Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BV0213

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
09-11-2011
Datum publicatie
05-01-2012
Zaaknummer
304126 / HA ZA 11-632 KB 4009
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzekeringsovereenkomst Auto Diefstal Uitsluitingsgrond Opzettelijk onware of onvolledige mededelingen gedaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handel en kanton

Handelskamer

zaaknummer / rolnummer: 304126 / HA ZA 11-632 KB 4009

Vonnis van 9 november 2011

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. C.P. Zwaanswijk te Den Haag

tegen

naamloze vennootschap

ASR SCHADEVERZEKERING N.V.,

gevestigd te Utrecht,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. E.J.A.A. van Dal te Arnhem.

Partijen zullen hierna [eiser] en ASR genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Voor het verloop van de procedure verwijst de rechtbank naar het tussenvonnis van 1 juni 2011. Daarna heeft [eiser] de conclusie van antwoord in reconventie ingediend.

De comparitie na antwoord is gehouden op 27 september 2011. Daarvan is aantekeningen gehouden. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten in conventie en in reconventie

2.1. Op 31 oktober 2008 heeft [eiser] telefonisch - via een assurantietussenpersoon - een verzekeringsovereenkomst gesloten met ASR ter zake van een personenauto van het merk BMW met kenteken [kenteken] (hierna: de BMW).

2.2 Op deze verzekeringsovereenkomst zijn de Algemene Voorwaarden Voordeelpakket (hierna: AV) en de Casco Voorwaarden (hierna CV) van toepassing.

Artikel 6 aanhef en lid 5 AV luidt als volgt:

“Wij verlenen geen dekking voor schade: (…)

5. als de verzekerde over een schade, ongeval of gebeurtenis opzettelijk onware of onvolledige mededelingen doet of laat doen.”

2.3 De BMW is op 17 februari 2009 op naam van [eiser] overgeschreven.

2.4 Op 9 april 2009 heeft [eiser] aangifte gedaan van diefstal van de BMW op of omstreeks 8 april 2009.

2.5 [eiser] heeft naar aanleiding van de gestelde diefstal van de BMW ASR op basis van de verzekeringsovereenkomst aangesproken tot vergoeding van schade tot een hoogte van € 11.500.

2.6 In opdracht van ASR heeft Dekra Automotive B.V. (hierna: Dekra) een onderzoek ingesteld naar de omvang en de toedracht van de door [eiser] gestelde diefstal. In het kader van dat onderzoek heeft Dekra op 21 april 2009 en 4 juni 2009 gesproken met [eiser]. Dekra heeft de resultaten van dat onderzoek opgenomen in een rapport d.d. 24 juli 2009.

2.7 Dekra heeft voorts een aanvullend (sleutel)onderzoek verricht voor ASR. Ook Daarvan is een rapport opgesteld.

2.8 ASR heeft - ondanks herhaalde verzoeken daartoe - tot op heden geweigerd om de geclaimde schade aan [eiser] uit te keren.

3. Het geschil

in conventie

3.1. [eiser] vordert samengevat - veroordeling van ASR tot betaling van 11.500,-- ter zake van geleden schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 maart 2011 tot de voldoening, alsmede betaling van de proceskosten aan de zijde van [eiser]. [eiser] legt - kort gezegd - aan zijn vordering ten grondslag dat ASR op grond van de tussen partijen gesloten verzekeringsovereenkomst gehouden is de door hem geleden schade als gevolg van diefstal van de BMW te vergoeden.

3.2. ASR heeft - kort samengevat - het navolgende verweer gevoerd.

Allereerst was [eiser] ten tijde van het aangaan van de verzekeringsovereenkomst geen eigenaar van de BMW, althans hij had geen belang bij deze auto, nu de auto eerst op 17 februari 2009 op zijn naam is overgeschreven (artikel 7:946 lid 1 BW). Dientengevolge is de overeenkomst tussen partijen direct beëindigd (artikel 5 lid 3 AV). Voor zover hieraan voorbij wordt gegaan acht ASR de gestelde (wijze van) diefstal van de BMW onvoldoende aannemelijk. Ten slotte wijst ASR er op dat door en/of namens [eiser] ten aanzien van de achtergrond, toedracht en/of omvang van de diefstalschade opzettelijk onware opgaven zijn gedaan, die ASR het recht geven [eiser] van dekking uit te sluiten op grond van artikel 6 aanhef en lid 5 AV.

3.3. Op de (overige) stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang voor de beoordeling, nader ingegaan.

in reconventie

3.4. ASR vordert samengevat - veroordeling van [eiser] tot betaling van EUR 1.711,22 aan door DEKRA gemaakte expertisekosten, vermeerderd met de rente vanaf 18 mei 2011 en de proceskosten aan de zijde van ASR. ASR legt aan haar vordering ten grondslag dat [eiser] tot (terug)betaling van deze kosten is gehouden op grond van de polisvoorwaarden (artikel 5 lid 2 sub e jo 6 lid 5 AV in combinatie met artikel 25 CV jo 10 BV), dan wel dat Mafhoudi op grond van een onrechtmatige daad in de vorm van gepleegde verzekeringsfraude en/of op grond van een toerekenbare tekortkoming daartoe is gehouden.

3.5. [eiser] voert verweer. Op dit verweer wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

in conventie

4.1. Voor het geval dat de verzekeringsovereenkomst tussen partijen niet direct na sluiting weer is geëindigd vanwege een gebrek aan belang, en dat de gestelde diefstal van de BMW daadwerkelijk heeft plaatsgevonden, heeft ASR zich beroepen op de uitsluitingsgrond zoals opgenomen in artikel 6 aanhef en lid 5 AV. Dit artikel bepaalt dat er geen dekking voor schade wordt verleend als een verzekerde over een schade, ongeval of gebeurtenis opzettelijk onware of onvolledige mededelingen heeft gedaan of heeft laten doen. De kantonrechter zal dit verweer van ASR als eerste beoordelen.

4.2. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft ASR voldoende aangetoond dat [eiser] opzettelijk onware althans onvolledige mededelingen aan haar heeft gedaan betreffende de schade als gevolg van de gestelde diefstal. Daartoe wordt als volgt overwogen.

4.2.1 Allereerst moet de kantonrechter het er voor houden dat [eiser] het aanvraagformulier voor de verzekering - dat eerst op 9 februari 2009 wordt ontvangen door ASR - onjuist heeft ingevuld. Vooropgesteld wordt daarbij dat de kantonrechter er van uit gaat dat [eiser] het aanvraagformulier zelf heeft ingevuld, nu hij dat ter zitting onvoldoende heeft weersproken en voorts ook niet heeft betwist dat zijn handtekening daarop staat. Op het aanvraagformulier is ingevuld dat het kenteken van de BMW vanaf 31 oktober 2009 op naam van [eiser] zou staan, terwijl uit de als productie 3 bij antwoord in conventie overgelegde uitdraai van het RDW blijkt - en ook overigens niet is weersproken - dat het betreffende kenteken pas sinds 17 februari 2009 op naam van [eiser] staat. De kantonrechter moet het er - nu voor een wijziging van de tenaamstelling medewerking van [eiser] noodzakelijk is - voor houden dat laatstgenoemde met opzet een eerdere, en daarmee verkeerde, datum van tenaamstelling heeft opgegeven.

4.2.2 Voorts blijkt uit de door [eiser] niet betwiste inhoud van het rapport van Dekra d.d. 24 juli 2009 dat het verhaal over de aankoop van de BMW in eerste instantie

opzettelijk verkeerd althans onvolledig door hem is verteld. [eiser] heeft immers in eerste instantie op 21 april 2009 tegenover een onderzoeker van Dekra verklaard dat hij de BMW op 17 februari 2009 voor € 11.500,-- heeft gekocht van een hem onbekende man uit Den Haag. Vervolgens heeft [eiser], geconfronteerd met de eerdere ingangsdatum van de verzekeringspolis (31 oktober 2008), echter een heel andere versie van de gebeurtenissen betreffende de aankoop van de BMW gegeven. In tweede instantie verklaart hij immers aan Dekra dat hij al eerder contact had gehad met de verkoper (de[A]] hierna [A]) en toen een aanbetaling heeft gedaan van € 750,--. De rest van het aankoopbedrag zou [eiser] echter nog niet bij elkaar hebben gespaard. De BMW zou in het bezit van Dadhoudi blijven, maar laatstgenoemde zou daarin niet rijden. [eiser] zou desondanks hebben afgesproken al een verzekering voor de BMW te zullen regelen. Dit in tweede instantie vertelde verhaal betreffende de aankoop is naar het oordeel van de kantonrechter volstrekt ongeloofwaardig, nu het uiterst onlogisch is om een auto te kopen van een onbekende man die in beginsel (nog) niet gebruikt kan worden, maar waarvoor al wel een verzekering moet worden afgesloten.

4.2.3 Verder heeft [eiser] ter zitting verklaard dat hij [A] wel kende via zijn broer. Ook heeft hij ter zitting niet weersproken dat hij al eerder een auto bij [A] heeft gekocht, althans het kenteken op zijn naam heeft gehad. Dat laatste blijkt ook uit de als productie 4 bij antwoord in conventie overgelegde uitdraai van het RDW. Uit het voorgaande dient de conclusie te worden getrokken dat [eiser] op 21 april 2009 opzettelijk onjuist heeft verklaard aan Dekra door te melden dat hij de BMW van een hem onbekende man heeft gekocht.

4.2.4 Ook heeft [eiser] tijdens het gesprek met Dekra op 21 april 2009 gemeld dat de kilometerstand van de BMW ongeveer 235.000 kilometer bedroeg. Deze verklaring komt naar voren in het verslag van Dekra betreffende het gesprek met [eiser] op 4 juni 2009. Uit - door [eiser] niet weersproken - sleutelonderzoek door Dekra is echter gebleken dat via het uitlezen van de sleutels van de BMW een kilometerstand van 303.567 naar voren is gekomen. Gelet op het voorgaande staat vast dat [eiser] een onjuiste kilometerstand heeft opgegeven aan Dekra, nog daargelaten dat Dekra in haar rapport naar aanleiding van het sleutelonderzoek concludeert dat de kilometerstand van de BMW waarschijnlijk is gemanipuleerd.

4.2.5 Ten slotte heeft [eiser] in eerste instantie aan ASR laten weten dat de (kapotte) portemonneesleutel ten tijde van de diefstal in de BMW lag. Nu deze sleutel later opdook zonder dat daarvoor een duidelijke verklaring is gegeven, moet de kantonrechter het er voor houden dat ook de initiële verklaring van [eiser] aan ASR over voornoemde sleutel onjuist is geweest.

4.3 Gelet op hetgeen onder 4.2.1 tot en met 4.2.3 is overwogen slaagt het beroep van ASR op de uitsluitingsgrond zoals opgenomen in artikel 6 aanhef en lid 5 AV. De rechtbank kan dus in het midden laten of [eiser] de onder 4.2.4 en 4.2.5 genoemde opgaven al dan niet opzettelijk onjuist heeft gedaan. Nu het beroep op de uitsluitingsgrond slaagt behoeven de overige verweren van ASR geen behandeling meer en zal de vordering van [eiser] worden afgewezen.

4.4. [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van ASR worden begroot op:

- griffierecht € 568,00

- salaris advocaat 904,00 (2,0 punten × tarief EUR 452,00)

Totaal € 1.472,00

in reconventie

4.5. Bij de beoordeling van de vordering tot vergoeding van de gemaakte expertisekosten wordt vooropgesteld dat de voornoemde kosten dienen te worden gekwalificeerd als buitengerechtelijke kosten. Voor toekenning van deze buitengerechtelijke kosten dient er sprake te zijn van een wettelijke verplichting tot betaling van schadevergoeding op grond van, bijvoorbeeld, een toerekenbare tekortkoming of een onrechtmatige daad (HR 18 februari 2005, JOL 2005, 116).

4.6 Uit de procedure in conventie is reeds gebleken dat [eiser] opzettelijk onware opgaven heeft gedaan aan ASR betreffende de diefstal van de BMW. Deze onware opgaven zijn te kwalificeren als een onrechtmatige daad, althans toerekenbare tekortkoming, als gevolg waarvan ASR schade heeft geleden in de vorm van gemaakte kosten voor het laten opmaken van een expertiserapport. Dientengevolge zal de vordering in reconventie worden toegewezen.

4.7. De gevorderde (wettelijke) rente over de expertisekosten ligt eveneens voor toewijzing gereed, nu [eiser] ter zake (zonder ingebrekestelling) in verzuim is komen te verkeren (artikel 6:83 sub b BW) en deze vordering ook overigens niet is weersproken door [eiser].

4.8. [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van ASR worden begroot op:

- salaris advocaat € 452,00 (2,0 punten × factor 0,5 × tarief EUR 452,00)

Totaal € 452,00

5. De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van ASR tot op heden begroot op € 1.472,00,

5.3. verklaart dit vonnis in conventie wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in reconventie

5.4. veroordeelt [eiser] om aan ASR te betalen een bedrag van € 1.711,22 (éénduizendzevenhonderdelf euro en tweeëntwintig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het toegewezen bedrag vanaf 18 mei 2011 tot de dag van volledige betaling,

5.5. veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van ASR tot op heden begroot op € 452,00,

5.6. verklaart dit vonnis in reconventie uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.A.M. Pinckaers en in het openbaar uitgesproken op 9 november 2011.(