Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BV0214

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
23-11-2011
Datum publicatie
05-01-2012
Zaaknummer
200869 / HA ZA 05-1900
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2014:8611, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Arbeidsongeschiktheidsverzekering Bindende eindbeslissing vaststelling maatman.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handel en kanton

Handelskamer

zaaknummer / rolnummer: 200869 / HA ZA 05-1900

Vonnis van 23 november 2011

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. J.A.F. Boor te Utrecht,

tegen

de naamloze vennootschap

MOVIR N.V.,

gevestigd te Nieuwegein,

gedaagde,

advocaat mr. E.J. Wervelman te Utrecht.

Partijen zullen hierna [eiser] en Movir genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 2 december 2009

- de akte van deponering deskundigenrapport door verzekeringsarts mr. drs G.J. Kruithof (hierna: Kruithof) van 26 mei 2010,

- het proces-verbaal van - bij mondeling vonnis bepaalde - comparitie van partijen van 12

mei 2011,

- de akte van deponering deskundigenrapport door ing. F. Bosscher (hierna: Bosscher) van 17 mei 2011,

- de conclusie na deskundigenbericht van [eiser] van 15 juni 2011,

- de antwoordconclusie na deskundigenbericht van Movir 7 juli 2011.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1 De Rechtbank verwijst voor de weergave van de feiten naar het tussenvonnis van 18 juli 2007. De feiten worden als volgt aangevuld.

2.2 In het op 5 juni 2009 ingediende rapport van prof. dr. G.B. Snow (hierna: Snow)

van 5 juni 2009 is ter beantwoording van de vragen 6 tot en met 9 uit het tussenvonnis van deze rechtbank van 18 juni 2007 (onder meer) opgenomen:

“De ziekte van Ménière is een chronische ziekte die gekenmerkt wordt door aanvallen van draaiduizeligheid, slechthorendheid en oorsuizen. De ziekte is bij [eiser] in 1999 begonnen met oorsuizen rechts, de eerste aanval van draaiduizeligheid heeft zich in 2000 voorgedaan en daarna is het gehoor aan het rechter oor verminderd. De duizeligheidsaanvallen hebben zich vervolgens herhaald. Het oorsuizen en de slechthorendheid zijn permanent aanwezig sinds respectievelijk 1999 en 2000 tot heden. Dit wordt bevestigd door de uitkomsten van het gehooronderzoek, dat in de loop der jaren is verricht (in 2000 door Dr. Hageman te Haarlem, in 2001 en 2004 door Dr. Goverts te Amsterdam, en in 2009 door mij in SLAZ te Amsterdam; bij vergelijking van de gehooronderzoeken uit 2000, 2001, 2004 en 2009 blijkt overigens geen duidelijke progressie van het gehoorverlies. De beperkingen welke [eiser] bij de beroepsuitoefening van advocaat heeft ondervonden cq. ondervindt, waren cq. zijn vooral een gevolg van het suizen en het gehoorverlies aan het rechter oor en in mindere mate van de aanvallen van draaiduizeligheid. Het gehoorverlies gaat gepaard met discriminatieverlies bij het spraakverstaan. Een en ander maakt dat de beroepsuitoefening van [eiser] veel meer inspanning vraagt, hetgeen tot snellere vermoeidheid en daarmee de verminderde belastbaarheid leidt, dan het geval was voor de ziekte van Ménière zich bij hem voordeed.”

2.3 In de rapportage van verzekeringsarts mr. drs. G.J. Kruithof (hierna: Kruithof) van 12 mei 2010 is onder “beschouwing en conclusie” het volgende opgenomen:

“Ondergetekende constateert dat er sprake is van een klachtenpatroon bestaande uit oorsuizen en een verminderd gehoor aan het rechteroor in de vorm van perceptief gehoorverlies toenemend in de hoge tonen.

Ondergetekende constateert dat het klachtenpatroon en de onderzoeksbevindingen zoals omschreven in het rapport door verzekeringsarts Knepper d.d. 16 januari 2011 en het deskundige rapport opgesteld door prof. dr. G.B. Snow d.d. 5 juni 2009 in essentie niet afwijken van de onderzoeksbevindingen ten tijde van het deskundigen-onderzoek d.d. 5 maart 2010.

(…)

Evenals deskundige Snow is ondergetekende van mening dat het klachtenpatroon past bij het syndroom van Ménière.

Op basis van de onbderzoeksbevindingen van deskundige Snow en op basis van de onderzoeksbevindingen van ondergetekende d.d. 5 maart 2010 is ondergetekende van mening dat patiënt ten gevolge van gehoorklachten rechts bestaande uit oorsuizen en verminderd gehoor is aangewezen op werkzaamheden in een rustige omgeving.

Verder is er sprake van een gehoorverlies variërend van 20 tot 50 decibel in de hoge tonen rechts patiënt heeft dan ook beperkingen ten aanzien van werkzaamheden die een ongestoord gehoor vereisen.

(…)

Met betrekking tot de werkzaamheden bestaande uit gesprekken in een rustige omgeving waarbij patiënt met maximaal 2 gesprekspartners in gesprek is, zijn er onvoldoende argumenten om bij inachtneming van de bovenstaande beperkingen van toepassing te achten.

Met betrekking tot werkzaamheden bestaande uit gesprekken met meer dan 2 gesprekspartners adviseert ondergetekende uit te gaan van een tempoverlies van 30%-40% hiermee bedoelend dat een dergelijk gesprek,wanneer daar de mogelijkheid voor bestaat, 30 - 40% meer tijd vergt of dat patiënt na een gesprek met meer dan 2 gesprekspartners te hebben gevoerd aan pauze behoeft overeenkomend met maximaal de duur van het gevoerde gesprek. Ondergetekende denkt hierbij aan zittingen bij de Rechtbank waarbij patiënt zelf geen / beperkte invloed heeft op het tempo – duur van het gesprek.

Bovengenoemde beperkingen kunnen geïndiceerd geacht worden vanaf 13 september 2004.

Evenals deskundige Snow is ondergetekende niet in staat een onderscheid te maken voor wat betreft de beperkingen tussen de periode van 13 september 2004 tot 29 augustus 2005 en vanaf 29 augustus 2005.

Bij inachtneming van de genoemde beperkingen zijn er geen argumenten om restricties met betrekking tot het arbeidspatroon van toepassing te achten.

(…)”

2.4 In de rapportage van arbeidsdeskundige Bosscher is onder “Conclusies” (onder meer) opgenomen:

Als gevolg van de beperkingen op de heer [eiser] zijn belastbaarheid is hij gedeeltelijk arbeidsongeschikt voor zijn eigen beroep.

Het arbeidsongeschiktheidspercentage voor het eigen beroep bedraagt van 13 september 2004 tot 29 augustus 2005 19,2%.

(…)

De heer [eiser] is het niet eens met de uitkomsten van het onderzoek, daar hij zich niet kan verenigen met de door mij te volgen belastbaarheid en door mij te volgen maatman.

De heer [eiser] acht zich niet geschikt voor gesprekken / bijeenkomsten waaraan meer dan één andere persoon dan de heer [eiser] deelneemt.”

3. Het geschil

3.1 Voor de (oorspronkelijke en huidige) weergave van het geschil verwijst de Rechtbank naar het tussenvonnis van 18 juli 2007.

4. De verdere beoordeling

4.1 Uit voornoemd tussenvonnis blijkt dat tussen partijen thans nog in geschil is of [eiser] in de periode 13 september 2004 tot 29 augustus 2005 (hierna: de periode) arbeidsongeschikt was en zo ja, wat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid was in die periode. Deze vraag is van belang in verband met het door [eiser] gestelde recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering in die periode en het daarvoor gehanteerde arbeidsongeschiktheidscriterium zoals weergegeven in artikel 2.1 van de vVv.

Blijkens dit artikel is van arbeidsongeschiktheid uitsluitend sprake “indien er in directe relatie tot ziekte of ongeval objectief medisch vast te stellen stoornissen bestaan, waardoor de verzekerde voor ten minste 25% beperkt is om de werkzaamheden verbonden aan het in de polis omschreven beroep te verrichten. (…)”. De Rechtbank heeft in verband daarmee een arts (laatstelijk Snow), een verzekeringsarts/medisch adviseur (laatstelijk Kruithof) en een arbeidsdeskundige (Bosscher) benoemd teneinde deskundigenberichten uit te brengen.

4.2 Uit de rapportage van artsdeskundige Snow blijkt dat [eiser] sinds 1999 aan de ziekte van Ménière leidt en als gevolg daarvan last heeft van de daarbij behorende klachten, waarbij de beperkingen welke [eiser] bij de beroepsuitoefening van advocaat ondervindt vooral een gevolg zijn van het suizen en het gehoorverlies aan het rechter oor en in mindere mate van de aanvallen van draaiduizeligheid. Ook verzekeringsarts Kruithof is van mening dat sprake is van Ménière, en dat dit, gelet op oorsuizen en gehoorverlies, in de periode leidt tot beperkingen bij werkzaamheden bestaande uit gesprekken met meer dan 2 gesprekspartners. Bosscher ten slotte concludeert - met inachtneming van de rapportages van beide voornoemde artsen - in zijn deskundigenbericht tot een arbeidsongeschiktheid van 19,2 %.

4.3 [eiser] heeft in zijn conclusie na eerste deskundigenbericht van 7 oktober 2009 geen bezwaren geuit tegen de inhoud van het deskundigenbericht van Snow. Tegen de conclusies in het concept deskundigenbericht van Kruithof heeft hij echter, blijkens zijn daarbij gevoegde brieven van 8 april 2010 en 20 april 2010, aangevoerd dat Kruithof ten onrechte niet is ingegaan op de door hem gemelde vermoeidheidsverschijnselen en de gevolgen daarvan. Ook zou Kruithof ten onrechte hebben geconcludeerd dat er bij slechts één gesprekspartner geen beperkingen zijn in het functioneren. Ten slotte zou niet zijn meegewogen dat [eiser] ten gevolge van het oorsuizen de gehele dag een lager werktempo heeft. De rechtbank ziet - gelet op de nadere reactie van Kruithof op deze punten - echter geen reden om de eindconclusie van Kruithof niet te volgen. Kruithof heeft ten aanzien van de vermoeidheidklachten immers uitgelegd dat er onvoldoende aanleiding is om nog beperkingen geïndiceerd te achten ten gevolge van eventuele vermoeidheidklachten, gelet op de reeds geïndiceerd geachte beperkingen. Voorts heeft hij voor wat betreft de beperkingen bij een gesprek met minimaal twee gesprekspartners - naast de eigen onderzoeksbevindingen - begrijpelijkerwijs de werkzaamheden van [eiser] bij een lokale politieke partij meegewogen. Ten slotte heeft Kruithof voldoende nader toegelicht dat hij onvoldoende argumenten had om bij inachtneming van de geconstateerde beperkingen - gelet op het ongestoorde dagverhaal zoals opgenomen in de rapportage - nog andere restricties met betrekking tot het werktempo van toepassing te achten.

4.4 Movir heeft in haar brief van 19 augustus 2009 een aantal gebreken aangevoerd die

zouden kleven aan de wijze van totstandkoming van het deskundigenbericht van Snow, alsmede dat dit rapport inhoudelijk meer vragen oproept dan het beantwoordt, met name voor wat betreft de beperkingen in functioneren van [eiser] in de periode. Movir heeft bij brief van 27 april 2010 eveneens bezwaar aangevoerd tegen de wijze van totstandkoming van het deskundigenbericht van Kruithof. De rechtbank zal op deze bezwaren - indien en voor zover dat niet reeds is gebeurd in het tussenvonnis van 2 december 2009 - niet nader (hoeven) ingaan. Uit de rapportage van arbeidsdeskundige Bosscher, die mede gebaseerd is op informatie uit de door Movir (deels) bestreden rapportages van Snow en Kruithof, blijkt immers dat slechts sprake is van een arbeidsongeschiktheidspercentage van 19,2. Dit betekent dat de door Snow en Kruithof geconstateerde beperkingen hoe dan ook niet hebben geresulteerd in een arbeidsongeschiktheidspercentage dat recht geeft op uitkering, terwijl de rechtbank voorts geen aanleiding ziet om die conclusie van Bosscher niet te volgen. De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

4.5 [eiser] heeft bij akte gereageerd op de rapportage van arbeidsdeskundige Bosscher en aangevoerd dat de rechtbank en - dientengevolge - Bosscher een onjuiste maatman hebben vastgesteld in het tussenvonnis van 18 juli 2007. Hij voert daartoe - kort gezegd - aan dat de arbeidsdeskundige die destijds de betreffende maatman heeft vastgesteld, ten onrechte geen rekening heeft gehouden met extra door [eiser] gewerkte uren gedurende weekend-/piketdiensten, de daaruit voortvloeiende voorgeleidingen bij de rechter-commissaris, de raadkamer en bezoeken aan politiebureaus/ huizen van bewaring. Deze activiteiten werden in de periode 1997 - 1999 nog niet in urenstaten en de agenda’s opgenomen, terwijl Movir, althans de door haar ingeschakelde arbeidsdeskundige Jonker-Castricum, daarvan wel weet had, aldus [eiser]. [eiser] stelt dat deze nieuwe informatie er toe noopt dat de rechtbank op haar standpunt terugkomt betreffende de vaststelling van de maatman en Bosscher opdracht geeft om een nieuwe rapportage te maken.

4.6 De rechtbank kan [eiser] niet volgen in dit betoog. Naar het oordeel van de rechtbank is de vaststelling van de maatman in het tussenvonnis van 18 juli 2007 een bindende eindbeslissing, zoals ook aldaar opgetekend. Slechts indien blijkt dat deze bindende eindbeslissing berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag, is de rechtbank in het kader van de eisen van een goede procesorde bevoegd om - na het uitlaten van partijen daarover - over te gaan tot heroverweging van die eindbeslissing (HR 25 april 2008, NJ 2008, 553). Van een dergelijke onjuiste feitelijke of juridische grondslag is in casu echter geen sprake, zodat voor het opnieuw vaststellen van [eiser] maatman geen plaats is. [eiser] heeft zich immers eerder in deze procedure beroepen op de arbeidsdeskundige rapportage van Jonker-Castricum waarin zij concludeerde tot een - door de rechtbank overgenomen - maatman van 2415 uur per jaar. Bij de berekening daarvan heeft Jonker-Castricum zich gebaseerd op de door [eiser] zelf aan arbeidsdeskundige Bleumink opgegeven uren, wiens rapportage [eiser] zelf ook zonder enige opmerking betreffende eventuele onjuistheid van de hoeveelheid uren bij dagvaarding heeft ingebracht. Indien en voor zover Jonker-Castricum niet tevens de declarabele uren voor piketdiensten heeft meegenomen terwijl zij daarvan wel weet had, had het op de weg van [eiser] gelegen om de door haar gehanteerde maatman direct te betwisten. [eiser] heeft dat echter nagelaten, terwijl voorts ook niet gesteld of gebleken is dat [eiser] eerst na het vonnis van 18 juli 2007 heeft kunnen kennisnemen van het niet meenemen van de piketdiensten voor de berekening van de maatman. Daarbij komt dat naar het oordeel van de rechtbank [eiser] het door hem voorgestane aantal meeruren niet gesubstantieerd heeft. Gelet op de voorgaande overwegingen, met name dat door de diverse arbeidsdeskundigen is uitgegaan van door [eiser] zelf verschafte gegevens, had dat wel op zijn weg gelegen. Daar komt voorts nog bij dat de door [eiser] overgelegde afrekeningen rekening-courant voor de Raad voor de Rechtsbijstand uit 2002 niet aantonen dat [eiser] een vergelijkbaar aantal - toen nog niet in de agenda en urenstaten opgenomen - uren in straftoevoegingszaken heeft verricht in de periode 1997 - 1999. Er kan daarom niet gesproken worden van een onjuiste feitelijke grondslag . Aan de overige bezwaren van [eiser] tegen de rapportage van Bosscher zal de rechtbank geen doorslaggevend belang toekennen, nu deze te weinig concreet zijn in die zin, dat daaruit niet kan worden afgeleid of een andere insteek van Bosscher dienaangaande tot een arbeidsongeschiktheid van minimaal 25% had geleid.

4.7 Onder verwijzing naar voorgaande overwegingen is de rechtbank van oordeel dat er geen sprake is van op uitkering recht gevende arbeidsongeschiktheid bij [eiser]. Aan het verweer van Movir dat zij [eiser] van een eventueel recht op uitkering mag uitsluiten (in verband met het gestelde niet over leggen van alle noodzakelijke geachte gegevens die voor de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid of van de uitkering van belang zijn) komt de rechtbank daarom niet meer toe. De vorderingen van [eiser] zullen worden afgewezen.

4.8 [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten voor deskundigenbericht zijn berekend door het geheel van de door beide partijen betaalde kosten te delen door twee, nu ieder van de partijen voor een gelijk deel heeft bijgedragen aan die kosten.

De kosten aan de zijde van Movir worden gelet op het voorgaande begroot op:

- griffierecht € 244,00

- deskundigen €5.720,93

- salaris advocaat €1.130,00 (2,5 punten × tarief € 452,00)

Totaal €7.094,93

5. De beslissing

De rechtbank

5.1 wijst de vorderingen af,

5.2 veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van Movir tot op heden begroot op EUR 7.094,93,

5.3 verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.S. Penders en in het openbaar uitgesproken op 23 november 2011.(