat de wenkbrauw van verdachte is verbrand toen hij thuis op 4 juni 2011 frikadellen bakte, zoals hij heeft verklaard. De rechtbank gaat er vanuit dat deze brandwonden zijn ontstaan op 6 juni 2011 toen verdachte brand heeft gesticht in een Volkswagen Polo en geprobeerd heeft brand te stichten in een Daewoo Lanos. De rechtbank heeft hierbij in aanmerking genomen dat getuige [getuige] heeft verklaard dat zij verdachte op 5 juni 2011 in de middag heeft gezien en toen geen brandwonden in zijn gezicht zag. Ook de moeder van verdachte heeft verklaard dat zij verdachte op 5 juni 2011 heeft gesproken en niets bijzonders aan hem heeft gezien.

De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging dat het mogelijk is dat getuige [getuige] zich heeft vergist en niet verdachte maar [neef verdachte] heeft gezien. Immers de getuige heeft ter zitting verklaard dat zij [neef verdachte] kent, dat zij weet dat hij een neef van verdachte is, dat zij hen goed uit elkaar kan houden en dat zeker weet dat zij [neef verdachte] niet bij de Volkswagen Polo heeft gezien.

Evenals de officier van justitie acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat ten gevolge van het eerste ten laste gelegde feit levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen te duchten was. Van dit deel van de tenlastelegging zal verdachte dan ook worden vrijgesproken.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

op 06 juni 2011 te Amersfoort tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk brand heeft gesticht in een auto (merk Volkswagen, type Polo), immers hebben verdachte en zijn mededader toen aldaar opzettelijk

-benzine, althans een brandbare vloeistof over die auto gegoten en vervolgens (open) vuur in aanraking met die brandbare vloeistof, gebracht ten gevolge waarvan die auto is verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor een of meer op de openbare weg, te weten de [straat 4], geparkeerde auto's, in elk geval gemeen gevaar voor goederen te duchten was;

2.

op 06 juni 2011 te Amersfoort ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk brand te stichten in een auto (merk Daewoo, type Lanos), terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten was (te weten een of meer op de openbare weg, te weten de [straat 4], geparkeerde auto's),

hebben verdachte en zijn mededader met dat opzet een fles (met daarin benzine, althans een brandbare vloeistof), in die auto gegooid/ gedaan, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

1. Opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is en het feit wordt gepleegd door twee verenigde personen.

2. Poging tot opzettelijk brandstichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is en het feit wordt gepleegd door twee verenigde personen.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden, waarvan een maand voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Gedurende deze proeftijd dient verdachte zich te houden aan de door de reclassering geadviseerde voorwaarden.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft het opleggen van een lagere straf bepleit.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft samen met een ander een Volkswagen Polo in brand gestoken, ten gevolge waarvan deze auto deels is uitgebrand en niet meer bruikbaar is. Daarnaast heeft verdachte samen met een ander de ruit van een Daewoo Lanos vernield en geprobeerd ook deze auto in brand te stelen. Door deze brandstichting en poging tot brandstichting hebben andere auto’s die in de nabijheid stonden, gevaar gelopen. Dat de schade beperkt is gebleven, is niet aan verdachte te danken nu hij met zijn mededader na de brandstichting gewoon is weggelopen. De verdachte heeft zich om de gevolgen van zijn handelen niet bekommerd.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank verder rekening gehouden met:

- een hem betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 17 juni 2011, waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor strafbare feiten;

- een hem betreffend reclasseringsadvies d.d. 16 september 2011, opgesteld door K. Lakeman, reclasseringswerker. Hierin wordt geadviseerd aan verdachte, indien hij schuldig wordt bevonden, een (gedeeltelijk) voorwaardelijke gevangenisstaf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldingsgebod, deelname aan een cognitieve vaardigheidstraining, een arbeidsvaardighedentraining en het verlenen van medewerking aan “begeleiding nieuwe perspectieven”.

Gelet op de ernst en de aard van de door verdachte gepleegde misdrijven is de rechtbank van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur, passend en geboden is. De rechtbank is van oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf onvoldoende recht doet aan de ernst van de door verdachte gepleegde feiten. Alles overziende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar passend en geboden. Gedurende de proeftijd dient verdachte zich te houden aan de door de reclassering geadviseerde voorwaarden.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 45, 47, 57 en 157 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

1 Opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is en het feit wordt gepleegd door twee verenigde personen.

2. Poging tot opzettelijke brandstichting, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is en het feit wordt gepleegd door twee verenigde personen.

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 8 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar

bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

stelt als bijzondere voorwaarde:

- dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens Reclassering Nederland, ook als dat inhoudt het volgen van een cognitieve vaardigheidstraining, het volgen van een arbeidsvaardighedentraining en ook als dat inhoudt het verlenen van medewerking aan “begeleiding nieuwe perspectieven”;

- dat verdachte zich binnen drie werkdagen na het einde van zijn detentie dient te melden bij de reclassering Utrecht aan het Vivaldiplantsoen 200 te Utrecht. Hierna dient hij zich te blijven melden bij de reclassering, zo frequent als de reclassering dat nodig acht;

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarde;

bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. A. van Maanen, voorzitter, mr. P. Wagenmakers en mr. M.S. Koppert, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.J.C.J. Evers, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 6 oktober 2011.