Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BV2162

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
17-11-2011
Datum publicatie
30-01-2012
Zaaknummer
16-600552-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling ter zake van (pogingen) woninginbraken en heling tot een gevangenisstraf van 10 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

Parketnummer: 16/600552-11

Datum uitspraak: 17 november 2011

Vonnis van de meervoudige kamer voor strafzaken op tegenspraak gewezen in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1990] te [geboorteplaats],

gedetineerd in de penitentiaire inrichting Utrecht, locatie Nieuwegein,

Raadsman: mr. A.L. Rinsma, advocaat te Maastricht.

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 3 november 2011, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

1. zich samen met een ander schuldig heeft gemaakt aan een poging tot inbraak in een woning gelegen aan de [adres] te [woonplaats] door middel van braak/verbreking/inklimming/valse sleutel;

2. zich schuldig heeft gemaakt aan medeplegen van opzet- of schuldheling van een mobiele telefoon, meerdere sieraden en/of een portemonnee met een geldbedrag;

3. zich schuldig heeft gemaakt aan de diefstal van een auto (Peugeot 307 automaat) door middel van een valse sleutel;

4. zich samen met anderen heeft schuldig gemaakt aan diefstal uit een woning gelegen aan de [adres] te [woonplaats], subsidiair aan de opzet- of schuldheling van daar weggenomen goederen;

5. zich samen met een ander schuldig heeft gemaakt aan een poging tot inbraak in een woning gelegen aan de [adres] te [woonplaats] door middel van braak/verbreking/inklimming/valse sleutel;

6. zich samen met een ander heeft schuldig gemaakt aan een poging tot diefstal uit een woning gelegen aan de [adres] te [woonplaats].

3. De voorvragen

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging en er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan onder feit 4 primair ten laste gelegde diefstal uit een woning. Verdachte dient dan ook naar haar mening van dit feit te worden vrijgesproken. De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan 1. medeplegen van een poging tot inbraak in een woning door middel van braak/verbreking 2. medeplegen van opzetheling 3. medeplegen van diefstal 4. medeplegen van schuldheling 5. medeplegen van poging woninginbraak door middel van braak/verbreking 6. medeplegen van poging woninginbraak door middel van braak/verbreking.

4.2 Het standpunt van de verdediging

Namens de verdachte is bepleit dat verdachte van alle feiten dient te worden vrijgesproken, nu de rechtbank wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs niet tot een bewezenverklaring kan komen.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

4.3.1 Vrijspraak

Ten aanzien van feit 4

De rechtbank is evenals de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 4 primair ten laste gelegde diefstal uit een woning.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 4 subsidiair ten laste gelegde opzet-, dan wel schuldheling. De rechtbank overweegt daartoe dat uit het dossier onvoldoende concrete aanwijzingen naar voren komen waaruit blijkt dat verdachte spullen die zijn weggenomen uit de woning gelegen aan de [adres] te [woonplaats] onder zich heeft gehad.

Verdachte wordt dan ook van hetgeen onder feit 4 primair en subsidiair ten laste is gelegd vrijgesproken.

4.3.2 Feiten blijkend uit de bewijsmiddelen

Ten aanzien van feit 1

Op 2 juni 2011 om 00.20 uur kwam een melding bij de politie binnen dat er werd geprobeerd in te breken in een woning gelegen aan de [adres] te [woonplaats].

De ter plaatse gekomen verbalisant [verbalisant 1] hoorde via het berichtencentrum dat de melder zicht had op de achterzijde van de woning, waar hij twee personen in de tuin zag staan. De melder hoorde breekgeluiden. Via het berichtencentrum werd doorgegeven dat de twee personen naar de voorzijde liepen. Verbalisant [verbalisant 1] zag dat twee personen wegrenden en over de heg sprongen. Verdachte werd direct daarop in de tuin van de buren aangehouden.

De medeverdachte is doorgerend naar een coniferenhaag, waarin hij zich schuil heeft gehouden en enig moment later is aangehouden. De medeverdachte droeg ten tijde van zijn aanhouding zwarte handschoenen .

Na de aanhouding van verdachte en zijn medeverdachte heeft verbalisant [verbalisant 2] de melder, die verklaarde anoniem te willen blijven, gehoord. De melder heeft toen verklaard dat hij goed zicht had op de achtertuin van de woning aan de [adres], dat hij nadat hij het geluid van brekend hout hoorde naar buiten keek en toen twee personen zag staan in de achtertuin van deze woning. Een van deze personen had witte handschoenen aan. De melder heeft voorts verklaard dat degenen die hij in de achtertuin van het perceel 52 heeft zien staan door de politie werden meegenomen .

[verbalisant 1] heeft gezien dat verdachte witte handschoenen droeg. Kort voor zijn aanhouding stak verdachte zijn handen onder een heg. Toen zijn handen onder de heg vandaan kwamen droeg hij geen witte handschoenen meer. Op de desbetreffende plek vond verbalisant [verbalisant 1] later een paar witte wollen handschoenen. Tevens vond hij in de tuin twee breekvoorwerpen bij de heg aan de straatkant, op de plaats waar hij de eerste maal zicht had op een van de twee verdachten .

[verbalisant 1] heeft na aanhouding van de verdachten gezien dat er bij de openslaande deuren aan de achterzijde van de woning grove breeksporen en moeten in het hout zaten . Tevens heeft aangeefster verklaard dat er sprake was van forse schade op de rechterdeur aan de achterzijde en dat in het midden van de openslaande deuren was geprobeerd met een breekvoorwerp de deuren open te breken .

De door verdachte afgelegde verklaring dat hij stond te plassen op het moment dat hij werd aangehouden acht de rechtbank, gelet op het tijdstip, de locatie en de overige genoemde omstandigheden, volstrekt ongeloofwaardig.

Ten aanzien van feit 2

Op 6 februari 2011 is in de woning van de familie [slachtoffer 4], gelegen aan de [adres] te [woonplaats], ingebroken, waarbij onder andere een zilveren riem en sieraden zijn weggenomen . Blijkens verschillende sms-berichten verzonden tussen het telefoonnummer van medeverdachte [medeverdachte 2] en het telefoonnummer van verdachte op 6 februari 2011, heeft [medeverdachte 2] verdachte “nodig” want hij heeft “wat”. Verdachte antwoordt “je hebt os gepakt” . Het woord ‘os’ is straattaal en betekent ‘woning/huis’. Blijkens de daarop volgende berichten gaat verdachte op aangeven van [medeverdachte 2] iets ophalen en zal hij dat thuis wegen. [medeverdachte 2] bericht voorts aan verdachte “tegen niemand zeggen dat je het van mij hebt gekregen” en vraagt vervolgens in een bericht aan verdachte hoeveel het waard is . Verdachte antwoordt “1200 tot 1800 denk ik” . Blijkens de sms-berichten zaten er ook ringen en een ketting in de door verdachte meegenomen zak . Verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] maken afspraken over de verdeling van de opbrengst .Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat de op 6 februari 2011 tussen hem en medeverdachte [medeverdachte 2] verzonden berichten gingen over het verkopen van een zilveren riem .

Ten aanzien van feit 3

Op 4 december 2010 heeft [slachtoffer 6] aangifte gedaan van de diefstal van haar personenauto, te weten een Peugeot type 307 automaat. Zij heeft verklaard dat zij de auto op 3 december 2010 om 17.00 uur heeft geparkeerd aan de [adres] te De Meern en dat zij om op 4 december 2010 om 09.00 uur haar autosleutels niet meer kon vinden en zag dat haar auto niet meer op de plek stond waar zij deze had achtergelaten . Getuige [getuige 1] heeft op 9 juni 2011 verklaard dat hij van verdachte heeft gehoord dat deze samen met een medeverdachte ongeveer 5 maanden daarvoor twee auto’s, te weten een Peugeot en een Opel, had weggenomen. Verdachte had tevens tegen de getuige gezegd dat er die dag sneeuw had gelegen.

Ten aanzien van feit 5

Op 20 januari 2011 omstreeks 10.33 uur komt er bij de politie een melding binnen dat er geprobeerd wordt in te breken in een woning gelegen aan de [adres] te De Meern. Het daarbij opgegeven signalement van de inbreker luidde: negroïde, grijze muts, donkere jas, ongeveer 19 jaar, normaal postuur, 180 centimeter groot. Verbalisant [verbalisant 3] heeft, nadat hij de omgeving van de woning afgezocht naar een persoon die voldeed aan het signalement, verdachte en een medeverdachte staande gehouden. Desgevraagd heeft verdachte een grijze muts uit zijn jaszak gehaald. Daarop is verdachte aangehouden.

Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat zij op 20 januari 2011 alleen thuis was in de woning aan de [adres]. Zij hoorde dat er vrij lang en vaak gebeld werd. Zij heeft de deur niet geopend. Even later hoorde zij geluiden van achter het huis komen en hoorde zij stemmen. Zij heeft toen uit het raam gekeken en zag in de achtertuin bij het raam van de woonkamer een jongen staan. Zij heeft toen de politie gebeld. Zij herkende de jongen in de tuin als de jongen die zij een dag eerder, te weten op 19 januari 2011, had gezien. Hij had toen op dezelfde manier vaak en lang aangebeld. De vader van getuige heeft toen de deur geopend. Getuige zag toen een jongen staan die vroeg naar een hen onbekend persoon.

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij op 19 januari 2011 heeft aangebeld bij de woning gelegen aan de [adres] te De Meern en daar had gesproken met een man.

Blijkens de aangifte van deze poging tot inbraak was er sprake van braakschade aan een raam aan de achterzijde van de woning, te weten 13 moeten van ongeveer 1 à 2 centimeter groot .

Ten aanzien van feit 6

Op 23 november 2010 doet [slachtoffer 3], wonende aan de [adres] te Vleuten, aangifte van een poging tot inbraak in haar woning. Zij verklaart dat op 23 november 2010 om 23.15 uur de deurbel ging en dat er op het raam van de voordeur werd geklopt. Zij heeft de voordeur niet geopend. Om 03:26 uur hoorde zij het alarm afgaan, waarop zij dit heeft uitgezet. Om 4:30 uur hoorde zij het alarm opnieuw afgaan en zag zij dat de schuifpui was opengebroken . Blijkens het proces-verbaal van bevindingen kwam op 4.35 uur de melding betreffende de poging inbraak binnen bij de politie. Om 4.45 uur waren verbalisanten ter plaatse en hebben zij in de omgeving gekeken naar verdachte personen. Tien minuten later zien zij ineens twee personen lopen. In de omgeving zien zij geen andere personen. Desgevraagd blijken deze personen medeverdachte [medeverdachte] en verdachte te zijn .

Medeverdachte [medeverdachte] heeft verklaard dat hij met een ander had geprobeerd om de zijdeur van een woning te openen met een koevoet. Toen zij de deur open hadden, zijn zij naar binnen gegaan. Bij binnenkomst ging het alarm af, waarop zij zijn weggerend . Uit het proces-verbaal van bevindingen blijkt dat medeverdachte [medeverdachte] de woning aan de [adres] te Vleuten heeft aangewezen als zijnde de bedoelde woning waar hij met een ander had ingebroken. Hij heeft voorts verklaard dat het alarm afging en zij toen zijn weggerend en direct naar rechts in de richting van Vleuterweide waren gegaan. Verbalisant heeft medeverdachte [medeverdachte] daarna horen zeggen dat ze daar nog staande waren gehouden door de politie .

4.3.3 Nadere bewijsoverweging

Ten aanzien van feit 2

De verklaring van verdachte dat hij een korte blik in een tas geworpen heeft en deze tas direct heeft teruggelegd/teruggegeven strookt niet met hetgeen uit het sms-berichtenverkeer naar voren komt, te weten dat verdachte een gedetailleerde omschrijving kan geven van hetgeen zich in de tas bevindt en eveneens het gewicht kan doorgeven en de waarde kan bepalen. De rechtbank zal dan ook aan de verklaring van verdachte voorbij gaan. Verdachte heeft de goederen waarvan hij wist dat ze van diefstal afkomstig waren voorhanden gehad en heeft zich mitsdien schuldig gemaakt aan opzetheling.

Ten aanzien van feit 3

Namens de verdachte is aangevoerd dat het feit niet wettig en overtuigend bewezen kan worden, nu er geen bewijs voorhanden is dat de auto waarover de getuige [getuige 1] in zijn verklaring spreekt de gestolen auto betreft.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt. Zij is van oordeel is dat de verklaring van [getuige 1] voor het bewijs kan worden gebezigd. Deze verklaring vindt steun in hetgeen naar voren komt in het tapgesprek tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] d.d. 1 februari 2010, waarin zij spreken over “die Peugeot automaat die jullie uit De Meern hebben weggehaald” in combinatie met “Wil je met [bijnaam] gaan” . Blijkens de verklaring van verdachte wordt hij ook wel eens [bijnaam] genoemd . Bovendien bevat de verklaring van [getuige 1] verifieerbare details. Daartoe overweegt de rechtbank dat de diefstal van de auto ongeveer 5 maanden voor het verhoor van getuige [getuige 1] heeft plaatsgevonden en dat er op de datum van het wegnemen van de auto volgens het KNMI sneeuw lag. Voorts is er op een afstand van (hemelsbreed) 100 meter vanaf de plek waar de Peugeot is weggenomen eveneens in de nacht van 3 op 4 december 2010 een Opel gestolen .

Ten aanzien van feit 5

Namens de verdachte is bepleit dat het feit niet bewezen kan worden, nu de getuige verdachte niet heeft aangewezen in een foslo-confrontatie. De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt. Ondanks het feit dat de getuige niemand heeft herkend uit de haar getoonde foto’s (waartussen zich een foto van verdachte bevond), heeft zij duidelijk in haar verklaring aangeven dat zij zeker wist dat degene die zij op 20 januari 2011 in de tuin heeft zien staan, dezelfde was als degene die een dag eerder bij hun woning voor de deur stond toen haar vader opendeed. Verdachte heeft hieromtrent zelf verklaard degene te zijn geweest die een dag eerder op het betreffende adres heeft aangebeld. De rechtbank is dan ook van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte degene is geweest die de getuige op de dag van de poging inbraak in de tuin heeft zien staan.

Voorst acht de rechtbank de door verdachte afgelegde verklaring dat hij niets met de poging inbraak te maken heeft gehad en dat hij op het moment van zijn aanhouding met [medeverdachte 4] vanaf de woning van deze [medeverdachte 4] naar het winkelcentrum is gelopen ongeloofwaardig, te meer nu verdachte 2.38 seconde voordat zij worden gezien door de verbalisanten telefonisch contact had met medeverdachte [medeverdachte 4] , hetgeen niet past in de verklaring dat zij samen op weg zijn naar het winkelcentrum. De rechtbank zal de verklaring van verdachte derhalve naast zich neerleggen.

Ten aanzien van feit 6

De verdachte heeft verklaard dat hij niet betrokken is geweest bij de poging tot diefstal uit de woning. Hij heeft verklaard dat hij voorafgaand aan zijn staandehouding aan het hardlopen was en daarbij toevallig medeverdachte [medeverdachte] tegen was gekomen, die ook aan het hardlopen was. De rechtbank acht de verklaring van verdachte, gelet op de inhoud van de bewijsmiddelen, niet geloofwaardig en zal deze dan ook passeren.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

op 2 juni 2011 te Vleuten ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning gelegen aan de [adres] weg te nemen geld en/of (een) goed(eren) geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en zich daarbij de toegang tot die woning te verschaffen en/of die/dat weg te nemen geld en/of goed(eren) onder hun bereik te brengen door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming, tezamen en in vereniging met een ander als volgt heeft gehandeld:

hebbende hij, verdachte en/of zijn mededader met een breekvoorwerp in sluitnaden van deuren en kozijnen van die woning gewrikt, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid.

2.

in de periode van 6 februari 2011 tot en met 13 februari 2011 te Vleuten en/of De Meern, meerdere sieraden heeft verworven en voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het verwerven en het voorhanden krijgen van voornoemde goederen wist dat het door misdrijf verkregen goederen betrof;

3.

omstreeks 3 december 2010 tot en met 4 december 2010 te Vleuten, tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een auto (Peugeot 307, automaat) toebehorende aan [slachtoffer 6], waarbij verdachte en/of zijn mededader voornoemde auto onder zijn/hun bereik hebben gebracht door middel van een valse, immers gestolen, sleutel;

5.

op 20 januari 2011 te De Meern ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in / uit een woning (gelegen aan de [adres]) weg te nemen geld en/of (een) goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] en zich daarbij de toegang tot die woning te verschaffen en / of die / dat weg te nemen geld en/of goed(eren) onder zijn / hun bereik te brengen door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming, tezamen en in vereniging met een ander als volgt heeft gehandeld: hebbende hij, verdachte, en/of zijn mededader met een breekvoorwerp een raam aan de achterzijde van voornoemde woning geforceerd en in dit raam gewrikt, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

6.

op 23 november 2010 te Vleuten ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning (gelegen aan de [adres]) weg te nemen geld en/of sieraden geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3], immers hebben hij, verdachte en/of zijn mededader:

- aangebeld bij de woning om na te gaan of de woning werd bewoond en

- getracht zich de toegang tot de woning te verschaffen en/of goederen onder zijn/hun bereik te brengen door middel van braak op en/of verbreking van een schuifpui;

terwijl de uitvoering van dat misdrijf niet is voltooid.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op:

1. poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft of het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking of inklimming.

2. opzetheling

3. diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij het weg te nemen goed onder zijn bereik is gebracht door middel van een valse sleutel.

5. poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft of het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking of inklimming.

6. poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht, gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden waarvan 2 maanden voorwaardelijk met aftrek van voorarrest met een proeftijd van 2 jaren met als bijzondere voorwaarden een verplicht reclasseringscontact en een contactverbod met medeverdachten [medeverdachte], [medeverdachte 5], [medeverdachte 6] en [medeverdachte 2] voor de duur van één jaar. Daarnaast heeft zij gevorderd een werkstraf op te leggen voor de duur van 50 uren, subsidiair 25 dagen vervangende hechtenis.

6.2 Het standpunt van de verdediging

Namens de verdachte is vrijspraak bepleit. Mocht de rechtbank tot een bewezenverklaring komen, dan wordt de rechtbank verzocht aan verdachte een werkstraf op te leggen en indien dat niet voldoende mocht zijn de gevangenisstraf te beperken tot het deel verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht. Als bijzondere voorwaarde wordt het opleggen van een CoVa training wenselijk geacht.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich samen met verschillende medeverdachten -in wisselende samenstelling- schuldig gemaakt aan drie pogingen tot inbraak in verschillende woningen. Woninginbraken en/of pogingen daartoe zijn nare feiten, die naast schade, overlast en angst bij de slachtoffers, onrust in de samenleving teweeg brengen. Verdachte lijkt slechts uit te zijn op persoonlijk financieel gewin zonder zich te bekommeren om de gevolgen voor zijn slachtoffers. Voorts heeft verdachte een auto weggenomen. En door zich schuldig te maken aan de opzetheling van sieraden heeft hij meegewerkt aan het in stand houden van een afzetmarkt voor gestolen goederen.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank rekening gehouden met het gegeven dat uit het uittreksel van de justitiële documentatie de verdachte betreffend, d.d. 16 augustus 2011, blijkt dat verdachte eerder ter zake van opzetheling is veroordeeld. Voorts heeft de rechtbank kennis genomen van het reclasseringsadvies d.d. 16 augustus 2011. Verdachte heeft naar mening van de reclassering zijn leven op orde. Hij heeft regelmatig werk en inkomen en lijkt over voldoende vaardigheden te beschikken om aan een goede toekomst te werken. Hoewel de reclassering risico ziet in de denkpatronen, het gedrag, de houding en het negatieve sociale netwerk van verdachte, wordt het recidiverisico als laag gemiddeld ingeschat. De reclassering adviseert een voorwaardelijk strafdeel op te leggen “als stok achter de deur” en als externe motivatie voor verdachte om te deel te nemen aan gedragsinterventies en een verplicht reclasseringscontact. De rechtbank volgt dit advies van de reclassering niet. Gelet op de proceshouding van verdachte, waaruit blijkt dat een intrinsieke motivatie tot het aanvaarden van hulpverlening ontbreekt, ziet de rechtbank onvoldoende aanleiding om de geadviseerde bijzondere voorwaarden op te leggen. De rechtbank ziet evenmin aanleiding om het door de officier van justitie gevorderde contactverbod als bijzondere voorwaarde op te leggen. Verdachte is een volwassen man die geacht wordt verantwoordelijkheid te nemen voor zijn eigen gedrag en de keuze met wie hij omgaat. Ten einde verdachte te weerhouden wederom strafbare feiten te plegen zal de rechtbank een deel van de op te leggen straf voorwaardelijk opleggen. De rechtbank ziet geen aanleiding om tevens een werkstraf op te leggen.

Alles afwegend komt de rechtbank tot het oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren voldoende recht doet aan de ernst van de feiten en de persoon van de verdachte.

7. Het beslag

De officier van justitie heeft verzocht de in beslag genomen witte handschoenen en de twee breekvoorwerpen verbeurd te verklaren. De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De rechtbank is van oordeel dat de in beslag genomen (witte) handschoenen en de breekijzers vatbaar zijn voor verbeurdverklaring, nu het strafbare feit is begaan met behulp van deze voorwerpen.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 45, 57, 63, 311 en 416 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

De rechtbank beslist als volgt:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder 4 tenlastegelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor vermeld, heeft begaan;

- verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt de verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde strafbaar is en dat dit de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert;

- verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt de verdachte tot een GEVANGENISSTRAF voor de duur van 10 (tien) maanden;

- bepaalt dat van deze gevangenisstaf een gedeelte groot 2 (twee) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders mocht worden gelast;

- stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren;

- bepaalt dat de tenuitvoerlegging kan worden gelast indien:

o de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

- beveelt dat de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

Beslag

- verklaart verbeurd: witte handschoenen en twee breekijzers;

Voorlopige hechtenis

- heft het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte op met ingang van het moment dat de reeds ondergane voorlopige hechtenis gelijk is aan het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.A.C. Koster, voorzitter, en mrs M.A.E. Somsen en M.A.A.T. Engbers, bijgestaan door mr. K. Verspaget-Kruyt als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 17 november 2011.