Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BV0478

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
07-12-2011
Datum publicatie
10-01-2012
Zaaknummer
307898 - HA ZA 11-1212
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verkrijgende verjaring; erfgrens; mandeligheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handel en kanton

Handelskamer

zaaknummer / rolnummer: 307898 / HA ZA 11-1212

Vonnis van 7 december 2011

in de zaak van

1. [eiser sub 1],

wonende te [woonplaats],

2. [eiseres sub 2],

wonende te [woonplaats],

eisers,

advocaat mr. S.G. Volbeda te Arnhem,

tegen

1. [gedaagde sub 1],

wonende te [woonplaats],

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [woonplaats],

gedaagden,

advocaat mr. T.E.P.A. Lam te Nijmegen.

Partijen zullen hierna [eisers c.s.] en [gedaagden c.s.] worden genoemd.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 1 december 2010.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

De rechtbank verwijst naar en blijft bij de feiten zoals vastgesteld in het tussenvonnis van de rechtbank Arnhem van 1 december 2010. Verder stelt zij de volgende feiten vast.

2.1. Ruim 40 jaar geleden heeft [eisers c.s.] een coniferenhaag en houten bielzen geplaatst. Ook heeft zij destijds houten palen geplaatst aan de voor haar andere zijde van de coniferenhaag.

2.2. In 1976 is een kadastrale meting uitgevoerd met betrekking tot de gezamenlijke erfgrens tussen de percelen van [eisers c.s.] en (thans) [gedaagden c.s.]. De coniferenhaag staat vrijwel op de bij voornoemde meting vastgestelde kadastrale erfgrens. De bielzen zijn gelegen naast de kadastrale erfgrens aan de zijde van [gedaagden c.s.].

2.3. Enkele jaren geleden heeft [eisers c.s.] een deel van de houten bielzen vervangen door betonnen bielzen. In de loop van 2004 heeft [eisers c.s.] de houten palen vervangen.

2.4. Van 1984 tot 2 december 2004 waren de heer en mevrouw [naam] eigenaar van de woning gelegen aan de [adres] te [woonplaats].

3. De verdere beoordeling

De erfgrens

3.1. De rechtbank beoordeelt ten eerste het onderdeel van de vordering dat ziet op de verklaring voor recht ten aanzien van de vaststelling van de erfgrens.

3.2. [eisers c.s.] vordert de erfgrens zodanig vast te stellen dat de bielzen, het hekwerk en de houten palen de erfgrens zijn. Voor toewijzing hiervan is vereist dat [eisers c.s.] eigenaar is van de strook grond strekkend tot de bielzen, het hekwerk en de houten palen.

3.3. [eisers c.s.] stelt ter onderbouwing van haar vordering dat zij ruim 40 jaar geleden op zijn perceel een coniferenhaag heeft geplaatst. Tussen de coniferenhaag en het aangrenzende perceel was enige ruimte. Op deze plaats zijn op de erfgrens (zoals deze volgens [eisers c.s.] loopt) houten palen van 1.20 meter hoog geplaatst. Door deze houten palen was het voor [gedaagden c.s.], dan wel diens rechtsvoorgangers, niet mogelijk te komen op de strook grond tussen de garage en de coniferenhaag.

Tevens voert zij aan dat ruim veertig jaar geleden tegen de erfgrens (zoals deze volgens [eisers c.s.] loopt) houten bielzen met deels hierop een ijzeren hekwerk zijn geplaatst.

Aan de bielzen, het hekwerk en de coniferenhaag is sindsdien niets veranderd, behalve dat enkele jaren geleden de houten bielzen zijn vervangen door betonnen bielzen.

3.4. [gedaagden c.s.] voert ten eerste het verweer dat [eisers c.s.] niet heeft gesteld dat zij door verkrijgende verjaring eigenaar is geworden van voornoemde grond. [eisers c.s.] heeft enkel gesteld eigenaar te zijn geworden van het hekwerk en de coniferenhaag.

3.5. Aan dit verweer gaat de rechtbank voorbij. [eisers c.s.] heeft in het petitum van de dagvaarding vermeld een verklaring voor recht tot het vaststellen van de erfgrens te vorderen. In de dagvaarding heeft zij verder gesteld dat houten bielzen met daarop een hekwerk zijn geplaatst tegen de erfgrens en dat houten palen zijn geplaatst ter erfafscheiding. Tijdens de comparitie van partijen heeft zij gesteld dat zij bezitter is geworden van het stuk grond naast de garage.

De rechtbank kan het onderdeel van het petitum dat ziet op de verklaring voor recht met betrekking tot de erfgrens en de daarmee samenhangende stellingen van [eisers c.s.] niet anders begrijpen dan dat [eisers c.s.] vordert eigenaar te zijn geworden van de strook grond die strekt tot de bielzen, het hekwerk en de houten palen.

3.6. [gedaagden c.s.] voert tevens als verweer dat voor verkrijgende verjaring op grond van artikel 3:99 BW en artikel 3:105 BW inbezitneming is vereist. Het enkele onderhouden van de coniferenhaag is onvoldoende voor inbezitneming van de grond. [gedaagden c.s.] heeft uit de gedragingen van [eisers c.s.] niet hoeven opmaken dat zij pretendeert rechthebbende van de grond te zijn. [gedaagden c.s.] betwist tevens dat het hekwerk in 1970 op de bielzen is geplaatst.

3.7. Met betrekking tot vaststelling van de erfgrens overweegt de rechtbank het volgende. Vastgesteld kan worden dat de grond waarvan [eisers c.s.] rechthebbende stelt te zijn, op grond van de kadastrale meting bij het perceel van [gedaagden c.s.] hoort. Toch is het mogelijk dat [eisers c.s.] deze grond heeft verkregen. Voor verkrijging van de grond op basis van zowel artikel 3:99 BW als artikel 3:105 BW is inbezitneming van de grond vereist. De rechtbank zal dan ook als eerste beoordelen of de strook grond door [eisers c.s.] in bezit is genomen. Als dit niet het geval is, dan kan van verkrijging van de grond geen sprake zijn.

Artikel 3:107 BW bepaalt dat van bezit sprake is als een goed voor zichzelf wordt gehouden. Dit moet worden beoordeeld naar verkeersopvatting, de artikelen 3:109 BW tot en met 3:117 BW en op grond van uiterlijke feiten (artikel 3:108 BW). Voor deze beoordeling is onder meer artikel 3:113 lid 2 BW relevant. Dit artikel bepaalt dat enkele op zichzelf staande machtsuitoefeningen niet voldoende zijn voor inbezitneming.

3.8. De rechtbank acht in het onderhavige geval voor de vraag naar inbezitneming doorslaggevend of [eisers c.s.] macht uitoefent over de strook grond zodanig dat die macht kenmerkend is voor het bezit van de strook grond. Vereist is dat [gedaagden c.s.] niet meer als bezitter van de strook grond kan worden aangemerkt. Bij deze beoordeling moeten alle omstandigheden van het geval worden betrokken. Deze worden hieronder benoemd.

3.9. Ten eerste acht de rechtbank van belang dat uit de in het geding gebrachte foto’s blijkt dat de coniferenhaag en de bielzen met daarop het hekwerk een duidelijke erfafscheiding tussen de percelen zijn. De coniferenhaag is hoger dan de daarnaast gelegen garage en dicht begroeid. De bielzen met daarop het hek zijn minder hoog, maar betreffen een duidelijke erfafscheiding. Tussen partijen is in debat of het hekwerk reeds in 1970 is geplaatst. Ook zonder het hekwerk betreffen bielzen een duidelijke erfafscheiding. Op grond hiervan kan worden vastgesteld dat de strook grond een geheel met de tuin van [eisers c.s.] vormt en dat het niet voor de hand liggend is het perceel van [eisers c.s.] via het perceel van [gedaagden c.s.] te bereiken.

3.10. Een omstandigheid die de rechtbank ook van belang acht voor haar beoordeling is dat mevrouw [dochter], de dochter van de heer en mevrouw [naam] (de rechtsvoorgangers van [gedaagden c.s.]) verklaart dat de bielzen de erfafscheiding betreffen.

3.11. [gedaagden c.s.] heeft aangevoerd dat de bielzen alleen zijn geplaatst wegens het hoogteverschil. Dit verweer is zonder nadere onderbouwing onbegrijpelijk. Niet is gebleken dat tussen de percelen sprake is van een direct hoogteverschil. Voor zover van een hoogteverschil sprake is, is dit geleidelijk hoogteverschil. In geval van een geleidelijk hoogteverschil is het onlogisch dat de bielzen op een bepaalde plaats liggen enkel om die reden. Het verweer van [gedaagden c.s.] wordt verworpen.

3.12. Tevens is het onderhoud van de erfafscheiding een relevante omstandigheid.

[eisers c.s.] heeft gesteld dat zij ruim 40 jaar geleden de coniferenhaag en bielzen heeft geplaatst en deze sindsdien heeft onderhouden dan wel laten onderhouden door de heer [A], hovenier. Deze stelling wordt onderbouwd door een verklaring van de heer [A] alsmede door een verklaring van voornoemde [dochter].

[gedaagden c.s.] betwist bij gebrek aan wetenschap dat [eisers c.s.] de coniferenhaag heeft onderhouden in de periode dat [gedaagden c.s.] aldaar woonachtig was.

Gezien de uitdrukkelijke onderbouwde stellingen van [eisers c.s.] is de betwisting die gebaseerd is op ‘gebrek aan wetenschap’ onvoldoende. Vast staat dus dat [eisers c.s.] de coniferenhaag sinds de plaatsing ervan heeft onderhouden, in ieder geval tot [gedaagden c.s.] naast hem is gaan wonen in 2004.

3.13. Op grond van voornoemde omstandigheden overweegt de rechtbank als volgt.

Het aanleggen van een coniferenhaag en bielzen, met of zonder hekwerk, zijn daden waaruit blijkt dat [eisers c.s.] pretendeert bezitter te zijn van de strook grond die strekt tot deze erfafscheiding. Tevens heeft [eisers c.s.] de coniferenhaag onderhouden. Deze wijze van erfafscheiding is meer dan een enkele op zichzelf staande machtsuitoefening. [eisers c.s.] heeft zich naar buiten toe gedragen als bezitter van de strook grond en oefent hiermee zodanige macht over deze strook grond uit dat deze kenmerkend is voor het bezit ervan. [gedaagden c.s.] en diens rechtsvoorgangers zijn vanaf het moment van plaatsing van de erfascheiding krachtens verkeersopvattingen niet als bezitter van de strook grond aan de voor haar andere zijde van de coniferenhaag en bielzen aan te merken.

3.14. [eisers c.s.] vordert echter om de erfgrens zodanig te bepalen dat de houten palen de erfgrens zijn. Ter onderbouwing hiervan is door [eisers c.s.] gesteld dat tussen de coniferenhaag en de garage houten palen ter hoogte van 1.20 meter zijn geplaatst. Deze palen zouden voor [gedaagden c.s.] dan wel diens rechtsvoorgangers de doorgang vanaf hun perceel naar de achterzijde van de coniferenhaag beletten.

[gedaagden c.s.] heeft aangevoerd dat zij onlangs een aantal grindtegels tussen haar garage en de coniferenhaag heeft opgeslagen.

De rechtbank is van oordeel dat de houten palen niet als erfafscheiding dienen, omdat de coniferenhaag duidelijk de scheiding tussen de twee percelen markeert. Bovendien is de stelling van [eisers c.s.] dat de houten palen het voor [gedaagden c.s.] en diens rechtsvoorgangers onmogelijk maakt de achterkant van de coniferenhaag te bereiken onvoldoende onderbouwd. De palen zijn niet hoog en bovendien heeft [gedaagden c.s.] de mogelijkheid gehad om grindtegels te plaatsen tussen de palen en de coniferenhaag.

Derhalve kan niet worden gezegd dat [eisers c.s.] macht over de grond tussen de coniferenhaag en palen uitoefent zodanig dat die macht kenmerkend is voor het bezit van de strook grond. Het is dus niet zo dat [gedaagden c.s.] en diens rechtsvoorgangers door de plaatsing van palen niet meer als bezitter van de strook grond konden worden aangemerkt. [eisers c.s.] is derhalve geen bezitter geworden van de strook grond tussen de garage van [gedaagden c.s.] en de coniferenhaag.

3.15. Bovenstaande leidt tot de conclusie dat [eisers c.s.] de strook grond die vanaf de zijde van [eisers c.s.] strekt tot de coniferenhaag en bielzen in bezit heeft genomen vanaf het moment dat de coniferenhaag en bielzen zijn geplaatst in 1970.

3.16. Voor de vraag of dit bezit van de strook grond ertoe heeft geleid dat [eisers c.s.] tevens eigenaar van de strook grond is geworden geldt het volgende. Op grond van artikel 3:306 BW jo artikel 3:105 BW verjaart de rechtsvordering strekkende tot beëindiging van bezit van een niet-rechthebbende na twintig jaar. In casu hadden de rechtsvoorgangers van [gedaagden c.s.] derhalve een rechtsvordering op [eisers c.s.]. De termijn van verjaring van deze rechtsvordering is aangevangen op de dag volgend op die waarop [eisers c.s.] bezitter van de grond is geworden (artikel 3:314 lid 2 BW).

Door [eisers c.s.] is onweersproken gesteld dat voornoemde coniferenhaag en bielzen ruim veertig jaar voor 19 mei 2010 (datum van de dagvaarding) zijn geplaatst. De rechtbank neemt derhalve tot uitgangspunt dat [eisers c.s.] vanaf 19 mei 1970 als bezitter van de strook grond is aan te merken en dat de termijn van verjaring van de rechtsvordering op 20 mei 1970 is aangevangen.

Niet gesteld of gebleken is dat in de twintig jaar na 20 mei 1970 door de rechtsvoorgangers van [gedaagden c.s.] een rechtsvordering is ingesteld tot beëindiging van het bezit van de strook grond door [eisers c.s.]. Dit leidt ertoe dat deze rechtsvordering is verjaard op 19 mei 1990. [gedaagden c.s.] en diens rechtsvoorgangers hebben vanaf dat moment geen geldige rechtsvordering meer ten aanzien van [eisers c.s.]. [eisers c.s.] is daarmee naast bezitter ook eigenaar van de strook grond tot de bielzen en coniferenhaag (zoals weergegeven op productie 1 aan de zijde van [gedaagden c.s.]) geworden.

3.17. De rechtbank merkt nog op dat nu [eisers c.s.] op grond van artikel 3:306 BW jo artikel 3:105 BW eigenaar van de grond is geworden is de vraag of [eisers c.s.] te goeder trouw was niet van belang is. Dit vereiste wordt immers niet gesteld aan verjaring op grond van artikel 3:105 BW.

Eigendom van de coniferenhaag, de bielzen en het hekwerk

3.18. [eisers c.s.] heeft tevens gevorderd te verklaren voor recht dat de coniferenhaag en de betonbielzen met het daarop geplaatste hek eigendom van haar zijn. [gedaagden c.s.] heeft het verweer gevoerd dat deze goederen haar eigendom zijn, omdat ze op haar perceel zijn gelegen.

3.19. Artikel 5:62 BW bepaalt dat een hek of een heg gemeenschappelijk eigendom en mandelig is indien de grens van twee erven die aan verschillende eigenaars toebehoren er in de lengterichting onderdoor loopt.

3.20. Voorgaand heeft de rechtbank geoordeeld dat [eisers c.s.] eigenaar van de strook grond tot de bielzen en coniferenhaag is geworden. Dit brengt met zich dat de coniferenhaag en de bielzen zich bevinden op de thans geldende erfgrens.

Op grond van artikel 5:62 BW zijn de coniferenhaag en de bielzen met daarop het hekwerk derhalve gezamenlijk eigendom van [eisers c.s.] en [gedaagden c.s.] geworden. De vordering van [eisers c.s.] om voor recht te verklaren dat de coniferenhaag en de betonbielzen met het daarop geplaatste hek haar eigendom zijn, wordt derhalve afgewezen.

Schade

3.21. [eisers c.s.] vordert een schadevergoeding ter hoogte van

€ 1.525,00 wegens schade aan de coniferenhaag en het hekwerk. Ook vordert zij dat de rechtbank [gedaagden c.s.] gebiedt om zich te onthouden van het vernielen van de coniferenhaag en het hekwerk op straffe van een dwangsom van € 500,00 per gebeurtenis.

3.22. [eisers c.s.] stelt dat de coniferenhaag en het hekwerk door [gedaagden c.s.] onherstelbaar zijn vernield. De coniferenhaag is kaal gesnoeid en een deel van het hekwerk is verwijderd. [gedaagden c.s.] voert aan dat zij de coniferenhaag alleen heeft onderhouden en dat van het hek alleen een paar gevaarlijk uistekende punten zijn verwijderd.

3.23. [eisers c.s.] heeft de vernielingen onvoldoende onderbouwd. Zij heeft geen foto’s in het geding gebracht waaruit deze vernielingen blijken. In het licht van de betwisting van [gedaagden c.s.], kan derhalve niet worden vastgesteld dat de vernielingen (zoals [eisers c.s.] stelt) hebben plaatsgevonden.

Met betrekking tot hetgeen [gedaagden c.s.] erkent te hebben gedaan, geldt het volgende. Als mede-eigenaar van de coniferenhaag heeft zij het recht deze te snoeien. Tevens is [gedaagden c.s.] als mede-eigenaar gerechtigd gevaarlijke stukken van het hekwerk te verwijderen, voor zover dat redelijk is in het licht van het mede-eigendom van het hek van [eisers c.s.]. De vordering die strekt tot betaling van schadevergoeding wordt derhalve afgewezen.

De rechtbank ziet derhalve ook geen aanleiding voor een gebod aan [gedaagden c.s.] om zich te onthouden van het vernielen van de coniferenhaag en het hekwerk.

3.24. Aangezien elk van partijen als op enig punt in het ongelijk gesteld is te beschouwen, zullen de proceskosten worden gecompenseerd op de hierna te vermelden wijze.

4. De beslissing

De rechtbank

4.1. wijst de vordering van [eisers c.s.] om voor recht te verklaren dat de coniferenhaag en de betonbielzen met het daarop geplaatste hek haar eigendom zijn af;

4.2. verklaart voor recht dat de erfgrens tussen de percelen van [eisers c.s.] en [gedaagden c.s.] loopt op de plaats waar de bielzen en de coniferenhaag zich bevinden, zoals weergegeven op productie 1 aan de zijde van [gedaagden c.s.];

4.3. compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

4.4. verklaart dit vonnis voor zover uitvoerbaar bij voorraad;

4.5. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. Sap en in het openbaar uitgesproken op 7 december 2011.