Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BV1905

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
17-11-2011
Datum publicatie
25-01-2012
Zaaknummer
16/600713-11 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afpersing en verboden wapenbezit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/600713-11 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 17 november 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1969] te [geboorteplaats] (Nederlandse Antillen)

wonende te [woonplaats]

thans verblijvende in de PI Utrecht, HvB Wolvenplein, Utrecht

raadsvrouw mr. A.M. Beuwer, advocaat te Utrecht

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzittingen van 4 oktober 2011 en

3 november 2011, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. De gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1primair: een diefstal heeft gepleegd waarbij geweld is gebruikt en gedreigd is met geweld tegen [slachtoffer];

subsidiair: onder bedreiging met geweld, waarbij hij een mes heeft getoond, [slachtoffer] heeft gedwongen tot afgifte van een portemonnaie met daarin onder meer geld;

feit 2: zich schuldig heeft gemaakt aan verboden wapenbezit;

feit 3: een nabootsing van een pistool voorhanden heeft gehad.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen reden is voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 1 subsidiair tenlastegelegde, alsmede het onder feit 2 en onder feit 3 tenlastegelegde heeft gepleegd.

De officier van justitie baseert zich daarbij onder meer op de bekennende verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting d.d. 4 oktober 2011. De officier van justitie voert ten aanzien van de onder feit 1 tenlastegelegde afpersing aan dat uit de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen volgt dat verdachte met het slachtoffer mee naar een pinautomaat liep. Er vindt vervolgens een beroving plaats, waarbij het slachtoffer met een mes wordt bedreigd.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging deelt het standpunt van de officier van justitie dat de onder feit 1 tenlastegelegde afpersing wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.

Ten aanzien van het onder feit 2 tenlastegelegde is de verdediging van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen, waardoor vrijspraak voor dit feit dient te volgen. De verdediging voert hiertoe aan dat niet vast staat dat het mes en de pin die verdachte voorhanden had niet voor een ander doel bestemd waren dan het toebrengen van letsel aan personen, dan wel om mee te dreigen. Verdachte heeft verklaard dat hij het mes niet bij zich had om iemand te beroven, maar om zijn cocaïne mee te versnijden. De pin droeg verdachte bij zich om er zijn/een fiets mee te openen. De pin is bovendien niet bij de afpersing gebruikt door verdachte.

Ten aanzien van het onder feit 3 tenlastegelegde stelt de verdediging dat het opzet op het plegen van dit feit ontbreekt daar verdachte het imitatiewapen - in een bric-à-brac winkel - had gekocht voor zijn neefje.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Aangezien op feit 1 en feit 2 hetzelfde feitencomplex van toepassing is, zal de rechtbank de feiten gezamenlijk behandelen.

Bewijs

Ten aanzien van feit 1 en feit 2

De rechtbank acht, op grond van het navolgende, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan afpersing van [slachtoffer] alsmede aan

– kort gezegd – verboden wapenbezit.

Aangever [slachtoffer] heeft in zijn aangifte het volgende verklaard. Aangever heeft op 17 juli 2011 te Utrecht €250,00 gepind. Een man die al een tijdje met hem mee liep, vroeg de aangever om €10,00, waarna de aangever hem duidelijk maakte dat hij geen geld kon missen. Vervolgens zag en voelde aangever dat de man hem beetpakte en tegen de aldaar geparkeerde fietsen aanduwde. De aangever zag dat de man een mes uit zijn rechterachterzak pakte en deze in zijn rechterhand vasthield. Hij hoorde de man zeggen: “Geef me al je geld anders ga ik je steken. Ik steek echt!” De aangever voelde zich bedreigd. Toen de dader zijn portemonnaie had, liep hij rustig weg.

Getuige [getuige] heeft verklaard dat hij vanuit zijn woning te Utrecht op 17 juli 2011 twee mensen heeft zien staan en dat hij geschreeuw hoorde. Hij dacht aan een beroving.

De getuige omschrijft de dader als een negroïde man in een blauwe sportjas met rastahaar en een zwarte muts. Het slachtoffer omschrijft hij als een blanke, kalende man met een bril, een lichte jas en een spijkerbroek. De getuige zag dat de dader het slachtoffer al duwend en slaand op de grond werkte. De dader had een mes in zijn rechterhand.

Verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] ontvingen op 17 juli 2011 een melding van een beroving, gepleegd onder bedreiging van een mes. De verbalisanten begaven zich ter hoogte van de [adres] te Utrecht, alwaar zij een negroïde man zagen staan die aan het signalement (man, negroïde, blauwe jas) voldeed. Zij omschrijven deze persoon als volgt: man, negroïde, lange zwarte dreadlocks, een lichtblauwe jas in zijn handen, zwart vest, donkerblauwe spijkerbroek en Nike sportschoenen met oranje tinten. Deze persoon is door de verbalisanten aangehouden en gaf op te zijn: [verdachte]. Bij deze persoon, verdachte, is een mes, een ijzeren staaf en €290,00 aangetroffen en in beslag genomen.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij op 17 juli 2011 in Utrecht met iemand mee liep die geld ging pinnen. Hij had een mes bij zich, welke hij aan de man liet zien. Verdachte wilde de man bang maken en hij begrijpt dat het bedreigend overkwam. De man gaf verdachte vervolgens zijn portemonnaie. Het geld dat bij verdachte is aangetroffen, te weten vijf briefjes van €50,00 en twee briefjes van €20,00, was afkomstig van deze man.

Overweging met betrekking tot feit 1

De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte met dezelfde hand als waarin hij het mes hield, vanuit de broekzak van [slachtoffer] diens portemonnaie heeft weggenomen. De rechtbank acht derhalve diefstal met geweld niet wettig en overtuigend bewezen. Verdachte zal van dit deel van de tenlastelegging worden vrijgesproken.

Overwegingen met betrekking tot feit 2

Nu uit geen van de bewijsmiddelen volgt dat verdachte de (ijzeren/stalen) pin/staaf heeft gebruikt bij de bewezen geachte afpersing en verdachte bovendien heeft verklaard dat hij dit voorwerp voorhanden heeft gehad om er een/zijn fiets mee te openen, hetgeen op zich voorstelbaar is, acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat de bij verdachte aangetroffen pin/staaf voor geen ander doel bestemd was dan om letsel aan personen toe te brengen, dan wel te dreigen. Dientengevolge zal verdachte van dit deel van de tenlastelegging worden vrijgesproken. Ten aanzien van het bij verdachte aangetroffen mes oordeelt de rechtbank anders, nu dit voorwerp naar zijn aard en in het bijzonder door de omstandigheden waaronder het werd aangetroffen feitelijk voor geen ander doel bestemd was dan het bedreigen van, in dit geval, aangever. Dat verdachte het mes bovendien gebruikt voor het versnijden van zijn cocaïne doet daaraan niet af.

Bewijs

Feit 3

De rechtbank acht, op grond van het navolgende, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie heeft gehandeld, door een imitatievuurwapen voorhanden te hebben gehad.

Op dinsdag 25 juni 2011 kregen verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] een melding van een verkeersongeluk. Ter plaatse aan de Oudenoord te Utrecht, herkende verbalisant [verbalisant 3] de man die op de grond lag als zijnde [verdachte]. De man droeg een stoffen rugzakje op zijn rug. Verbalisant [verbalisant 3] voelde door de stof van het rugzakje heen zeer duidelijk de vorm van een vuurwapen, met een dusdanig gewicht dat hij direct uitsloot dat dit een waterpistool of iets dergelijks zou kunnen zijn.

Verdachte heeft verklaard dat het in het rugzakje aangetroffen voorwerp een vuurwapen van plastic is, dat hij had gekocht om aan zijn neefje te geven.

Het op een vuurwapen gelijkend voorwerp is vervolgens in beslaggenomen. Het voorwerp is een nabootsing van een wapen in de zin van artikel 2 lid 1, categorie I onder 7 van de Wet wapens en munitie. Het betreft een voorwerp in de vorm van een pistool-revolver, model Panther.

Nadere overwegingen met betrekking tot het bewijs van feit 3

De raadsvrouw heeft namens verdachte aangevoerd dat verdachte meende dat hij het onderhavige imitatiewapen voorhanden mocht hebben en dat daarmee de opzet bij verdachte ontbrak. De rechtbank overweegt dat de bewijsbaarheid van het opzet zich voor dit feit uitsluitend richt op het voorhanden hebben. Verdachte heeft onder meer in zijn verklaringen afgelegd ter terechtzitting d.d. 4 oktober 2011 en ter terechtzitting d.d.

3 november 2011 blijk gegeven van zijn wetenschap van het voorhanden hebben van het imitatiewapen. Het verweer wordt derhalve verworpen.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

op 17 juli 2011 te Utrecht met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een portemonnee inhoudende een geldbedrag van € 290,00, geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer], welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat hij, verdachte,

- die [slachtoffer] heeft vastgepakt en tegen geparkeerde fietsen heeft geduwd en

- die [slachtoffer] bedreigend een mes heeft getoond en

- daarbij die [slachtoffer] de woorden heeft toegevoegd: “Geef me al je geld, anders ga ik je steken. Ik steek echt”,

2.

op 17 juli 2011 te Utrecht een mes, waarvan, gelet op de aard of de omstandigheden (aangehouden als verdachte van een straatroof) waaronder dat voorwerp werd aangetroffen, redelijkerwijs kon worden aangenomen dat dit voor geen ander doel was bestemd dan om letsel aan personen toe te brengen, dan wel te dreigen, heeft gedragen;

3.

op 28 juni 2011 te Utrecht een wapen van categorie I onder 7°, te weten een nabootsing van een vuurwapen, dat door zijn vorm, afmetingen en kleur een sprekende gelijkenis vertoonde met een pistool/revolver van het model Panther, voorhanden heeft gehad;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Feit 1 : afpersing;

Feit 2: handelen in strijd met artikel 27, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;

Feit 3: handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar met als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich laat behandelen in de Forensische Verslavingskliniek van Centrum Maliebaan (in samenwerking met de Oostvaarderskliniek).

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft ervoor gepleit een gevangenisstraf op te leggen met een zodanig voorwaardelijk deel, dat daarmee mogelijk wordt dat cliënt per 9 januari 2012 terecht kan in de Oostvaarderskliniek: per deze datum is voor verdachte een behandelplek in deze Forensische Verslavingskliniek van Centrum Maliebaan beschikbaar.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Wat betreft de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte is onder meer schuldig bevonden aan afpersing. Het spreekt voor zich dat een op deze manier uitgevoerde afpersing, waarbij bedreigend een mes is getoond, voor het slachtoffer een bijzonder traumatische ervaring moet zijn geweest. Hierbij heeft verdachte kennelijk in het geheel niet stilgestaan. Het heeft hem er in ieder geval niet van weerhouden om, ten koste van een ander, op deze manier snel aan geld te komen. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan. Ook is verdachte schuldig bevonden aan – kort gezegd – verboden wapenbezit.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op het uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 26 augustus 2011, waaruit blijkt dat verdachte vele malen eerder voor soortgelijke strafbare feiten is veroordeeld. Verdachte is verslaafd aan harddrugs. Deze verslaving kan verdachte kennelijk alleen bekostigen door het op grote schaal plegen van vermogensdelicten. Zijn strafblad onderstreept deze gedachtegang. Verdachte moet dan ook worden gezien als een veelpleger van (onder meer) vermogensdelicten. Tevens blijkt dat eerdere hulpverleningstrajecten niet het beoogde effect hebben gehad en dat verdachte steeds is teruggevallen in hetzelfde patroon.

De eis van de officier van justitie is in het licht van hetgeen voor soortgelijke feiten wordt opgelegd alleszins te begrijpen. Het zijn slechts de bijzondere, in de persoon van verdachte gelegen omstandigheden, die de rechtbank heeft doen besluiten hiervan in substantiële zin ten gunste van verdachte af te wijken. In het bijzonder heeft zij daarbij acht geslagen op de gebleken motivatie van verdachte voor de opname in De Oostvaarderskliniek, alwaar hem gedurende minimaal 9 maanden een intensieve behandeling in een gesloten setting zal worden geboden, met aansluitend en voor zover noodzakelijk een voortgezette begeleiding door de reclassering.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat ten aanzien van het onder feit 1 en feit 3 bewezenverklaarde een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden passend en geboden is. De rechtbank ziet aanleiding een deel daarvan, te weten 12 maanden, voorwaardelijk op te leggen. Deze voorwaardelijke straf maakt verplicht reclasseringstoezicht en een verplichte opname in en behandeling door de Forensische Verslavingskliniek van Centrum Maliebaan mogelijk. De rechtbank gaat er daarbij van uit dat verdachte, zoals ter terechtzitting toegezegd bij monde van getuige-deskundige R.C. Mulder, per 9 januari 2012 voor behandeling kan worden geplaatst in de Forensische Verslavingskliniek van Centrum Maliebaan.

Met deze voorwaardelijke straf wordt tevens beoogd verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen. Aan verdachte zal een proeftijd worden opgelegd van 2 jaar met als bijzondere voorwaarde dat verdachte zich zal laten opnemen en behandelen in de Forensische Verslavingskliniek van Centrum Maliebaan voor de duur van maximaal 12 maanden.

Voor het onder feit 2 bewezenverklaarde dient de rechtbank een afzonderlijke straf op te leggen, nu dit een overtreding betreft. De rechtbank is van oordeel dat een werkstraf voor de duur van 20 uur voorwaardelijk voor verdachte passend is. Aan de voorwaardelijk op te leggen werkstraf zal een proeftijd van twee jaar worden verbonden.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c,14f, 57, 62 en 317 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 13, 27, 54 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: afpersing;

feit 2: handelen in strijd met artikel 27, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;

feit 3: handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

ten aanzien van het onder feit 1 en feit 3 bewezenverklaarde:

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 18 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarden:

* dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens Reclassering Nederland;

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden;

* dat verdachte zich zal laten opnemen en behandelen in een forensische verslavingskliniek ter behandeling, te weten de Forensische Verslavingskliniek van Centrum Maliebaan (in samenwerking met de Oostvaarderskliniek), gedurende de termijn van maximaal 12 maanden of zoveel korter als de leiding van de inrichting in overleg met de reclassering wenselijk acht;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

ten aanzien van het onder feit 2 bewezenverklaarde:

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 20 uren voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 10 dagen;

- bepaalt dat deze werkstraf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Dit vonnis is gewezen door mr. I.P.H.M. Severeijns, voorzitter, mr. S. Wijna en

mr. Y.M.J.I. Baauw-de Bruijn, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N.R. Bakkenes, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 17 november 2011.

Mr. Severeijns is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.