Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BV0759

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
14-12-2011
Datum publicatie
12-01-2012
Zaaknummer
16/440557-10 [P]
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2013:BZ8892, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt veroordeeld wegens mensenhandel tot een gevangenisstraf van vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/440557-10 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 14 december 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1966] te [geboorteplaats],

wonende te [adres], [woonplaats].

Raadsman mr. J. Peters, advocaat te Amersfoort.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 30 november 2011, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1A, primair: zich samen met anderen heeft schuldig gemaakt aan mensenhandel, gepleegd jegens [benadeelde], danwel,

Feit 1A, subsidiair: anderen daarbij behulpzaam is geweest .

Feit 1B: samen met anderen [benadeelde] heeft opgelicht.

Feit 2A, primair: zich samen met anderen heeft schuldig gemaakt aan mensenhandel, gepleegd jegens [benadeelde 2], danwel,

Feit 2A, subsidiair: anderen behulpzaam is geweest bij het uitbuiten van [benadeelde 2].

Feit 2B: samen met anderen [benadeelde 2] heeft opgelicht.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan hetgeen onder 1A, primair en 1B, primair ten laste is gelegd, te weten het medeplegen van het opzettelijk voordeel trekken uit de uitbuiting van [benadeelde] en [benadeelde 2].

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen. Hiertoe heeft de raadsman het volgende aangevoerd:

Om tot een bewezenverklaring van hetgeen in artikel 273f, onder 1º, van het Wetboek van Strafrecht is strafbaar gesteld te kunnen komen, moet verdachte handelingen hebben verricht met [benadeelde] en [benadeelde 2] met het oogmerk van uitbuiting en door gebruik van de in het artikel genoemde middelen.

Er kan niet wettig en overtuigend bewezen worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van mensenhandel jegens [benadeelde]. Verdachte heeft geen gebruik gemaakt van de in het artikel 273f, onder 1º, van het Wetboek van Strafrecht genoemde middelen. De middelen misleiding en misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en misbruik van een kwetsbare positie waren ruim voor de tijd dat [benadeelde] in ‘Oasis’ kwam werken tegen haar gebruikt door de gebroeders [medeverdachten].

Verdachte kan onmogelijk oogmerk hebben gehad op de uitbuiting van [benadeelde], nu hij pas achteraf bekend is geworden met het feit dat de broers [medeverdachten] haar niet correct uitbetaalden.

Er dient voorzichtig te worden omgegaan met de verklaring van [benadeelde], gelet op de bij haar aanwezige verstandelijke beperking en mede bezien in het licht van de overige getuigenverklaringen die haaks staan op hetgeen [benadeelde] heeft verklaard.

Er bestond geen nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de heren [medeverdachten]. Verdachte heeft geen opzet gehad op het samenwerken met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en evenmin op het gebruik van de ongeoorloofde middelen als bedoeld in artikel 273f, onder 1º, van het Wetboek van Strafrecht. Ook heeft verdachte geen opzet gehad op het onjuist uitbetalen van [benadeelde]. De enkele omstandigheid dat verdachte de eigenaar was van ‘Oasis’ en de verantwoordelijkheid droeg voor hetgeen daar gebeurde is onvoldoende om een nauwe en bewuste samenwerking aan te nemen.

Ook kan niet wettig en overtuigend bewezen worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van mensenhandel jegens [benadeelde 2]. Zo blijkt uit de eigen verklaring van deze [benadeelde 2], afgelegd bij de rechter- commissaris d.d. 8 november 2011, dat door verdachte geen gebruik is gemaakt van een middel als bedoeld in artikel 273f, onder 1º, van het Wetboek van Strafrecht.

Niet kan worden bewezen verklaard dat er een nauwe en bewuste samenwerking bestond tussen verdachte en de gebroeders [medeverdachten]. De enkele omstandigheid dat verdachte de eigenaar was van ‘Oasis’ en de verantwoordelijkheid droeg voor hetgeen daar gebeurde is onvoldoende om een nauwe en bewuste samenwerking aan te nemen.

Ten aanzien van de medeplichtigheid aan mensenhandel jegens [benadeelde] en [benadeelde 2], zoals ten laste gelegde onder feit 1A, subsidiair en feit 2A, subsidiair, kan het opzet aan de zijde van verdachte niet wettig en overtuigend bewezen worden. Verdachte had geen opzet op de hulpverlening bij het misdrijf, dan wel het opzet op het misdrijf zelf. Verdachte wist immers pas achteraf dat [benadeelde] en [benadeelde 2] niet, dan wel onjuist werden uitbetaald. Van medeplichtigheid is dan ook geen sprake.

Evenmin kan de oplichting van [benadeelde] en [benadeelde 2], opgenomen onder feit 1B en feit 2B wettig en overtuigend bewezen worden, daar verdachte geen geld voor [benadeelde] ofwel [benadeelde 2] achterhield.

Gelet op bovenstaande dient verdachte van alle aan hem ten laste gelegde feiten vrij te worden gesproken, alles aldus de raadsman.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

4.3.1 De verklaringen van verdachte

Voorafgaand aan de bespreking van de bewijsmiddelen acht de rechtbank het van belang stil te staan bij de verklaring die verdachte ter terechtzitting d.d. 30 november 2011 heeft afgelegd, alsmede de verklaringen die hij ten overstaan van de politie en de rechter-commissaris heeft afgelegd. De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt:

Verdachte heeft zowel bij de politie als de rechter-commissaris als ter terechtzitting uitgebreid verklaard over zijn rol bij de aan hem ten last gelegde feiten. Deze door hem afgelegde verklaringen komen op een aantal essentiële punten niet overeen met de overige bewijsmiddelen in het dossier. Daarom gaat de rechtbank enkel uit van die delen van de verklaringen van verdachte, voor zover zij ondersteund worden door andere bewijsmiddelen in het dossier. Voor zover zijn verklaringen afwijken van de overige bewijsmiddelen in het dossier, worden zij als ongeloofwaardig terzijde gesteld.

4.3.2 De bewijsmiddelen ten aanzien van feit 1A, primair

De rechtbank is van oordeel dat op grond van de stukken van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte het onder feit 1A, primair aan hem ten laste gelegde heeft begaan.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat [benadeelde] in zijn massagesalon ‘Oasis’ te Amersfoort heeft gewerkt. Dit is in de periode van 1 augustus 2009 tot en met 13 oktober 2009 geweest, aldus de verdachte. [benadeelde] heeft hierover verklaard dat zij vanaf 10 augustus 2009 is gaan werken bij ‘Oasis’ in Amersfoort en op 13 oktober 2009 door medeverdachte [medeverdachte 3] is weggestuurd. [benadeelde] werd door medeverdachte [medeverdachte 3] naar de massagesalon van verdachte gebracht. [benadeelde] was eerder, door medeverdachte [medeverdachte 1], benaderd met de vraag of zij voor hem als hoer wilde werken. Als ze dit zou doen, zou ze zo van haar schulden af zijn. [benadeelde] heeft met het voorstel van [medeverdachte 1] ingestemd. Zij werkte in ‘Oasis’ voor zowel verdachte als voor medeverdachten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1]. Door hen alle drie werden klanten gebracht en werden betalingen in ontvangst genomen. In de periode dat ze voor hen werkte, gebruikte [benadeelde] coke, speed en pillen. [medeverdachte 1] bood haar regelmatig drugs aan. Verdachte heeft bevestigd dat [benadeelde] drugs gebruikte in de periode dat zij bij hem in ‘Oasis’ werkte.

Klanten betaalden ongeveer € 150,00, waarvan [benadeelde] € 50,00 zou krijgen. Ook zou € 50,00 naar de Belastingdienst gaan en de overige € 50,00 zou voor verdachte en diens medeverdachten zijn. Het bedrag dat klanten betaalden voor haar diensten, werd altijd op deze wijze door drieën gedeeld. Verdachte heeft ter terechtzitting aangegeven dat het bedrag dat klanten betaalden inderdaad door drieën werd verdeeld, deze verdeelsleutel, waarvan 1/3 voor [benadeelde] was, 1/3 voor de Belastingdienst en 1/3 voor verdachte zelf.

Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft, onder andere, bij de rechter-commissaris verklaard dat hij samen werkte met verdachte. Ook medeverdachte [medeverdachte 3] heeft verklaard dat hij samen werkte met verdachte. Voorts heeft [medeverdachte 3] verklaard dat zij alle inkomsten verdeelden.

Door F. Rotshuizen, gedragsdeskundige, is gerapporteerd dat [benadeelde] een lichte verstandelijke beperking heeft, hetgeen betekent dat zij functioneert op een niveau vergelijkbaar met een kind tussen de 7 en 11 jaar oud. Bij [benadeelde] zal men na het voeren van een eenvoudig gesprek al vrij snel merken dat zij meer tijd nodig heeft om zaken te begrijpen. [benadeelde] is weinig weerbaar en zeer beïnvloedbaar door anderen. Zij kan lastig haar grenzen aangegeven en ‘nee’ zeggen. Ook door getuige [getuige] is verklaard dat [benadeelde] een heel beïnvloedbaar en naïef meisje is.

4.3.3 Aanvullende bewijsoverwegingen betreffende feit 1A primair

Door de verdediging is bepleit dat [benadeelde], mede gelet op de bij haar aanwezige verstandelijke beperking, is misleid en dat misbruik is gemaakt van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en misbruik is gemaakt van een kwetsbare positie, doch dat het niet verdachte is geweest die deze middelen heeft gebruikt. Deze middelen waren reeds in een eerdere periode door medeverdachte [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] aangewend.

De rechtbank overweegt dat voor het bewijs van door ‘misbruik’ handelen toereikend is dat de dader zich bewust moet zijn geweest van de relevante feitelijke omstandigheden van de betrokkene waaruit het overwicht voortvloeit, dan wel verondersteld moet worden voort te vloeien, in die zin dat voorwaardelijk opzet ten aanzien van die omstandigheden bij hem aanwezig moet zijn (vergelijk HR 27 oktober 2009, LJN BI7099). Datzelfde geldt voor gevallen waarin sprake is van een kwetsbare positie van het slachtoffer.

Voor het opzet is niet vereist dat doelbewust misbruik is gemaakt van de kwetsbare positie van het slachtoffer. Evenmin is voor het bewijs van het misbruik een verdergaand initiatief en actief handelen van de verdachte vereist dat tot uitdrukking komt in de in de wet gebezigde termen ‘werft, vervoert, overbrengt, huisvest of opneemt’. Het is geen zelfstandig vereiste dat het initiatief van de verdachte is uitgegaan en evenmin dat het slachtoffer door de verdachte in een situatie is gebracht die de gelegenheid tot uitbuiting schiep.

[benadeelde] lijdt aan een verstandelijke beperking. Volgens de deskundige zal men na het voeren van een eenvoudig gesprek met deze [benadeelde] al vrij snel merken dat zij meer tijd nodig heeft om zaken te begrijpen. [benadeelde] is weinig weerbaar en zeer beïnvloedbaar door anderen. Ook door de getuige [getuige] is verklaard dat [benadeelde] over kwam als een beïnvloedbaar meisje, hetgeen ook door de deskundige wordt bevestigd. Voorts gebruikte [benadeelde] harddrugs gedurende de periode dat zij in ‘Oasis’ werkzaam was. Uit deze omstandigheden leidt de rechtbank af dat [benadeelde] in een kwetsbare positie verkeerde. Verdachte was ervan op de hoogte dat [benadeelde] drugs gebruikte, zo verklaarde hij ter terechtzitting. Voorts moet het verdachte kenbaar zijn geweest dat [benadeelde] een verstandelijke beperking heeft. Verdachte was zich er derhalve van bewust dat deze [benadeelde] zich in een kwetsbare positie bevond.

[benadeelde] is door [medeverdachte 1] benaderd om als prostituee te werken. Vervolgens is zij door [medeverdachte 2] naar de massagesalon van verdachte gebracht. Verdachte heeft [benadeelde], op zijn beurt, in zijn massagesalon ondergebracht om haar daar te laten werken. Zij heeft vervolgens gedurende tweeënhalve maand voor de drie heren gewerkt. Verdachte en diens mededaders [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] hebben geldbedragen ontvangen tijdens de periode dat [benadeelde] voor hen in massagesalon ‘Oasis’ werkte. Hiervoor gold een verdeelsleutel van 1/3 voor [benadeelde], 1/3 voor de Belastingdienst en 1/3 voor verdachte en diens mededaders. De rechtbank is van oordeel dat deze verdeelsleutel er klaarblijkelijk op was gebaseerd om zelf ook geld te verdienen aan de werkzaamheden die [benadeelde] verrichtte. Deze constatering, gezien in het licht van het feit dat [benadeelde] zich in een kwetsbare positie bevond, maakt dat de rechtbank van oordeel is dat [benadeelde] is uitgebuit en dat verdachte en diens mededaders hieruit voordeel hebben getrokken door een deel van haar verdiensten aan zichzelf toe te bedelen. . Voor zover door de verdediging in dit verband is aangevoerd dat [benadeelde] in de administratie van ‘Oasis’ voorkomt en zij dus wel degelijk is uitbetaald, doet hieraan niets af. [benadeelde] verkeerde immers niet in een situatie die gelijk is aan de omstandigheden waarin een mondige prostitué(e) in Nederland pleegt te verkeren.

4.3.4 De bewijsmiddelen betreffende feit 2A, primair

De rechtbank is van oordeel dat op grond van de stukken van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte het onder feit 2A, primair aan hem ten laste gelegde heeft begaan.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat [benadeelde 2] in zijn massagesalon ‘Oasis’ in Amersfoort heeft gewerkt en door hem is uitbetaald. Zij zou daar ongeveer twee à drie weken gewerkt hebben, aldus verdachte. [benadeelde 2] heeft hierover verklaard dat zij gedurende twee weken bij ‘Oasis’ heeft gewerkt. Begin maart 2009 kwam ze in contact met ene ‘[naam]’. Deze ‘[naam]’ bleek te zijn [medeverdachte 1]. Zij werd voorgesteld aan deze [naam] en de eigenaar van het pand, te weten verdachte. In het eerste gesprek dat zij bij ‘Oasis’ had sprak zij met [medeverdachte 1] en verdachte. Er werd onder andere besproken wat er gedaan werd; erotische massages. Aan het einde van de werkzaamheden moest zij mannen soms ook aftrekken.

Verdachte, alsmede [medeverdachte 1] regelden de gang van zaken binnen ‘Oasis’; de administratie en de klanten. Met hen had ze afgesproken wat ze zou verdienen, te weten de helft van het bedrag dat door de klanten werd betaald. Zij werkte van maandag tot vrijdag, vanaf 11.00 uur tot 18.00 uur. Naar eigen zeggen ontving zij gemiddeld vier à vijf klanten per dag. De klanten betaalden € 90,00 tot € 150,00 voor haar diensten. [benadeelde 2] werd door [medeverdachte 1] of door verdachte uitbetaald. Zij ontving € 30,00 a`€ 35,00, dan wel € 50,00 per dag. Uit de administratie van ‘Oasis’, over het jaar 2009, volgt dat aan [benadeelde 2] netto € 414,18 is uitbetaald.

4.3.5 Aanvullende bewijsoverwegingen betreffende feit 2A primair

Door de verdediging is bepleit dat verdachte geen der middelen als bedoeld in artikel 273f, eerste lid en onder 1º van het Wetboek van Strafrecht jegens [benadeelde 2] heeft aangewend. De rechtbank is een ander oordeel toegedaan.

Verdachte heeft [benadeelde 2] misleid door met haar af te spreken dat zij de helft zou krijgen van het bedrag dat door de klant zou worden betaald. [benadeelde 2] ontving echter een aanzienlijk lager bedrag dan hetgeen zij met verdachte en mededader [medeverdachte 1] had afgesproken. Wanneer [benadeelde 2] bekend was geweest met het feit dat zij slechts een zeer klein deel van het geld dat door klanten betaald werd zou krijgen, zou zij de werkzaamheden niet hebben verricht. Dit valt af te leiden uit haar eigen verklaring, waarin zij heeft gezegd ‘ik besloot toch weg te gaan omdat ik het gevoel had dat het er niet van zou komen dat ik mijn geld kreeg’.

De klanten betaalden aan verdachte en aan mededader [medeverdachte 1]. [benadeelde 2] ontving, zoals zojuist aangegeven, op haar beurt slecht een zeer klein bedrag van hen, hetgeen niet in verhouding stond tot het bedrag dat zij werkelijk verdiend had en hetgeen in strijd was met de tussen hen gemaakte afspraken. Voor zover door de verdediging in dit verband is aangevoerd dat uit de administratie van massagesalon ‘Oasis’ blijkt dat [benadeelde 2] gedurende de periode dat zij dat werkzaam was, is uitbetaald, overweegt de rechtbank dat [benadeelde 2] evenwel € 414,18 is uitbetaald, doch dat dit bedrag niet in verhouding staat tot het bedrag dat zij had moeten ontvangen, gelet op het aantal dagen dat zij heeft gewerkt en het aantal klanten die zij heeft ontvangen.

De rechtbank is, gelet op bovenstaande feiten en omstandigheden, van oordeel dat verdachte samen met zijn mededader [medeverdachte 1] [benadeelde 2] heeft misleid en heeft opgenomen binnen ‘Oasis’ met het oogmerk haar uit te buiten en tevens uit deze uitbuiting voordeel heeft getrokken, door een groot deel van het geld dat voor de door haar geleverde diensten werd betaald, niet aan haar te geven. Hiermee verkeerde [benadeelde 2] in een situatie die niet gelijk is aan de omstandigheden waarin een mondige prostitué(e) in Nederland pleegt te verkeren.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

Feit 1A primair

op tijdstippen in de periode van 01 augustus 2009 tot en met 13 oktober 2009 te Amersfoort, tezamen en in vereniging met anderen, telkens [benadeelde], door misbruik van een kwetsbare positie heeft opgenomen, met het oogmerk van uitbuiting van die [benadeelde] en opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die [benadeelde]

bestaande dat misbruik hieruit dat verdachte en zijn mededaders

- wisten dat die [benadeelde] schulden had, en

- wisten dat die [benadeelde] een verstandelijke beperking had, en wisten dat die [benadeelde]

(erg) beïnvloedbaar was, en

- wisten dat die [benadeelde] regelmatig verdovende middelen gebruikte, en

- die [benadeelde] op enig werkadres hebben ondergebracht.

Feit 2A primair

hij op tijdstippen in de periode van 01 februari 2009 tot en met 01 april 2009 te Amersfoort, tezamen en in vereniging met een ander, [benadeelde 2], door misleiding heeft opgenomen met het oogmerk van uitbuiting van die [benadeelde 2] en opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die [benadeelde 2]

bestaande die misleiding hieruit dat verdachte en zijn mededader die [benadeelde 2] van haar (prostitutie)verdiensten slechts een zeer klein deel hebben laten behouden.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Ten aanzien van feit 1A, primair en feit 2A, primair:

Telkens, mensenhandel, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een werkstraf voor de duur van 180 uren, subsidiair 90 dagen vervangende hechtenis en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier weken met een proeftijd van twee jaren.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft om integrale vrijspraak verzocht en geen strafmaatverweer gevoerd.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich samen met zijn mededader(s) schuldig gemaakt aan mensenhandel. Zo heeft verdachte twee meisjes laten werken in zijn massagesalon, alwaar de meisjes tegen betaling massages verrichtten waarbij klanten in sommige gevallen ook afgetrokken werden en waar het voor klanten ook mogelijk was ‘intiem’ contact te hebben met de meisjes. Klanten betaalden aan verdachte of één van zijn mededaders voor de diensten van de meisjes. In weerwil van hetgeen verdachte hieromtrent met [benadeelde 2] had afgesproken, ontving zij niet het bedrag waar zij recht op had. In het geval van [benadeelde] werd ten aanzien van de uitbetaling gebruik gemaakt van een verdeelstaat, waaruit blijkt dat ook zij slechts een gering bedrag ontving voor de door haar verrichte werkzaamheden. Daar komt, in het geval van [benadeelde] bij, dat verdachte misbruik heeft gemaakt van de kwetsbare positie waarin zij verkeerde, daar zij lijdende is aan een verstandelijke beperking, drugs gebruikte en schulden had. Juist omdat het hier om verkapte prostitutiewerkzaamheden ging, heeft verdachte door aldus te handelen een grote inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van de meisjes.

Verdachte en zijn mededader(s) hebben zich geen enkele rekenschap gegeven van de mogelijke gevolgen die de slachtoffers zouden ondervinden als gevolg van hun handelen. Zij hebben zich louter laten leiden door hun eigen financieel gewin. De rechtbank rekent hen dit ernstig aan.

Ten voordele van de verdachte houdt de rechtbank evenwel rekening met het feit dat er ruim tweeënhalf jaar is verstreken tussen de data waarop de feiten zijn gepleegd en de datum waarop de inhoudelijke behandeling ter terechtzitting heeft plaats gehad. Ook heeft de rechtbank acht geslagen op het feit dat de periode waarin de ten laste gelegde feiten zijn begaan van geringe duur is.

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat zijn bedrijf, in het kader van deze strafzaak, zijn deuren heeft moeten sluiten. Om die reden geniet verdachte al gedurende langere tijd geen inkomsten uit zijn onderneming, welke onderneming hij 16 jaren runde. Daarnaast heeft verdachte aangegeven dat de door hem ingediende, nieuwe, vergunningaanvraag is geweigerd en hij derhalve niet in staat is zijn onderneming nieuw leven in te blazen.

Met deze omstandigheden heeft de rechtbank eveneens ten voordele van verdachte rekening gehouden.

Voorts heeft de rechtbank rekening gehouden met het strafblad van verdachte d.d. 28 juni 2011, waaruit blijkt dat verdachte een first offender is.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor langere duur dan door de officier van justitie gevorderd –nu in deze vordering de ernst van de bewezen verklaarde feiten onvoldoende naar voren komt– passend en geboden is. De rechtbank ziet geen ruimte voor een andere of lichtere sanctie. Wel ziet de rechtbank aanleiding –gelet op het hierboven vermelde– deze geheel in voorwaardelijke vorm aan verdachte op te leggen. Met deze voorwaardelijke straf wordt beoogd verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

7 De benadeelde partij

7.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering van de benadeelde partijen [benadeelde] wordt toegewezen, zonder dat daarbij de schadevergoedingsmaatregel wordt opgelegd.

7.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] af te wijzen, daar verdachte van het feit, waar het schadebedrag betrekking op heeft, dient te worden vrijgesproken.

7.3 Het oordeel van de rechtbank

De benadeelde partij [benadeelde] vordert een schadevergoeding van € 75,00 bestaande uit kosten rechtsbijstand gemaakt in het kader van een getuigenverhoor afgelegd bij de rechter-commissaris d.d. 8 november 2011.

Weliswaar vordert de benadeelde partij kosten welke zijn gemaakt bij gelegenheid van een getuigenverhoor bij de rechter-commissaris waarvan vergoeding derhalve op andere wijze verkregen zou kunnen worden,, doch gelet op het geringe bedrag dat wordt gevorderd, is de rechtbank van oordeel dat dit bedrag voor vergoeding in aanmerking komt. Derhalve wordt de vordering van benadeelde partij [benadeelde] toegewezen.

8 Het beslag

8.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de goederen, op de beslaglijst genummerd 1 tot en met 14 en 16 tot en met 20, te retourneren aan verdachte. De in beslag genomen agenda, opgenomen op de beslaglijst onder nummer 15, dient geretourneerd te worden aan [getuige]. Het in beslag genomen geldbedrag à € 300,00, opgenomen onder nummer 21 dient verbeurd te worden verklaard. Alles aldus de officier van justitie.

8.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht alle op de beslaglijst opgenomen goederen, met uitzondering van de agenda opgenomen onder nummer 15, aan verdachte te retourneren.

8.3 Het oordeel van de rechtbank

8.3.1 De teruggave aan de rechthebbende

De rechtbank zal de teruggave gelasten van het hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerp, te weten een agenda, aan [getuige], omdat deze redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt.

8.3.1 De teruggave aan verdachte

De rechtbank zal de teruggave gelasten van - alle overige - hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen aan verdachte, aangezien deze voorwerpen niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en onder verdachte in beslag zijn genomen.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57 en 273f van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van de onder feit 1B en feit 2B tenlastegelegde feiten;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Ten aanzien van feit 1A, primair en feit 2A, primair:

Telkens, mensenhandel, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 4 (vier) maanden, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 (twee) jaar;

- bepaalt dat de voorwaardelijke straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

Beslag

- gelast de teruggave aan verdachte van de voorwerpen die op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst zijn genummerd 1 tot en met 14 en 16 tot en met 21;

- gelast de teruggave aan [getuige] van het voorwerp dat op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst is genummerd 15;

Benadeelde partijen

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde] van € 75,00, ter zake van materiële schade en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 8 november 2011 tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Wagenmakers, voorzitter, mr. P. Bender en mr. B. Vermeulen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.P. Stapel, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 14 december 2011.

Mr. B. Vermeulen is niet in de gelegenheid dit vonnis mee te ondertekenen.