Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BV1497

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
22-12-2011
Datum publicatie
20-01-2012
Zaaknummer
16/600854-11 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Autoinbraak, mishandeling, dierenmishandeling, zonder redelijk doel opzettelijk een dier letsel veroorzaken en de gezondheid van een dier benadelen, art. 36, 121 en 122 van de Gezondheids- en Welzijnswet voor Dieren. Hond blijft met hondenriem aan de scooter hangen en wordt meegesleurd.

Wetsverwijzingen
Gezondheids- en welzijnswet voor dieren
Gezondheids- en welzijnswet voor dieren 36
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/600854-11 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 22 december 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1989] te [geboorteplaats]

wonende te [adres], [woonplaats] Bilt

raadsman mr. D.C. Dorrestein, advocaat te Utrecht

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 8 december 2011, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: samen met een ander een auto-inbraak heeft gepleegd en uit die auto een laptop en een sleutelbos heeft gestolen;

Feit 2 primair: samen met een ander heeft geprobeerd om aan [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen;

Feit 2 subsidiair: samen met een ander [slachtoffer] heeft mishandeld;

Feit 3: samen met een ander opzettelijk een hond heeft mishandeld.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen reden is voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het hem onder feit 1, 2 primair en 3 tenlastegelegde en baseert zich daartoe op de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van het de verdachte onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde. Derhalve dient vrijspraak voor het onder feit 1 en feit 2 tenlastegelegde te volgen. Ten aanzien van het onder feit 1 tenlastegelegde heeft de raadsman betoogd dat er, gezien ook de ontkenning door verdachte, onvoldoende bewijs is om tot een bewezenverklaring te komen. Ten aanzien van het onder feit 2 primair tenlastegelegde heeft de raadsman betoogd dat er geen aangifte van poging tot zware mishandeling van [slachtoffer] is. Verdachte ontkent het inrijden op [slachtoffer] en wist niet dat [slachtoffer] ten val was gekomen. Daarmee ontbreekt iedere vorm van opzet, dus ook voorwaardelijk opzet. Daar komt bij dat uit het enkel ten val komen/gebracht worden, niet kan worden geconcludeerd dat dit een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel met zich brengt. Bovendien kan het handelen van [slachtoffer], bestaande uit het stevig vasthouden en naar zich toe trekken van de hondenriem, niet aan verdachte worden toegerekend, alles aldus de raadsman. Ten aanzien van het onder feit 2 subsidiair tenlastegelegde voert de raadsman aan dat ook het opzet op mishandeling bij verdachte ontbrak. Ten aanzien van het onder feit 3 tenlastegelegde refereert de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht op grond van de hieronder weergegeven bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich samen met een ander schuldig heeft gemaakt aan een auto-inbraak, waarbij verdachte en zijn mededader een laptoptas met inhoud hebben gestolen. Ook acht de rechtbank op grond van de hieronder weergegeven bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte opzettelijk pijn en letsel heeft toegebracht aan een persoon en aan een dier.

Aangever [benadeelde] verklaart dat hij op 25 augustus 2011 omstreeks 18.15 uur zag dat de achterruit van zijn op de Prinses Margrietstraat te Utrecht geparkeerde auto was ingeslagen en dat zijn laptoptas met daarin zijn laptop en sleutelbos was weggenomen. Er waren getuigen aanwezig die de inbraak hadden gezien en de daders hadden zien wegrijden op een brommer.

Getuige [getuige] ziet op 25 augustus 2011 omstreeks 18.45 uur, op de hoek van de Zwanenvechtlaan en de Prinses Margrietstraat te Utrecht twee jongens op een snorfiets. De bestuurder omschrijft [getuige] als volgt: ongeveer 1.70 meter lang, Marokkaanse afkomst, donker haar en donkere kleding. De bijrijder heeft een schroevendraaier in zijn handen. [getuige] ziet dat de bestuurder zijn snorfiets dwars neerzet en niet afstapt, de motor blijft aan. Getuige ziet dat de bijrijder het glas van de rechterachterruit van een aan de Prinses Margrietstraat geparkeerde station personenauto kapot maakt door middel van een schroevendraaier, de auto induikt, met zijn voeten bungelend buiten de auto, en weer uit de auto komt met een laptoptas. Getuige ziet dat de bijrijder vervolgens met de laptoptas op zijn rug achterop de wachtende snorfiets springt, waarop de snorfiets met verhoogde snelheid weg rijdt.

Verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] begeven zich op 25 augustus 2011 omstreeks 18.52 uur naar de Prinses Margrietstraat te Utrecht. Dit naar aanleiding van een melding van een auto-inbraak waarbij een laptop is weggenomen. Ze horen dat de verdachten zouden zijn weggereden op een scooter in de richting van de schaakbuurt. Zij zien een jongen lopen met zijn hond en vervolgens zien zij vanuit de brandgang bij de woningen van het Muiderslotplantsoen een scooter aan komen rijden, waar twee personen op zitten. De bestuurder van de scooter rijdt tussen de jongen (dit blijkt te zijn: [slachtoffer]) en diens aangelijnde hond door. Daardoor komt de lijn van de hond vast te zitten aan de scooter. Verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] zien dat de scooter door rijdt, terwijl de hond met de scooter mee wordt gesleurd. Verbalisanten zien dan dat de bijrijder van de scooter afstapt en begint te rennen in de richting van de Muiderslotlaan. [verbalisant 2] rent achter de jongen aan en ziet dat de jongen een laptop van het merk Dell in de bosjes gooit. De jongen wordt hierop aangehouden en blijkt te zijn [X] De door [verdachte] weggegooide laptop is eigendom van aangever [benadeelde] en is de laptop die kort daarvoor uit zijn auto is gestolen.

Verbalisant [verbalisant 1] ziet dat de hond door de scooter wordt mee gesleurd en hoort dat de jongen die met hond liep roept “Niet doen! Stoppen! Mijn hond!”. [verbalisant 1] ziet dat de jongen ondertussen de riem van zijn hondje vasthoudt en deze naar zich toe begint te trekken. Ook ziet en hoort de verbalisant dat de scooter gas geeft. De jongen komt vervolgens ten val, laat de riem los en voelt een stekende pijn in beide handen. De verbalisant ziet enige tijd later dat de jongen snij- en brandwonden aan zijn handen heeft. De bestuurder kijkt tijdens het rijden meerdere malen naar het hondje, dat nog steeds meegesleurd wordt door zijn scooter. De verbalisant ziet dat het hondje van links naar rechts over het asfalt glijdt en bij ieder obstakel in de weg omhoog komt. De bestuurder van de scooter wordt later aangehouden en blijkt te zijn: verdachte.

Verbalisant [verbalisant 3] ziet, nadat het hondje in een bocht is losgekomen van de scooter, dat het hondje schokkend op de grond ligt, wondjes heeft en onder het bloed zit. Het hondje blijkt een longkneuzing, een blaaskneuzing, gekneusde ribben, schaafwonden over het gehele lichaam en een grote wond op zijn kop te hebben, welke kopwond gehecht moet worden.

Vrijspraak met betrekking tot feit 2 primair

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 2 primair tenlastegelegde heeft gepleegd. Het ten val komen van een man die zich al lopend aan een bewegende lijn vasthoudt kan ongetwijfeld pijnlijk en ongelukkig uitpakken. Vast moet echter komen te staan:

1. dat er een kans op zwaar lichamelijk letsel is door een dergelijke val en

2. dat deze kans aanmerkelijk is.

Niet ondenkbaar is dat iemand die op bedoelde wijze ten val komt ongelukkig terecht komt en zwaar lichamelijk letsel bekomt. Daarmee is er een kans op het ontstaan van zwaar lichamelijk letsel. In de onderhavige zaak is echter niet gebleken dat de omstandigheden zodanig waren dat deze kans als aanmerkelijk moet worden beschouwd. Dit maakt dat niet bewezen kan worden dat er sprake was van voorwaardelijk opzet op zwaar lichamelijk letsel. Dientengevolge zal verdachte van het onder feit 2 primair tenlastegelegde worden vrijgesproken.

Overweging met betrekking tot feit 2 subsidiair

Voor zover de verdediging heeft aangevoerd dat bij verdachte het opzet op de mishandeling van [slachtoffer] ontbrak, oordeelt de rechtbank als volgt. Ondanks het feit dat verdachte zowel [slachtoffer] als het hondje heeft gezien toen hij uit de brandgang kwam rijden, is verdachte toch met enige snelheid en zonder waarschuwing tussen [slachtoffer] en diens aangelijnde hondje door gereden toen hij de politie zag. Het gevolg dat degene die de hond aan de lijn hield hierdoor zou worden meegesleurd, ten val zou komen of anderszins letsel zou op lopen is daar een voor de hand liggend en voorzienbaar gevolg van.

Hiermee heeft verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat [slachtoffer] hierdoor pijn en letsel zou bekomen. De rechtbank verwerpt derhalve het verweer van de verdediging.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

op 25 augustus 2011 te Utrecht, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een personenauto (Peugeot Megane) heeft weggenomen een laptoptas met daarin onder meer een laptop, merk Dell, en een sleutelbos toebehorende aan [benadeelde], waarbij verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft en de weg te nemen goederen onder hun bereik heeft gebracht door middel van braak, immers hebben verdachte en zijn mededader een achterruit van voornoemde auto ingeslagen;

2.

Subsidiair

op 25 augustus 2011 te Utrecht opzettelijk [slachtoffer] heeft mishandeld, door:

met een scooter te rijden tegen een hondenriem terwijl deze hondenriem door die [slachtoffer] werd vastgehouden en vervolgens door te rijden terwijl deze hondenriem vastzat aan die scooter waardoor voornoemde [slachtoffer] ten val is gekomen, waardoor voornoemde [slachtoffer] letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

3.

op 25 augustus 2011 te Utrecht, zonder redelijk doel of met overschrijding van hetgeen ter bereiking van zodanig doel toelaatbaar was, opzettelijk bij een hond letsel heeft veroorzaakt en de gezondheid van die hond heeft benadeeld, immers heeft/is hij verdachte :

met een scooter, in elk geval een gemotoriseerd voertuig, gereden tegen een hondenriem, aan welke hondenriem voornoemde hond was aangelijnd, en vervolgens terwijl deze hondenriem vastzat aan die scooter over enige afstand gereden en aldus die hond over enige afstand meegesleurd over de grond en (weg)obstakels.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Feit 1:Medeplegen van diefstal waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;

Feit 2 subsidiair: Mishandeling.

Feit 3: Zonder redelijk doel opzettelijk een dier pijn of letsel veroorzaken en de gezondheid van een dier benadelen.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft een strafmaatverweer gevoerd. De raadsman heeft hiertoe bepleit de duur van de eventueel op te leggen straf gelijk te stellen aan de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Wat betreft de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn gepleegd overweegt de rechtbank in het bijzonder het volgende. Verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan een auto-inbraak. Niet alleen zijn uit die auto goederen weggenomen, maar daarbij is deze auto ook beschadigd, waarbij de toegebrachte schade de waarde van de gestolen goederen overstijgt. Dit heeft voor het slachtoffer tot gevolg gehad dat hij van dit feit veel ergernis en ongemak heeft ondervonden.

Verder is verdachte in zijn vlucht voor de politie met zijn scooter tussen een aangelijnde hond en diens eigenaar door gereden waardoor de lijn bleef hangen aan de scooter. Verdachte is vervolgens gewoon door gereden, waardoor de hond achter de scooter aan werd gesleept. Door een toeval is de hond uiteindelijk los van de scooter gekomen. Doordat de hond niet met de scooter kon meerennen werd de hond meegesleurd over de weg. Daardoor heeft de hond letsel opgelopen.

Doordat verdachte doorreed terwijl de riem aan de scooter bleef hangen, en de eigenaar van de hond vanzelfsprekend de riem waaraan zijn hond was aangelijnd vast hield en (in een reflex) vast bleef houden, heeft ook deze eigenaar letsel bekomen. Het spreekt voor zich dat dit alles voor de slachtoffers, alsmede voor de personen die getuige zijn geweest van dit voorval, een bijzonder schokkende ervaring moet zijn geweest. Hier heeft verdachte kennelijk in het geheel niet bij stilgestaan. Het heeft hem er in ieder geval niet van weerhouden om op deze manier te proberen aan de politie te ontkomen. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan.

Wat betreft de persoon van verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op de inhoud van een verdachte betreffend, zeker gezien zijn leeftijd, omvangrijk uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 26 oktober 2011, waaruit blijkt dat verdachte zich reeds eerder veelvuldig schuldig heeft gemaakt aan strafbare feiten.

De rechtbank is, gelet op de ernst van de feiten in samenhang met de omvangrijke justitiële documentatie van verdachte, van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 78 dagen en een werkstraf voor de duur van 100 uur passend en noodzakelijk is. De rechtbank ziet geen ruimte voor een andere of lichtere sanctie en ziet in de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals deze ter terechtzitting zijn gebleken, geen aanleiding om een deel van de aan verdachte op te leggen straffen voorwaardelijk op te leggen. De goede voornemens van verdachte hebben hem er in het verleden kennelijk niet van weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

7 De benadeelde partij

De benadeelde partij [benadeelde] vordert een schadevergoeding van € 1.684,24 voor het onder 1 tenlastegelegde feit.

7.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie acht het door de benadeelde partij [benadeelde] opgevoerde bedrag voor oordopjes ad € 29,99 niet voor toewijzing vatbaar, daar niet uit het dossier blijkt dat er tevens oordopjes uit zijn auto zijn weggenomen. De officier van justitie vordert hoofdelijke toewijzing van de overige opgevoerde bedragen door de benadeelde partij ad € 1.654,25 en heeft verzocht daarbij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

7.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman is van mening dat de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk is in zijn vordering daar verdachte voor het onder feit 1 tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken. Subsidiair is de raadsman van mening dat de opgevoerde bedragen voor de oordopjes ad €29,99, voor de vervanging van sloten ad € 173,99 en voor het schadeherstel aan de lak en bekleding van de auto ad € 1073,67 niet voor toewijzing vatbaar zijn. Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat niet duidelijk is of de benadeelde partij voor ruitschade verzekerd is en dat er derhalve vanuit kan worden gegaan dat van het opgevoerde bedrag van € 406,59 voor ruitvervanging slechts circa € 75,- voor toewijzing vatbaar is en de vordering van de overige € 331,59 dient te worden afgewezen omdat deze kosten zullen worden gedekt door de verzekering.

7.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat door de benadeelde partij [benadeelde] geleden schade tot een bedrag van € 988,41 kan worden gezien als rechtstreeks gevolg is van het onder 1 tenlastegelegde en bewezen verklaarde feit, en acht verdachte aansprakelijk voor die schade. Voornoemd bedrag bestaat uit € 173,99 ter vervanging van huissloten, € 406,59 ter vervanging van de rechter achterruit van de auto, €72,60 ter reparatie/vervanging van de geleiderlijst aan de rechter achterkant van de auto, €14,23 ter reparatie/vervanging van de schachtlijst aan de rechter achterkant van de auto, €250,00 voor het herstelspuiten van de rechter achterkant van de auto en €71,00 voor demontage en montage ten behoeve van het herstelspuiten van de achterkant van de auto.

De rechtbank zal de vordering tot dit totale bedrag van € 988,41 hoofdelijk toewijzen.

De rechtbank is van oordeel dat voor het overige de vordering onvoldoende is onderbouwd. De benadeelde partij zal daarom voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering en kan zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Met betrekking tot de toegekende vordering van de benadeelde partij [benadeelde] zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 22c, 22d, 36f, 47, 57, 302 en 311 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 36, 121 en 122 van de Gezondheids- en Welzijnswet voor Dieren zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder feit 2 primair tenlastegelegde;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Feit 1: Medeplegen van diefstal waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;

Feit 2 subsidiair: Mishandeling.

Feit 3: Zonder redelijk doel opzettelijk een dier letsel veroorzaken en de gezondheid van een dier benadelen.

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 78 dagen;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 100 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 50 dagen;

Benadeelde partijen

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde] van € 988,41 ter zake van materiële schade;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- bepaalt dat voor zover dit bedrag door de mededader is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer,

€ 988,41 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 19 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat voor zover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

- verklaart de benadeelde partij [benadeelde] voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.E. Somsen, voorzitter, mr. G. Perrick en mr. Y.M.J.I. Baauw-de Bruijn, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N.R. Bakkenes, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 22 december 2011.