Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BV1600

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
07-12-2011
Datum publicatie
23-01-2012
Zaaknummer
16/504302-11 en 16/600665-11 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

ISD

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummers: 16/504302-11 en 16/600665-11 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 7 december 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1963] te [geboorteplaats]

wonende te [woonplaats]

thans verblijvende in de P.I. Utrecht, Huis van Bewaring locatie Nieuwegein

raadsman mr. J.M. van Dam, advocaat te Den Haag

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 23 november 2011, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

ten aanzien van parketnummer 16/504302-11

op 20 januari 2011 heeft geprobeerd in te breken in de woning aan de [adres] te Den Dolder door met een breekwerktuig het voordeurslot te forceren;

ten aanzien van parketnummer 16/600665-11

primair: in de periode van 3 juli 2011 tot en met 4 juli 2011 een auto heeft gestolen door een ruit te verbreken en/of een slot van de auto te forceren;

subsidiair: zich op 4 juli 2011 schuldig heeft gemaakt aan heling van een auto.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaardingen geldig zijn en dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak.

3.1 De ontvankelijkheid van de officier van justitie

De raadsman heeft ten aanzien van het onder parketnummer 16/504302-11 ten laste gelegde feit aangevoerd dat de officier van justitie niet ontvankelijk is in de vervolging op grond van het volgende.

In het vonnis van de Rechtbank Utrecht van 17 mei 2011, gewezen tegen verdachte, wordt door de rechtbank, naast de aldaar onder parketnummer 16/600068-11 ten laste gelegde poging tot woninginbraak aan de [adres] te Den Dolder, tevens een poging tot woninginbraak aan de [adres] in haar overwegingen vermeld. De laatstgenoemde poging tot woninginbraak met betrekking tot huisnummer 53 betreft het in de huidige zaak ten laste gelegde feit.

Door dit feit te vermelden in haar overwegingen ten aanzien van parketnummer 16/600068-11 heeft de rechtbank reeds rekening gehouden met dit feit bij het bepalen van de strafmaat in die zaak. De rechtbank heeft dat feit destijds derhalve als een soort ad informandum gevoegd feit behandeld. De onderhavige vervolging van een poging tot woninginbraak aan de [adres] is daarom in strijd met het ne bis in idem-beginsel ex artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht. Alles aldus de raadsman.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe het volgende. De poging tot woninginbraak aan de [adres] te Den Dolder was niet onder parketnummer 16/600068-11 ten laste gelegd en evenmin “ad-informandum” gevoegd en betreft niet een en hetzelfde feit in de zin van artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank Utrecht heeft verdachte dan ook niet ter zake van dit feit veroordeeld bij het vonnis tegen verdachte van 17 mei 2011. Dat de rechtbank Utrecht ter zake van parketnummer 16/600068-11 in haar overwegingen een poging tot woninginbraak aan de [adres] te Den Dolder vermeldt en hieraan bewijs dan wel overtuiging heeft ontleend ten aanzien van de poging tot woninginbraak aan de [adres] te Den Dolder, doet hieraan niet af.

De raadsman heeft aanvullend aangevoerd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging dient te worden verklaard omdat het gehandeld heeft in strijd met het vertrouwensbeginsel. Verdachte is bij vonnis van de Rechtbank Utrecht van 17 mei 2011 veroordeeld voor een poging tot woninginbraak aan de [adres] te Den Dolder. De officier van justitie heeft nagelaten een paralleldagvaarding uit te doen gaan waarop zij een poging woninginbraak aan de [adres] te Den Dolder, met dezelfde pleegdatum, ten laste legt. Omdat dit niet is gebeurd en laatstgenoemde poging tot woninginbraak wel door de rechtbank in haar overwegingen in het vonnis van 17 mei 2011 is meegenomen, mocht verdachte er vanuit gaan dat vervolging voor dit feit achterwege zou blijven.

De rechtbank stelt voorop dat niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie eerst aan de orde is, indien er sprake is van ernstige inbreuk(en) op de beginselen van een behoorlijke procesorde, waarbij doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte inbreuk wordt gemaakt op het recht op een eerlijke behandeling van de zaak. Er is ten aanzien van de huidige zaak geen toezegging gedaan door of namens het Openbaar Ministerie dat vervolging van verdachte ter zake van een poging woninginbraak aan de [adres] te Den Dolder achterwege zou blijven. Onder deze omstandigheden komt de verdachte een beroep op het vertrouwensbeginsel dan ook niet toe en verwerpt de rechtbank het verweer.

Resumerend oordeelt de rechtbank als volgt. Nu niet is gebleken dat over het onder parketnummer 16/504302-11 ten laste gelegde feit de Nederlandse rechter onherroepelijk heeft beslist en bij verdachte niet het gerechtvaardigde vertrouwen zou kunnen zijn opgewekt dat vervolging ter zake van een poging tot woninginbraak aan de [adres] te Den Dolder achterwege zou blijven, is de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging en is er geen reden voor schorsing van de vervolging.

De rechtbank merkt daarbij echter wel op dat het in de rede had gelegen en ook wel zo praktisch zou zijn geweest dat het thans onder parketnummer 16/504302-11 tenlastegelegde feit zou zijn aangebracht bij de dagvaarding met het parketnummer 16/600068-11 welke zaak op de terechtzitting van 3 mei 2011 inhoudelijk is behandeld, temeer daar de uitslag van het sporenonderzoek, dat tevens betrekking heeft op de huidige zaak,

toen reeds bekend was. De rechtbank volstaat met deze constatering nu voornoemde gang van zaken niet is aan te merken als een grove of doelbewuste veronachtzaming van de rechten van verdachte.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht ten aanzien van het parketnummer 16/504302-11 wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het hem ten laste gelegde feit heeft gepleegd en baseert zich daarbij op de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen. Ten aanzien van het parketnummer 16/600665-11 acht de officier van justitie wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het hem primair ten laste gelegde heeft gepleegd en baseert zich daarbij op de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen, alsmede de verklaringen van verdachte en de getuige [getuige], afgelegd ter terechtzitting van 23 november 2011.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van het onder parketnummer 16/504302-11 ten laste gelegde feit. De aanhouding van verdachte was onrechtmatig, waardoor het daaruit voortgevloeide bewijsmateriaal – waaronder de aangetroffen inbrekerswerktuigen – niet tot het bewijs mag worden gebezigd. Verdachte dient dan ook van dit feit te worden vrijgesproken. Alles aldus de verdediging. De verdediging is voorts van mening dat het onder parketnummer 16/600665-11 ten laste gelegde feit niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. Het enige bewijsmiddel voor dit feit is de belastende verklaring, afgelegd door getuige [getuige]. De verdachte dient van dit feit te worden vrijgesproken, opnieuw aldus de verdediging.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Bewijs

Ten aanzien van parketnummer 16/600665-11

De rechtbank acht op grond van het navolgend weergegeven bewijs wettig en overtuigend bewezen dat verdachte heeft geprobeerd in te breken in de woning aan de [adres] te Den Dolder.

Op 20 januari 2011 te 05:10 uur treffen verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] een onbeheerde Opel Kadett met kenteken [kenteken] aan op een groenstrook aan de Dolderseweg te Den Dolder. Op dezelfde datum om 05:32 uur krijgen de verbalisanten een melding dat een man aangeklopt en naar binnen gekeken zou hebben bij een woning op het adres [adres] te Den Dolder. De afstand tussen voornoemde Opel en dit adres is circa 500 meter. Vervolgens zien de verbalisanten een man in donkere kleding via het fietspad wegrennen, afkomstig uit de richting van de woningen aan de [adres]. De verbalisanten zijn dit fietspad op gelopen, welk na drie minuten lopen uit kwam bij de voornoemde Opel Kadett.

Korte tijd later zien ze een man met donkere kleding, die een gehaaste indruk maakt, in de woonwijk lopen en ze nemen waar dat hij naar zweet ruikt en praat met een hijgende stem wanneer ze hem aanspreken. De verbalisanten nemen een bolling onder zijn jas waar en vragen de man zijn jack te openen. De man draagt een tweetal schroevendraaiers en een klein model waterpomptang (de rechtbank begrijpt in samenhang met het hier na te noemen proces-verbaal van onderzoek van Forensische Opsporing dat een verstelbare schroefsleutel wordt bedoeld) in de binnenzak van zijn jack. De man, zijnde verdachte, wordt om 5:45 uur aangehouden en zijn gereedschap wordt in beslag genomen en ter beschikking gesteld van de afdeling Forensische Opsporing van politie Utrecht.

Door de eigenaar van de voornoemde Opel Kadett, [aangever 3], is op 20 januari 2011 aangifte van diefstal van deze Opel Kadett gedaan.

Op 20 januari 2011 doet [aangever 1] aangifte van poging tot woninginbraak aan de [adres] te Den Dolder. Aangeefster verklaart dat haar man op 20 januari 2011 omstreeks 5:20 uur hoorde dat er aan het slot van de voordeur werd gerammeld. Haar man heeft toen geroepen, aangeefster wakker gemaakt en gezegd dat hij iemand zag weglopen. Aangeefster heeft samen met haar man uit het raam gekeken en zag een man lopen. Aangeefster heeft de politie gebeld en zag agenten kort daarna de man meenemen die zij kort daarvoor had zien weglopen.

Op 26 januari 2011 doet [aangever 2], namens Grontmij Vastgoed, aangifte van een poging tot woninginbraak aan de [adres] te Den Dolder. De aangever verklaart dat deze poging tussen 19 januari 2011 omstreeks 19:00 uur en 22 januari 2011 omstreeks 10:00 uur heeft plaatsgevonden. Hij heeft waargenomen dat het onderste schroefje van de slotplaat verwijderd was en dat de cilinder van het slot aan de buitenzijde uitstak en beschadigd was, alsof het metaal was samengedrukt. De afgevormde werktuigsporen die bij deze woning gevonden zijn, zijn vergeleken met proefsporen gemaakt met de verstelbare schroefsleutel die onder verdachte in beslag is genomen. De conclusie uit dit onderzoek luidt dat de afgevormde werktuigsporen veroorzaakt zijn met de verstelbare schroefsleutel die onder verdachte in beslag is genomen.

Ten aanzien van parketnummer 16/600665-11

Primair: vrijspraak

Weliswaar zijn er sterke aanwijzingen dat verdachte de personenautoheeft gestolen: zo wordt hij kort na het ontvreemden van de auto in het bezit daarvan aangetroffen zonder dat hij daar een redelijke verklaring voor kan geven, niettemin is de rechtbank van oordeel dat het wettig en overtuigend bewijs voor de diefstal ontbreekt, nu niet geheel uitgesloten kan worden dat een ander de personenauto heeft gestolen en aan verdachte ter hand heeft gesteld.

Subsidiair

De rechtbank acht op grond van het navolgend weergegeven bewijs wettig en overtuigend bewezen dat verdachte een personenauto van het merk Fiat, type 127, kleur geel, heeft geheeld.

Op 4 juli 2011 doet [aangever 4] aangifte van diefstal van zijn personenauto van het merk Fiat, type 127, kleur geel en voorzien van het kenteken [kenteken]. De aangever verklaart dat de auto op zondag 3 juli 2011 om 18:00 uur nog geparkeerd stond op de Carmendreef te Utrecht en dat de auto toen afgesloten en zo goed als onbeschadigd was.

Verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] zien op 4 juli 2011 op de Theemsdreef te Utrecht een personenauto van het merk Fiat, type 127, voorzien van het kenteken [kenteken] staan. Dit voertuig stond als ontvreemd of verduisterd gesignaleerd. De verbalisanten zien dat de bekabeling onder het contactslot doorgeknipt en doorverbonden is. Op het slot aan de bestuurderszijde zat lichte schade, afkomstig van een inbrekerswerktuig. Een vrouwspersoon vertelt de verbalisanten vervolgens dat zij een blanke man met een blauw trainingsjack uit de gestolen auto heeft zien komen. Op het moment dat de vrouw het signalement van de man doorgeeft komt een man met een blauw trainingsjack de centrale hal van de portiek aan de Theemsdreef uitgelopen, waarop de vrouw zegt: “Dat is de man.” Hierop is de man, zijnde verdachte, aangehouden.

Getuige [getuige] verklaart tegen verbalisanten dat hij op 4 juli 2011 achter in de auto van verdachte, een hele oude Fiat, is gaan zitten. [getuige] en verdachte hebben samen in voornoemde auto gereden. [getuige] kwam er na het vertrek achter dat de draden van de auto doorgeknipt en doorverbonden waren.

Verdachte verklaart in de oude Fiat te hebben gezeten. Verdachte heeft gezien dat de bekabeling onder het contactslot doorgeknipt en doorverbonden was en weet dat dit de gebruikelijke manier is om een auto te stelen.

Nadere overweging met betrekking tot het bewijs ten aanzien van parketnummer

16/600665-11

De verdediging heeft aangevoerd dat de aanhouding en de daarop volgende fouillering en inverzekeringstelling van verdachte onrechtmatig zijn geweest, waardoor het daaruit voortvloeiende bewijs onrechtmatig verkregen is en niet voor het bewijs mag worden gebezigd. De rechtbank is echter van oordeel dat de aanhouding van verdachte rechtmatig was. Op grond van de hiervoor geschetste feiten omstandigheden was er sprake van een redelijk vermoeden van schuld in de zin van artikel 27 van het Wetboek van Strafvordering. Het verweer van de raadsman wordt derhalve verworpen.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

parketnummer 16/504302-11:

op 20 januari 2011 te Den Dolder, gemeente Zeist, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning aan de [adres] weg te nemen enig goed en/of geld, toebehorende aan [aangever 2] en/of Grontmij Vastgoed, en zich daarbij de toegang tot die woning te verschaffen door braak op en verbreking van een voordeur(slot), een schildplaat heeft verwijderd en een verstelbare schroefsleutel op dat (cilinder)slot heeft gezet en (daarmee) een of meer wrikkende beweging(en) heeft gemaakt, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

parketnummer 16/600665-11:

hij op 04 juli 2011 te Utrecht een personenauto van het merk Fiat, type 127, kleur geel, voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van die auto wist,dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Ten aanzien van parketnummer 16/503402-11:

poging tot diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft

verschaft door middel van braak.

Ten aanzien van parketnummer 16/600665-11:

opzetheling.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht, gevorderd dat verdachte geplaatst dient te worden in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaar.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman verzoekt de rechtbank een vrijheidsstraf op te leggen gelijk aan de duur van het voorarrest. De raadsman voert aan dat het opleggen van een ISD-maatregel – hoewel verdachte aan de voorwaarden voldoet – niet opportuun is, daar dit twee jaar kale opsluiting betekent terwijl er alternatieven zijn.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen maatregel heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Wat betreft de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn gepleegd overweegt de rechtbank in het bijzonder het volgende.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot woninginbraak. Aan het plegen van woninginbraken tilt de rechtbank zwaar. Woninginbraken veroorzaken niet alleen de nodige materiële schade, maar maken ook een forse inbreuk op de privacy van de bewoners. Het is voor hen bijzonder onaangenaam om te leven met de wetenschap dat een vreemde in hun woning is geweest en hun persoonlijke bezittingen heeft doorzocht. Verdachte heeft zich eveneens schuldig gemaakt aan heling van een personenauto en daarmee bijgedragen aan de instandhouding van een afzetmarkt voor gestolen goederen. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op

- een verdachte betreffend omvangrijk uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 19 juli 2011, waaruit blijkt dat verdachte zich reeds eerder schuldig heeft gemaakt aan - onder meer - soortgelijke strafbare feiten;

- een de verdachte betreffend reclasseringsadvies d.d. 31 augustus 2011, opgemaakt door

B.H.V. Dölle, reclasseringswerker, waaruit - onder meer - volgt dat verdachte sinds 1982 een vaste cliënt is van de reclassering van Centrum Maliebaan. Er is herhaaldelijk reclasseringstoezicht opgelegd waarin gepoogd werd verdachte richting een afkickcentrum of gedragsinterventie te bewegen. Verdachte hield zich zelden aan de afspraken en tot gedragsverandering kwam het nooit. Verdachte was van 1982 tot 1998 verslaafd aan heroïne en cocaïne. In 1998 is de heroïne vervangen door methadon. In de afgelopen jaren zou verdachte vooral cocaïne en weed gebruikt hebben. Hoewel interventies op verschillende levensgebieden geïndiceerd zijn, in het bijzonder gericht op de drugsverslaving, wordt elke vorm van hulpverlening door verdachte van de hand gewezen. Verdachte heeft bij reclasseringswerker L. Scheffers aangegeven drugsgebruik dermate prettig te vinden dat hij geen aanleiding ziet ermee te stoppen en dat hij op de koop toe neemt dat hij daardoor in aanraking komt met politie en justitie. De kans op recidive wordt hoog ingeschat. Geadviseerd wordt een ISD-maatregel op te leggen.

Verdachte is verslaafd aan harddrugs en kan deze verslaving kennelijk alleen bekostigen door het op grote schaal plegen van vermogensdelicten. Zijn strafblad bevestigt deze gedachtegang. Verdachte moet dan ook worden gezien als een veelpleger van (onder meer) vermogensdelicten. Tevens blijkt dat eerdere hulpverleningstrajecten niet het beoogde effect hebben gehad en dat verdachte steeds is teruggevallen in hetzelfde patroon. Mede gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat plaatsing van verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders wenselijk en noodzakelijk is. Het is de enige remedie om, in ieder geval gedurende de periode van twee jaar, de maatschappij te beschermen tegen de overlast en schade die door verdachte wordt veroorzaakt. De rechtbank beoogt daarmee tevens verdachte te doen inzien dat het nu echt tijd is zijn gedrag te veranderen en werk te maken van resocialisatie.

Daarbij heeft de rechtbank tevens in aanmerking genomen dat voldaan wordt aan de eisen die de wet daaromtrent stelt. Immers de door verdachte begane misdrijven betreffen misdrijven waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, terwijl de verdachte in de vijf jaren voorafgaand aan de door hem begane misdrijven ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel, een vrijheidsbeperkende maatregel of taakstraf is veroordeeld, deze feiten zijn begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen of maatregelen en er voorts ernstig rekening mede moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan en de veiligheid van personen of goed het opleggen van de maatregel eist.

De tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht zal niet in mindering worden gebracht op de duur van de maatregel.

De rechtbank heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 63 van het wetboek van strafrecht, kennis genomen van de omstandigheid dat verdachte op 17 mei 2011 is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 4 maanden in verband met overtreding van de artikelen 45, 310 en 311 Wetboek van Strafrecht en nu opnieuw wordt schuldig verklaard aan een misdrijf voor de hierboven genoemde datum gepleegd. De rechtbank zal niettemin overgaan tot oplegging van de maatregel die strekt tot plaatsing van verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders. Daarbij merkt de rechtbank op dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht vanwege het karakter van de ISD-maatregel geen beletsel vormt voor het opleggen ervan.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 38m, 38n, 45, 57, 63, 310, 311, 416 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Ten aanzien van parketnummer 16/503402-11:

poging tot diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het

misdrijf heeft verschaft door middel van braak;

Ten aanzien van parketnummer 16/600665-11:

Opzetheling;

- verklaart verdachte strafbaar;

Maatregel

- gelast de plaatsing van verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders voor twee jaar.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Bender, voorzitter, mr. J.R. Krol en mr. A.M. Crouwel, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N.R. Bakkenes, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 7 december 2011.