Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BV1599

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
14-12-2011
Datum publicatie
23-01-2012
Zaaknummer
16-600902-11 (ontneming)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel, hennep, hennepkwekerij.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

Parketnummer: 16/600902-11 (ontneming)

beslissing van de rechtbank d.d. 14 december 2011

in de ontnemingszaak tegen

[veroordeelde]

geboren te [geboorteplaats], [1954]

wonende te [woonplaats]

thans verblijvende in de P.I. Utrecht, Huis van Bewaring te Nieuwegein

raadsman mr. W. Hendrickx, advocaat te Utrecht

1 De procedure.

De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken:

- de vordering, die binnen de in artikel 511b van het Wetboek van Strafvordering genoemde termijn aanhangig is gemaakt;

- het strafdossier onder parketnummer 16/600902-11 waaruit blijkt dat verdachte op 14 december 2011 door deze rechtbank is veroordeeld terzake van medeplegen van het aanwezig hebben van hennep, medeplegen van hennepteelt en medeplegen van diefstal van elektriciteit tot de in die uitspraak vermelde straf;

- het rapport van berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel, d.d. 26 september 2011, met bijlage;

- de bevindingen tijdens het onderzoek ter terechtzitting d.d. 30 november 2011;

- de overige stukken.

Tijdens het onderzoek ter terechtzitting is de officier van justitie gehoord. Tevens is de verdachte gehoord, bijgestaan door zijn raadsman mr. W. Hendrickx, advocaat te Utrecht.

2 De beoordeling.

Verdachte is door de rechtbank bij vonnis d.d. 14 december 2011 ter zake van medeplegen van het aanwezig hebben van hennep, medeplegen van hennepteelt en medeplegen van diefstal van elektriciteit veroordeeld tot de in die uitspraak vermelde straf.

De rechtbank ontleent aan de inhoud van het voornoemde vonnis en het strafdossier het oordeel, dat de veroordeelde door middel van het begaan van voormelde feiten een voordeel als bedoeld in art. 36e van het Wetboek van Strafrecht heeft gehad.

Aan de inhoud van wettige bewijsmiddelen ontleent de rechtbank de schatting van dat voordeel op een bedrag van € 31.246,39. Dit voordeel is als volgt berekend.

De rechtbank gaat bij de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel uit van de berekening in het rapport van berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel van 26 september 2011, met bijlage. Zij is echter van oordeel dat de daarin vervatte berekening niet geheel juist is, nu bij de vermenigvuldiging en optelling van de bedragen de uitkomsten niet geheel kloppend zijn.

Bij de bepaling van het wederrechtelijk genoten voordeel hanteert de rechtbank de volgende uitgangspunten:

- veroordeelde heeft in de periode van 4 mei 2011 tot en met 14 september 2011 een hennepkwekerij in werking gehad;

- aannemelijk is geworden dat veroordeelde in voornoemde periode in ieder geval een maal 362 hennepplanten heeft geoogst;

- de rechtbank stelt vast dat de gemiddelde oogst per plant naar uit ervaringsregels en politieonderzoek is gebleken – bij een kwekerij als bij veroordeelde is aangetroffen – 28,2 gram hennep per plant oplevert;

- de gemiddelde verkoopprijs per gram hennep bedraagt volgens ervaringsregels € 3,28.

Gelet op het vorenstaande komt de rechtbank tot de volgende berekening van het bruto wederrechtelijk verkregen voordeel: 1 oogst x 362 planten x 28,2 gram x € 3,28 opbrengst per gram = € 33.483,55.

Verder gaat de rechtbank uit van de volgende kostenposten die naar het oordeel van de rechtbank zijn toe te schrijven aan de oogsten in de voornoemde periode:

- de inkoopprijs van de hennepstekken bedraagt € 2,85 per stuk;

- de rechtbank stelt de kosten voor het kweekmedium, het waterverbruik en de benodigde voedingsmiddelen, gelet op ervaringsregels en het kweekschema voor hennepplanten, op gemiddeld € 3,33 per plant;

- de rechtbank stelt de afschrijvingskosten van de investering die veroordeelde heeft moeten maken voor het inrichten en opbouwen van de kwekerij, op basis van ervaringsgegevens, vast op € 250,00 per oogst;

- de rechtbank laat de kosten voor het elektriciteitsverbruik van de kwekerij buiten beschouwing bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel, gelet op het feit dat nergens uit blijkt dat deze door de veroordeelde reeds zijn betaald aan de energieleverancier;

- de rechtbank laat de kosten van huur van de ruimte die in verband met de kwekerij door veroordeelde is gehuurd, voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel, buiten beschouwing, aangezien het de caravan en schuur, op dat moment tevens zijnde de woonruimte, van veroordeelde betrof en de huurkosten onafhankelijk van het delict zijn gemaakt.

Gelet op het vorenstaande komt de rechtbank tot de volgende berekening van de kosten per oogst: (362 planten x € 2,85) + (362 planten x € 3,33) + afschrijvingskosten ad € 250,00 = € 2.237,16.

Op grond van het vorenstaande stelt de rechtbank het bedrag waarop het netto wederrechtelijk verkregen voordeel van één oogst wordt geschat, vast op een bedrag van opbrengst ad € 33.483,55 minus kosten ad € 2.237,16 = € 31.246,39.

De rechtbank heeft verdachte veroordeeld voor - kort gezegd - het medeplegen van het opzettelijk kweken van hennep. Gelet op het bewijs dat de rechtbank heeft gebracht tot de overtuiging dat sprake is geweest van medeplegen, moet ervan worden uitgegaan dat verdachte heeft gehandeld samen met twee personen. Nu uit de stukken in het dossier geen aannemelijke aanknopingspunten zijn voor een afwijkende verdeelsleutel tussen de veroordeelden dan op basis van gelijke verdeling, zal de rechtbank bij de toewijzing van het wederrechtelijk verkregen voordeel uitgaan van een ponds pondsgewijze verdeling. Dit betekent dat het bedrag waarop het netto door verdachte genoten voordeel moet worden vastgesteld op € 31.246,39 : 3 = € 10.415,46.

3 De beslissing.

De rechtbank stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 10.415,46.

Zij legt aan de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de staat van een geldbedrag ter grootte van € 10.415,46, ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Zij wijst de vordering van de officier van justitie voor het overige af.

Deze beslissing is gegeven door mr. N.E.M. Kranenbroek, voorzitter, mr. R.P. den Otter en mr. T. Reichardt, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier mr. N.R. Bakkenes en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 14 december 2011.

Mr. Reichardt is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.