Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BV0406

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
07-12-2011
Datum publicatie
09-01-2012
Zaaknummer
16/504189-10 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank is van oordeel dat verdachte zijn echtgenote heeft mishandeld door haar aan haar haren te trekken en in haar vinger te bijten. Hierdoor heeft de verdachte een inbreuk gemaakt op de lichamellijke intergriteit van zijn echtgenote.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/504189-10 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 7 december 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1988] te [geboorteplaats] (Marokko),

wonende te [adres], [woonplaats].

Raadsvrouwe mr. S.M. Krans-Den Hollander, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 23 november 2011, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 2 mei 2010 zijn echtgenote heeft mishandeld.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zijn echtgenote op 2 mei 2010 tegen haar gezicht heeft gestompt, tegen haar been heeft geschopt, haar heeft gebeten en haar aan de haren heeft getrokken, waardoor zijn echtgenote pijn heeft ondervonden en letsel heeft bekomen.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van hetgeen aan verdachte is ten laste gelegd. Hiertoe heeft de raadsvrouwe het volgende aangevoerd:

Er is onvoldoende bewijs in het dossier aanwezig om het opzet op het toebrengen van letsel van de zijde van verdachte bewezen te verklaren. In eerste instantie heeft [echtgenote] verklaard dat zij in meerdere vingers is gebeten. Er is echter geen letsel vastgesteld, anders dan een klein wondje. Voorts heeft [echtgenote] verklaard dat zij als eerste verdachte in zijn gezicht duwde. Verdachte heeft [echtgenote] voor die tijd met geen vinger aangeraakt.

Daarnaast dienen de verklaringen van [echtgenote] van het bewijs te worden uitgesloten, daar de door haar afgelegde verklaringen op veel punten niet met elkaar in overeenstemming zijn. Dan blijft enkel over de verklaring van verdachte en het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 1] en [verbalisant 2]. De inhoud van deze processen-verbaal leveren niet het wettig en overtuigend bewijs dat verdachte het aan hem ten laste gelegde feit heeft begaan. Alles aldus de verdediging.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat op grond van de inhoud van het dossier en het behandelde ter terechtzitting wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte op 2 mei 2010 zijn echtgenote [echtgenote] heeft mishandeld.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij op 2 mei 2010 in de woning aan de [adres] te [woonplaats] ruzie heeft gehad met zijn vrouw [echtgenote]. Aangeefster [echtgenote] heeft bij de politie verklaard dat zij op 21 juni 2009 voor de Nederlandse wet is getrouwd met verdachte. Zij is bij hem gaan wonen op de [adres] te [woonplaats]. Op 2 mei 2010 verklaarde zij bij de politie dat zij een woordenwisseling had gehad met verdachte. Zij drukte verdachte in zijn gezicht om hem naar achteren te duwen. Hierbij kwam haar rechter middelvinger in zijn mond terecht. Vervolgens voelde aangeefster dat verdachte in haar vinger beet. Dit deed pijn. Ook voelde aangeefster dat verdachte haar bij haar haren pakte en naar de grond probeerde te trekken. Op 31 oktober 2010 heeft aangeefster, in aanvulling op haar aangifte, verklaard dat zij tijdens het incident haren heeft verloren, toen verdachte aan haar haren trok. Door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2], werd op 2 mei 2010 in de woning aan de [adres] te [woonplaats] een grote pluk zwart haar aangetroffen op de vloer. Aangeefster vertelde hen op dat moment dat deze pluk tijdens de mishandeling door verdachte uit haar hoofd was getrokken. Voorts werd door verbalisant [verbalisant 3] waargenomen dat aangeefster een (vermoedelijke) bijtwond op de nagelriem van de middelvinger had.

Gelet op bovenstaande feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte zijn echtgenote [echtgenote] heeft mishandeld door haar aan haar haren te trekken en in haar vinger te bijten.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 02 mei 2010 in de gemeente Utrecht opzettelijk mishandelend zijn echtgenote, te weten [echtgenote],

- aan de haren heeft getrokken, en

- in een vinger heeft gebeten,

waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezen verklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

Mishandeling, begaan tegen zijn echtgenoot.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een werkstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen vervangende hechtenis, waarvan 60 uren, subsidiair 30 dagen vervangende hechtenis voorwaardelijk en met een proeftijd van twee jaren.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouwe heeft primair vrijspraak bepleit. Subsidiair heeft de raadsvrouwe verzocht de door de officier van justitie geëiste werkstraf geheel voorwaardelijk op te leggen.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zijn echtgenote mishandeld. Hoewel in het dossier kan worden gelezen dat er over en weer ruzie plaatsvond tussen verdachte en diens echtgenote, is het gedrag van verdachte in het licht hiervan excessief geweest. Door zijn echtgenote te bijten en aan haar haren te trekken heeft verdachte een inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van zijn echtgenote.

Voorts neemt de rechtbank het verdachte kwalijk dat hij, in weerwil van de bewijsmiddelen die zich in het dossier bevinden, geen verantwoordelijkheid neemt voor zijn handelen. Hierdoor acht de rechtbank de kans op herhaling aanwezig. Ter terechtzitting heeft verdachte evenwel aangegeven dat hij en zijn echtgenote thans in scheiding liggen. Toch, is de rechtbank van oordeel dat een deels voorwaardelijke straf passend is om de kans op dergelijk gewelddadig gedrag in een –mogelijk– toekomstige relatie in te perken.

De rechtbank heeft acht geslagen op het uittreksel Justitiële Documentatie van verdachte van 18 augustus 2011, waaruit blijkt dat verdachte in het verleden door de Kinderrechter is veroordeeld wegens openlijke geweldpleging.

Ten voordele van de verdachte houdt de rechtbank rekening met het feit dat er reeds anderhalf jaar is verstreken tussen de datum waarop het feit is gepleegd en de inhoudelijke behandeling ter terechtzitting.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een werkstraf passend en geboden is. Wel ziet de rechtbank, zoals reeds vermeld, aanleiding een deel daarvan voorwaardelijk op te leggen. Met deze voorwaardelijke straf wordt beoogd verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Mishandeling, begaan tegen zijn echtgenoot.

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 100 (honderd) uren, subsidiair 50 (vijftig) dagen vervangende hechtenis, waarvan 60 (zestig) uren, subsidiair 30 (dertig) dagen vervangende hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van deze werkstraf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Bender, voorzitter, mr. J.R. Krol en mr. M.H.L. Schoenmakers, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.P. Stapel, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 7 december 2011.