Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BV2188

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
17-11-2011
Datum publicatie
30-01-2012
Zaaknummer
16-600553-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling ter zake van (pogingen) woninginbraken en heling tot een gevangenisstraf voor de duur van 80 dagen waarvan 30 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en een werkstraf van 60 uur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

Parketnummer: 16/600553-11

Datum uitspraak: 17 november 2011

Vonnis van de meervoudige kamer voor strafzaken op tegenspraak gewezen in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1992] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

Raadsman: mr. D.C. Vlielander, advocaat te Utrecht.

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 3 november 2011, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich samen met een ander schuldig heeft gemaakt aan een poging tot inbraak in een woning gelegen aan de [adres] te [woonplaats].

3. De voorvragen

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging en er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot inbraak in een woning.

4.2 Het standpunt van de verdediging

Namens de verdachte is bepleit dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen. De enige directe bron waaruit kan blijken dat verdachte degene is geweest die heeft geprobeerd in te breken is de verklaring van de anonieme getuige. De verdediging is van mening dat de verklaring van deze anonieme getuige niet voor het bewijs mag worden gebruikt, aangezien niet is voldaan aan de criteria die gelden voor het anoniem horen van getuigen.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

4.3.1 Feiten blijkend uit de bewijsmiddelen

Op 2 juni 2011 om 00.20 uur kwam een melding bij de politie binnen dat er werd geprobeerd in te breken in een woning gelegen aan de [adres] te [woonplaats].

De ter plaatse gekomen verbalisant [verbalisant 1] hoorde via het berichtencentrum dat de melder zicht had op de achterzijde van de woning, waar hij twee personen in de tuin zag staan. De melder hoorde breekgeluiden. Via het berichtencentrum werd doorgegeven dat de twee personen naar de voorzijde liepen. Verbalisant [verbalisant 1] zag dat twee personen wegrenden en over de heg sprongen. De medeverdachte werd direct daarop in de tuin van de buren aangehouden .

Verdachte is doorgerend naar een coniferenhaag, waarin hij zich schuil heeft gehouden en een moment later, te weten om 00.32 uur , is aangehouden. Verdachte droeg ten tijde van zijn aanhouding zwarte handschoenen .

Na de aanhouding van verdachte en zijn medeverdachte heeft verbalisant [verbalisant 2] de melder, die verklaarde anoniem te willen blijven, gehoord. De melder heeft toen verklaard dat hij goed zicht had op de achtertuin van de woning aan de [adres], dat hij nadat hij het geluid van brekend hout hoorde naar buiten keek en toen twee personen zag staan in de achtertuin van deze woning. Een van deze personen had witte handschoenen aan. De melder heeft voorts verklaard dat hij zag dat degenen die hij in de achtertuin van het perceel 52 heeft zien staan door de politie werden meegenomen .

[verbalisant 1] heeft gezien dat de medeverdachte witte handschoenen droeg, voordat hij kort voor zijn aanhouding zijn handen onder een heg stak. Toen zijn handen onder de heg vandaan kwamen droeg hij deze witte handschoenen niet meer. Op de desbetreffende plek vond verbalisant [verbalisant 1] later een paar witte wollen handschoenen. Tevens vond hij twee breekvoorwerpen op de plaats waar hij de eerste maal zicht had op een van de twee verdachten .

[verbalisant 1] heeft na aanhouding van de verdachten gezien dat er bij de openslaande deuren aan de achterzijde van de woning grove breeksporen en moeten in het hout zaten . Tevens heeft aangeefster verklaard dat er sprake was van forse schade op de rechterdeur aan de achterzijde en dat in het midden van de openslaande deuren was geprobeerd met een breekvoorwerp de deuren open te breken .

Verdachte heeft desgevraagd geen verklaring gegeven voor zijn aanwezigheid in de tuin van een woning van een onbekende op het tijdstip, te weten midden in de nacht, dat hij daar werd gezien en vervolgens werd aangehouden.

4.3.2 Nadere bewijsoverweging

Namens verdachte is aangevoerd dat de verklaring van de anonieme getuige niet voor het bewijs mag worden gebruikt, aangezien niet aan de daarvoor geldende vereisten is voldaan. Dit verweer wordt verworpen. Uit hetgeen de verdediging ter zitting heeft aangevoerd begrijpt de rechtbank dat de identiteit van de getuige bij de verdediging bekend is. De verdediging heeft ter zitting voorts uitdrukkelijk afstand gedaan van het ondervragingsrecht van deze getuige. De rechtbank is dan ook van oordeel dat er onder deze omstandigheden geen beletsel bestaat de verklaring van de anonieme getuige, zoals door de politie vastgelegd in een proces verbaal van bevindingen, voor het bewijs te bezigen.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 2 juni 2011 te Vleuten ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning gelegen aan de [adres] weg te nemen geld en/of (een) goed(eren) geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] en zich daarbij de toegang tot die woning te verschaffen en/of die/dat weg te nemen geld en/of goed(eren) onder hun bereik te brengen door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming, tezamen en in vereniging met een ander als volgt heeft gehandeld:

hebbende hij, verdachte en/of zijn mededader met een breekvoorwerp in sluitnaden van deuren en kozijnen van die woning gewrikt, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op:

poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft of het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking of inklimming.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht, gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 80 dagen waarvan 30 dagen voorwaardelijk met aftrek van voorarrest met een proeftijd van 2 jaren met als bijzondere voorwaarden een verplicht reclasseringscontact en een contactverbod met medeverdachte

[medeverdachte]. Daarnaast heeft zij gevorderd een werkstraf op te leggen voor de duur van 30 uren, subsidiair 15 dagen vervangende hechtenis.

6.2 Het standpunt van de verdediging

Namens de verdachte is vrijspraak bepleit. Mocht de rechtbank tot een bewezenverklaring komen, dan de rechtbank verzocht de straf te beperken tot de door de officier van justitie gevorderde deels voorwaardelijke gevangenisstraf. De gevorderde bijzondere voorwaarden, te weten een reclasseringscontact en een contactverbod, en de werkstraf hebben naar mening van de verdediging geen enkele toegevoegde waarde.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan een poging tot inbraak in een woning. Dat verdachte zich kort nadat hij door deze rechtbank is veroordeeld terzake soortgelijke feiten, wederom schuldig maakt aan een poging woninginbraak, rekent de rechtbank hem zwaar aan. Woninginbraken zijn nare feiten, die schade, overlast en angst bij de bewoners teweeg brengen. Verdachte lijkt slechts uit te zijn op persoonlijk financieel gewin zonder zich daarbij te bekommeren om de gevolgen voor de slachtoffers.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank rekening gehouden met het gegeven dat uit het uittreksel van de justitiële documentatie de verdachte betreffend d.d. 21 september 2011 blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Voorts heeft de rechtbank kennis genomen van hetgeen door de reclassering in het voortgangsverslag d.d. 24 oktober 2011 en ter terechtzitting is weergegeven. Hieruit blijkt dat verdachte blijkens psychologisch onderzoek functioneert op licht verstandelijk beperkt niveau. Een voorspelbare omgeving waarin sprake is van structuur en overzicht is een randvoorwaarde voor het slagen van toekomstig werk en/of opleiding. Bovendien dient er sprake te zijn van taakgerichte werkzaamheden met korte termijn doelen. Verdachte zal zich in samenspraak met zijn coach aanmelden bij Titan, teneinde te zoeken naar een geschikte werkplek. Geconcludeerd wordt dat het opleggen van een gevangenisstraf alle tot nu toe bereikte resultaten teniet zal doen en dat het opleggen van een werkstraf voor verdachte veel stress zal opleveren. De reclassering adviseert om - indien het aanhouden van de zaak niet mogelijk is - een voorwaardelijke straf op te leggen met bijzondere voorwaarden.

Voorts overweegt de rechtbank dat formeel artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is, nu het arrest van het Gerechtshof te Arnhem van een latere datum is dan het plegen van onderhavig strafbaar feit. Zoals reeds is opgemerkt was verdachte wel reeds in eerste aanleg veroordeeld.

Alles afwegend komt de rechtbank tot het oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde gevangenisstraf voor de duur van 80 dagen, waarvan 30 dagen voorwaardelijk, in combinatie met een werkstraf van 60 uur voldoende recht doet aan de ernst van het feit en de persoon van de verdachte. De rechtbank komt daarmee tot een hogere werkstraf dan door de officier van justitie geëist, maar ziet hiervoor reden in de ernst van het feit, bezien in combinatie met het gegeven dat het gebrek aan dagbesteding het recidiverisico verhoogt. De rechtbank gaat er daarbij wel van uit dat, indien verdachte zal werken via Titan, dit gecombineerd moet kunnen worden met de op te leggen werkstraf. Aan het voorwaardelijke deel van de gevangenisstraf zal als bijzondere voorwaarde een verplicht reclasseringscontact gekoppeld worden. De rechtbank gaat er van uit dat de verdachte door de reclassering - en in het bijzonder zijn coach - voldoende zal worden begeleid teneinde verdachte te weerhouden van het omgaan met vrienden die een verkeerde invloed op hem hebben. In dit stadium wordt het opleggen van een contactverbod met medeverdachte [medeverdachte] dan ook niet noodzakelijk of wenselijk geacht.

7. Het beslag

De officier van justitie heeft verzocht het onder verdachte in beslag genomen paar zwarte handschoenen verbeurd te verklaren. Namens de verdachte is verzocht de handschoenen aan verdachte terug te geven. De rechtbank is van oordeel dat de in beslag genomen zwarte handschoenen vatbaar zijn voor verbeurdverklaring, nu gebleken is dat het feit is begaan met dit voorwerp.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 33, 33a, 45, 63, 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

DE BESLISSING

De rechtbank beslist als volgt:

Bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit, zoals hiervoor vermeld, heeft begaan;

- verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt de verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde strafbaar is en dat dit het hierboven vermelde strafbare feit oplevert;

- verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt de verdachte tot een GEVANGENISSTRAF voor de duur van 80 dagen;

- bepaalt dat van deze gevangenisstaf een gedeelte groot 30 dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders mocht worden gelast;

- stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren;

- bepaalt dat de tenuitvoerlegging kan worden gelast indien:

o de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt;

o de veroordeelde na te melden bijzondere voorwaarde niet naleeft:

- dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd gedraagt naar de door of namens de Reclassering Nederland te geven aanwijzingen, zolang die reclasseringsinstelling dat nodig acht, met opdracht aan voornoemde instelling de veroordeelde bij de naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen;

- beveelt dat de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

- veroordeelt de verdachte voorts tot een TAAKSTRAF, bestaande deze straf uit:

een werkstraf voor de duur van 60 uren, te vervangen door 30 dagen hechtenis, indien de veroordeelde deze straf niet naar behoren verricht;

Beslag

- verklaart verbeurd: zwarte handschoenen;

Voorlopige hechtenis

- heft het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte op met ingang van het onherroepelijk worden van dit vonnis.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.E. Somsen, voorzitter en mrs M.A.A.T. Engbers en D.A.C. Koster, bijgestaan door mr. K. Verspaget-Kruyt als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 17 november 2011.