Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BV1618

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
24-11-2011
Datum publicatie
24-01-2012
Zaaknummer
16/604152-10 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Feitelijke aanranding van de eerbaarheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/604152-10 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 24 november 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1988] te [geboorteplaats]

wonende te [adres], [woonplaats]

Raadsvrouwe mr. R. van de Beek, advocaat te Bennekom

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 10 november 2011, waarbij de officier van justitie, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

[slachtoffer] meermalen heeft aangerand door haar van achteren bij haar borst te betasten.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen reden is voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een feitelijke aanranding van de eerbaarheid. Dat verdachte zich meer dan eens schuldig heeft gemaakt het tenlastegelegde feit kan niet wettig en overtuigend bewezen worden. Er hebben zich een tweetal incidenten voorgedaan. De officier van justitie gaat voor de bewezenverklaring alleen uit van het tweede incident omdat de aangeefster ten aanzien van het eerste incident heeft verklaard louter een te strak zittende jas te hebben gevoeld. Zij trekt pas achteraf de conclusie dat verdachte haar op borsthoogte zou hebben betast, omdat dit haar te strak zittende jas verklaart. De officier van justitie baseert zich voor wat betreft het wel te bewijzen feit op de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen, alsmede de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting d.d. 10 november 2011.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna te noemen: het EVRM) is geschonden, daar verdachte bij het verhoor ten aanzien van zijn inverzekeringstelling niet in de gelegenheid is gesteld een advocaat te consulteren, terwijl verdachte wel heeft aangegeven consultatiebijstand te verlangen. Uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens volgt dat afstand van het recht een advocaat te consulteren ondubbelzinnig gedaan moet worden. Omdat verdachte niet ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van zijn recht een advocaat te consulteren, mag de verklaring afgelegd door verdachte d.d. 16 november 2010 niet tot het bewijs worden gebezigd.

Ten aanzien van het tenlastegelegde feit is de verdediging van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen en dat verdachte derhalve van het hem tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken. De verdediging voert hiertoe aan dat alleen de verklaring van de aangeefster en de verklaring van verdachte voor het bewijs mogen worden gebruikt. De aangeefster verklaart over een tweetal incidenten. Het eerste incident heeft volgens de aangeefster in juni 2009 plaatsgevonden. Volgens verdachte heeft dit incident in de winter van 2009 plaatsgevonden en dit incident valt daarmee ver buiten de tenlastegelegde periode. Verdachte kan daarom niet voor dit incident worden veroordeeld. De aangeefster verklaart ten aanzien van het tweede incident dat verdachte haar borst aangeraakt zou hebben. De verklaringen van de aangeefster en verdachte lopen uiteen over dit incident. Verdachte verklaart dat er een aanraking is geweest, maar dat hij alleen de elleboog van de aangeefster heeft aangeraakt. Dat is geen ontuchtige handeling. Hoewel dit tweede incident binnen de tenlastegelegde periode valt, is er onvoldoende bewijs en er dient derhalve vrijspraak te volgen.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Bewijs

De rechtbank acht op grond van het navolgend weergegeven bewijs wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer] meerdere malen heeft aangerand.

Er hebben twee incidenten plaatsgevonden waarin verdachte een ontuchtige handeling heeft gepleegd ten aanzien van de aangeefster. Op 22 maart 2010 heeft [slachtoffer] melding gemaakt bij de politie Rhenen van beide incidenten, waarbij zij door verdachte in de bus is aangerand. Op 8 april heeft zij hiervan aangifte gedaan bij de politie. [slachtoffer] omschrijft de dader als een jongeman van rond de 20 jaar oud; ongeveer tussen 1.70 en 1.80 meter lang; blond haar; veel gerstekorrels om zijn ogen; een piercing onder zijn lip. Verdachte heeft al

drie jaar een piercing in zijn onderlip en omschrijft zichzelf als volgt: blond haar; blauwe ogen; 1.70 meter lang; blank; slank.

Incident 1

Op een donderdag in de maand juni 2009 rond 7:30 uur nam verdachte achter [slachtoffer] plaats in de bus. Zij had op een gegeven moment het gevoel dat haar jas ter hoogte van haar linkerborst strakker zat dan ervoor. Ze had het idee dat degene die achter haar zat haar vast had. Toen de jongen die achter haar zat bij Remmerden uit de bus stapte drong het tot [slachtoffer] door dat hij haar inderdaad vast heeft gehad, omdat het gevoel van een niet goedzittende jas op dat moment verdwenen was.

Verdachte verklaart dat hij ’s morgens in buslijn 50 achter een vrouw is gaan zitten en dat hij haar tussen de stoel door heeft betast. Hij betastte haar tussen haar bovenarmen en haar borsten in. Verdachte verklaart dat hij denkt dat dit incident ergens in de winter van 2009 heeft plaatsgevonden. Hij weet over welk meisje het gaat. Verdachte is achter haar gaan zitten in de bus. Verdachte verklaart verder dat hij haar borst wel aangeraakt kan hebben. Over de manier waarop verdachte [slachtoffer] betastte in de bus, verklaart verdachte dat hij zijn hand tussen de stoel en het raam stak. Vervolgens raakte hij [slachtoffer] aan bij haar arm, op borsthoogte. Dan gaat zijn hand stapje voor stapje verder naar voren. Vooral bij de rotonde gaat zijn hand nog een stukje verder naar voren. Zijn hand gaat dan naar voren tot aan de zijkant van de borst. Verder zit verdachte dan te ‘friemelen’.

Ook heeft verdachte verklaard dat hij dezelfde vrouw twee maal heeft betast maar dat hij niet meer precies weet hoeveel tijd er tussen de eerste en de tweede keer zat.

Incident 2

Op 15 juli 2009 zat [slachtoffer] in de bus van Leersum naar Rhenen, buslijn 50. Bij de halte Remmerden kwam een jongen achter haar in de bus zitten. Via het raam herkende [slachtoffer] deze jongen als zijnde de jongen die haar eerder had lastiggevallen. [slachtoffer] voelde op een gegeven moment rechts van haar lichaam een hand richting haar rechterborst gaan. Ze voelde en zag via het raam van de bus dat de jongen zijn rechterhand tussen de bank door naar voren stak. Toen ze opzij keek zag en voelde ze de hand van de jongen tegen de zijkant van haar rechterborst liggen. De jongen liet zijn hand aldaar, op de zijkant van haar borst, rusten.

Verdachte verklaart dat hij in de zomer van 2009 achter [slachtoffer] in de bus plaats nam. Verdachte zat achter [slachtoffer] en had zijn arm op de rand van de bus bij het raam liggen, waar ook [slachtoffer] haar arm op had rusten. Verdachte heeft verklaard haar lichtjes aangeraakt te hebben op haar elleboog.

Nadere overwegingen met betrekking tot het bewijs

De verdediging heeft bepleit dat de door verdachte bij de politie afgelegde verklaring d.d. 16 november 2010 niet tot het bewijs mag worden gebezigd nu verdachte niet in de gelegenheid is gesteld een advocaat te consulteren, terwijl hij van dit recht niet ondubbelzinnig afstand had gedaan, hetgeen een schending van artikel 6 EVRM oplevert. Nu de rechtbank de verklaring van verdachte, afgelegd op 16 november 2011 niet meeneemt in het bewijs, kan dit verweer onbesproken blijven.

Met betrekking tot het eerste incident heeft verdachte verklaard dat dit incident in de winter van 2008/2009 plaatsgevonden zou hebben terwijl aangeefster spreekt over de zomer van 2009. De rechtbank hecht meer waarde aan de verklaring van aangeefster en overweegt daartoe het volgende.

De verklaringen van de aangeefster en van verdachte luiden gelijk over het tijdstip van het incident (in de ochtend), de plaats van het incident (de bus), de buslijn (buslijn 50) alsmede over de door verdachte gehanteerde modus operandi. Ook hebben zowel verdachte als de aangeefster beiden verklaard dat er twee incidenten hebben plaatsgehad. Bovendien heeft verdachte aangegeven dat hij weet over welk meisje deze twee tenlaste gelegde feiten gaan. De rechtbank concludeert daaruit dat door aangeefster en door verdachte over hetzelfde eerste incident wordt gesproken. Verder heeft verdachte verklaard dat hij vijf verschillende vrouwen op dezelfde manier in de bus heeft betast terwijl uit de aangifte kan worden afgeleid dat de aangeefster dergelijke incidenten in de bus niet vaker heeft meegemaakt. De rechtbank acht het dan ook aannemelijker dat verdachte zich vergist in het tijdstip waarop het eerste incident zich heeft voorgedaan dan dat de aangeefster dat doet. De rechtbank gaat voor wat betreft het tijdstip van het eerste incident dan ook uit van de verklaring van de aangeefster.

Ook de verklaringen van de aangeefster en verdachte met betrekking tot het tweede incident komen op wezenlijke punten overeen. Verdachte heeft verklaard zijn hand naar voren te reiken en de aangeefster heeft verklaard dat zij vervolgens een hand tegen de zijkant van haar borst zag en voelde liggen. Verdachte heeft verklaard haar op haar elleboog aangeraakt te hebben. Echter verdachte heeft eveneens verklaard dezelfde vrouw twee maal tussen het raam en de stoel door te hebben betast. De rechtbank gaat uit van deze laatstgenoemde verklaring.

Aanvullende overwegingen

De officier van justitie werpt de vraag op of het eerste incident, waarin de aangeefster voelt dat haar jas te strak zat en het pas achteraf tot haar doordringt dat verdachte haar borst heeft betast, wel is te kwalificeren als een feitelijke aanranding van de eerbaarheid. De rechtbank merkt hiertoe op dat het enkele feit dat de aangeefster op het moment dat zij wordt betast slechts een strak zittende jas heeft gevoeld, niet af doet aan het feit dat er sprake is van een ontuchtige handeling in de zin van artikel 246 van het Wetboek van strafrecht. De ontuchtige handeling van de dader hoeft niet te worden bemerkt door het slachtoffer om als ontuchtige handeling in de zin van de wet te worden aangemerkt.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op tijdstippen in de periode van 1 juni 2009 tot en met 31 juli 2009 te Rhenen, telkens door een andere feitelijkheid [slachtoffer] heeft gedwongen tot het dulden van een ontuchtige handeling, immers heeft hij door onverhoeds langs de zijkant van de rugleuning van de zitplaats van die [slachtoffer] te reiken, terwijl hij recht achter haar zat in de bus, die [slachtoffer] gedwongen te dulden dat hij haar borst betastte.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

Feitelijke aanranding van de eerbaarheid, meermalen gepleegd.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 8 weken, waarvan 6 weken voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar met de bijzondere voorwaarde dat verdachte zich laat behandelen bij De Waag of een soortgelijke instelling, zolang de reclassering dit nodig acht.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft een strafmaatverweer gevoerd en heeft hierbij aangevoerd dat het tenlastegelegde feit ruim twee jaar geleden heeft plaatsgevonden en dat verdachte zelf weer contact met de hulpverlening heeft opgenomen. De verdediging heeft gevorderd – indien de rechtbank aan strafoplegging toekomt – een geheel voorwaardelijke straf op te leggen met reclasseringstoezicht als bijzondere voorwaarde.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straffen heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder deze is begaan en de persoon van de verdachte.

Wat betreft de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder deze is gepleegd overweegt de rechtbank in het bijzonder het volgende.

Verdachte heeft een vrouw aangerand door haar borst te betasten, terwijl hij achter haar in de bus zat. Dit is twee maal bij dezelfde vrouw voorgevallen. Verdachte heeft bovendien ter terechtzitting verklaard totaal vijf vrouwen in de bus op deze manier te hebben betast. Uit de ter terechtzitting voorgehouden schriftelijke verklaring van het slachtoffer blijkt dat dit feit een grote impact op haar heeft gehad. Verdachte heeft met deze gedraging inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en heeft zich kennelijk niet om de gevolgen voor het slachtoffer bekommerd. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan.

Wat betreft de persoon van verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op

de inhoud van:

- een verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 6 oktober 2011, waaruit blijkt dat verdachte zich reeds eerder schuldig heeft gemaakt aan - onder meer - soortgelijke strafbare feiten;

- een de verdachte betreffend reclasseringsadvies d.d. 30 juni 2011, opgemaakt door

H. Altena, reclasseringswerker, waaruit blijkt dat de leefsituatie van verdachte thans stabieler is hetgeen de kans op recidive zal verkleinen. De Waag vindt een toezicht met begeleiding op de leefgebieden met controle in zijn sociale netwerk van belang, omdat verdachte risicosignalen niet altijd ziet en/of ze onvoldoende afgeeft. Geadviseerd wordt een (gedeeltelijk) voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldingsgebod en een behandelverplichting.

De rechtbank acht, gelet op het bovenstaande, een ambulante behandeling wenselijk en neemt derhalve het advies van de reclassering over.

Alles overwegend is de rechtbank van oordeel dat een werkstraf voor de duur van 60 uur voor verdachte passend is. De rechtbank ziet aanleiding om ook een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen voor de duur van vier weken. Deze voorwaardelijke straf maakt reclasseringstoezicht en een ambulante behandeling mogelijk. Met deze voorwaardelijke straf wordt tevens beoogd verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen. Aan het voorwaardelijk deel van de straf zal een proeftijd worden verbonden voor de duur van twee jaar.

De rechtbank ziet – mede gelet op de persoon van de verdachte – reden om reclasseringstoezicht alsmede een meldingsgebod, zoals door de reclassering geadviseerd, als bijzondere voorwaarde op te leggen. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard reeds in behandeling te zijn bij De Waag en baat te hebben bij deze behandeling. Verdachte heeft tevens verklaard zich te kunnen vinden in het advies van de reclassering en heeft zich bereid verklaard daaraan zijn medewerking te verlenen.

7 De benadeelde partij

7.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert toewijzing van het door de benadeelde partij [slachtoffer] opgevoerde bedrag van € 549,60 en vordert daarbij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

7.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging acht het door de benadeelde partij gevorderde bedrag ter zake van materiële schade voor toewijzing vatbaar. Voor wat betreft het gevorderde bedrag ter zake van immateriële schade verzoekt de verdediging de rechtbank om zelf een bedrag vast te stellen, daar het opgevoerde bedrag is gebaseerd op jurisprudentie die ziet op een wezenlijk andere situatie.

7.3 Het oordeel van de rechtbank

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert een schadevergoeding van € 549,60 terzake van het tenlastegelegde, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De rechtbank is van oordeel dat de schade tot een bedrag van € 214,60 een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit, waarvan € 14,60 ter zake van materiële schade en € 200,00 ter zake van immateriële schade, en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde is tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt en de rechtbank zal de vordering tot dat bedrag toewijzen.

Voor het overige acht de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering. Voor dat deel kan de benadeelde partij haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Met betrekking tot de toegekende vordering van de benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c,14d, 14f, 22c, 22d, 24c, 36f, 57, 246 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Feitelijke aanranding van de eerbaarheid, meermalen gepleegd;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 4 weken, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat de voorwaardelijke straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarden:

- dat verdachte zich moet melden bij Reclassering Utrecht, Vivaldiplantsoen 200 te Utrecht en zich daarna gedurende door de reclassering te bepalen perioden moet blijven melden zo frequent als de reclassering dat nodig acht;

- dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens Reclassering Nederland, ook als dat inhoudt:

* het meewerken aan een (voortzetting van) behandeling bij De Waag of een

soortgelijke instelling;

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarde;

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 60 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 30 dagen;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde werkstraf naar rato van 2 uur voor elke dag doorgebracht in voorarrest;

Benadeelde partij

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van een bedrag van € 214,60, waarvan € 14,60 ter zake van materiële schade en € 200,00 ter zake van immateriële schade te vermeerderen met de wettelijke rente, berekend vanaf de dag van het ontstaan van de schade tot aan de dag der algehele voldoening.

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer

[slachtoffer], € 214,60 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 4 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. A. van Maanen, voorzitter, N.E.M. Kranenbroek en

mr. J. Ebbens, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N.R. Bakkenes, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 24 november 2011.