Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BV0408

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
07-12-2011
Datum publicatie
09-01-2012
Zaaknummer
16/601001-11 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal met geweld en wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/601001-11 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 7 december 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1985] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats] (Roemenie),

thans gedetineerd in P.I.V. Huis van Bewaring Nieuwersluis te Nieuwersluis.

Raadsman mr. P.D. Popescu, advocaat te Amsterdam.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 23 november 2011, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte samen met een ander op 12 oktober 2011 een winkeldiefstal heeft gepleegd en vervolgens geweld heeft gebruikt tegen [benadeelde].

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 12 oktober 2011 een winkeldiefstal heeft gepleegd, gevolgd van geweld tegen [benadeelde] om zich de vlucht mogelijk te maken.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de omstandigheid dat het toegepaste geweld gepleegd is met het oogmerk om zich bij betrapping op heterdaad de vlucht mogelijk te maken. Verdachte verkeerde in de veronderstelling dat aangeefster haar geweld aan wilde doen; om zich daartegen te verweren, heeft verdachte aangeefster vervolgens gebeten. Voor het overige kan het aan verdachte ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen worden, alles aldus de raadsman.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het aan haar ten laste gelegde feit heeft begaan. Aangezien verdachte dit ten laste gelegde feit heeft bekend, voor zover de rechtbank dit bewezen acht, zal de rechtbank volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen dienaangaande.

- De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting d.d. 23 november 2011.

- De aangifte van [naam], namens Super de Boer te Amersfoort, d.d. 12 oktober 2011, inclusief bon weggenomen goederen.

- Het geschrift, te weten aan Aangifte Formulier Winkeldiefstal d.d. 12 oktober 2011.

- De aangifte van [benadeelde] d.d. 12 oktober 2011.

4.3.1 Aanvullende bewijsoverweging

Door de verdediging is aangevoerd dat verdachte niet het oogmerk heeft gehad geweld te gebruiken om aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken. De rechtbank is, anders dan de raadsman, van oordeel dat uit de feitelijke omstandigheden volgt dat verdachte [benadeelde] heeft gebeten om zichzelf de vlucht mogelijk te maken. Zo is door getuige [getuige] verklaard dat zij hoorde, op het moment dat verdachte de winkel verliet, dat de alarmpoortjes afgingen. Vervolgens is zij samen met een collega achter de verdachte aangelopen. Haar collega, [benadeelde], pakte de verdachte vast. Daarna zag zij dat verdachte [benadeelde] in haar pols beet. Ook aangeefster [benadeelde] heeft verklaard dat zij achter de verdachte aanrende, nadat zij de winkel verliet en het diefstalalarm afging. Zij pakte de verdachte bij haar jas vast, om verdachte tegen te houden. Hierop voelde zij dat de verdachte haar in haar pols beet.

De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte [benadeelde] geeft gebeten om te voorkomen dat zij zou worden aangehouden en aldus om zichzelf de vlucht mogelijk te maken.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 12 oktober 2011 te Amersfoort, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft

weggenomen diverse winkelgoederen (een haarborstel en reinigingsdoekjes en trostomaatjes) toebehorende aan supermarkt Super de Boer ([X]), welke diefstal werd gevolgd van geweld tegen [benadeelde] medewerkster van voornoemde supermarkt, gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken, welk geweld hierin bestond dat zij, verdachte, voornoemde [benadeelde] in haar pols heeft gebeten.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

Diefstal, gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die haar strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden met aftrek van het voorarrest.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat volgens de Oriëntatiepunten voor straftoemeting en LOVS-afspraken voor een misdrijf als het onderhavige een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden of een onvoorwaardelijke taakstraf van 180 uren is geïndiceerd. Gelet op de Aanwijzing taakstraffen van het college van procureurs-generaal, dient aan verdachte een taakstraf en geen gevangenisstraf te worden opgelegd.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft een aantal artikelen gestolen bij de Super de Boer. Een dergelijk feit brengt aanzienlijke schade met zich mee. Niet alleen lijdt de winkel schade doordat producten worden weggenomen, tevens zien winkeleigenaren zich steeds vaker genoodzaakt om maatregelen te treffen om diefstallen tegen te gaan, dan wel winkeldieven in de kraag te vatten. Ook dat brengt, naast de overlast die winkeldieven voor winkels en winkelend publiek veroorzaken, een grote kostenpost met zich mee.

Voorts heeft verdachte een medewerkster van de Super de Boer, die probeerde verdachte tegen te houden, gebeten. Een dergelijk feit maakt niet alleen inbreuk op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer, maar jaagt ook angst aan. Het is een feit van algemene bekendheid dat dergelijke feiten bijdragen aan gevoelens van onveiligheid. In dit verband hecht de rechtbank eraan op te merken dat een mensenbeet overigens een nare beet is in die zin dat dit verscheidene ziektes met zich mee kan brengen. Dit kan ook afgeleid worden uit de aangifte van het slachtoffer en de geneeskundige verklaring, waarin staat beschreven dat het slachtoffer naar aanleiding van het bijtincident een tetanusinjectie heeft gekregen.

De rechtbank heeft acht geslagen op het uittreksel Justitiële Documentatie van verdachte van 26 oktober 2011, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder in Nederland met justitie in aanraking is geweest.

Verdachte heeft geen persoonlijke omstandigheden naar voren gebracht die moeten leiden tot matiging van de bij dit soort delicten gebruikelijk op te leggen straf.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf noodzakelijk is. De rechtbank ziet, anders dan door de raadsman bepleit, geen ruimte voor een andere of lichtere sanctie. Wel ziet de rechtbank aanleiding een deel daarvan voorwaardelijk op te leggen. Met deze voorwaardelijke straf wordt beoogd verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten in Nederland te plegen.

7 De benadeelde partij

7.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] in zijn geheel toe te wijzen en daarbij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

7.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen.

7.3 Het oordeel van de rechtbank

De benadeelde partij [benadeelde] vordert een schadevergoeding van € 400,00 aan immateriële schade voor hetgeen aan verdachte ten laste is gelegd, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank is van oordeel dat de schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde is voldoende aannemelijk gemaakt zodat de vordering zal worden toegewezen vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 oktober 2011 en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 24c, 36f en 312 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Diefstal, gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken.

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 4 (vier) maanden, waarvan 2 (twee) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

Benadeelde partij

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde] van € 400,00 ter zake van immateriële schade en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 12 oktober 2011 tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde], € 400,00 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 8 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Voorlopige hechtenis

- heft het bevel voorlopige hechtenis op met ingang van het tijdstip waarop de duur van deze hechtenis gelijk wordt aan die van de onvoorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Bender, voorzitter, mr. J.R. Krol en mr. M.H.L. Schoenmakers, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.P. Stapel, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 7 december 2011.