Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BV0134

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
23-12-2011
Datum publicatie
04-01-2012
Zaaknummer
16/710870-11 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Hennepconvenant biedt onvoldoende basis voor het verstrekken van gegevens, volstaan kan worden met de constatering van het verzuim. Veroordeling voor deelname aan een criminele organisatie en betrokkenheid bij een hennepkwekerij tot een gevangenisstraf van 6 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/710870-11 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 23 december 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1970] te [geboorteplaats]

wonende te [woonplaats], [adres].

raadsvrouw mr. M.S. Gerson, advocaat te Amsterdam.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzittingen van 22 juli 2011, 5 december 2011, 6 december 2011 en 12 december 2011, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: heeft deelgenomen aan een criminele organisatie;

Feit 2: samen met anderen betrokken is geweest bij hennepkwekerijen in De Meern, Breukelen, Maarssen, IJsselstein en/of Vreeland dan wel dat verdachte samen met anderen opzettelijk hennep aanwezig heeft gehad;

Feit 3: samen met een ander een hoeveelheid elektriciteit heeft weggenomen.

Verzoek tot aanvulling van het dossier

Ter gelegenheid van het pleidooi in de zaak van medeverdachte [medeverdachte 1] -waarbij verdachte en de verdediging niet aanwezig waren- heeft de officier van justitie verzocht het proces-verbaal van die zitting (met name de inhoud van het pleidooi van de raadsman van [medeverdachte 1]) toe te voegen aan de procesdossiers van alle overige verdachten. De rechtbank heeft daarop medegedeeld dat zij op dat verzoek bij vonnis zal beslissen.

De rechtbank wijst het verzoek af nu de noodzaak hiertoe ontbreekt (en ook overigens redelijkerwijs niet valt in te zien op welke wijze voeging van het pleidooi van de raadsman van [medeverdachte 1] van belang zou kunnen zijn voor enige in deze zaak te nemen beslissing). De rechtbank realiseert zich dat verdachte en de verdediging niet zijn gehoord op dit verzoek van de officier van justitie. Nu het verzoek wordt afgewezen is verdachte hierdoor echter niet in zijn verdediging geschaad.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten op de nader in het ter zitting overgelegde schriftelijk requisitoir omschreven gronden.

De officier van justitie heeft ten aanzien van feit 2 gevorderd om verdachte partieel vrij te spreken van de hennepkwekerijen in Breukelen, IJsselstein en Maarssen.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van het onder feit 1 tenlastegelegde, alsmede van het onder feit 2 tenlastegelegde, voor zover dit feit betrekking heeft op de hennepkwekerijen in Breukelen, Maarssen en IJsselstein.

De verdediging heeft aangevoerd dat de rechtbank wel tot een bewezenverklaring kan komen van feit 2, voor zover dit feit ziet op de hennepkwekerij in Vreeland.

Ten aanzien van een bewezenverklaring van feit 3 refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank. De verdediging heeft daarbij aangevoerd dat het medeplegen niet wettig en overtuigend bewezen kan worden en de periode dient te worden aangepast van

6 oktober 2010 naar november 2010.

De verdediging heeft bij voornoemde standpunten gewezen op de in het ter zitting overgelegde schriftelijk pleidooi omschreven gronden.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

4.3.1 Verweren

Hennepconvenant biedt onvoldoende basis voor het verstekken van gegevens

De officier van justitie heeft ter zitting aangevoerd dat de Financieel Economische Recherche er bij het opvragen van de gegevens bij de belastingdienst in 2009 vanuit is gegaan dat het hennepconvenant voldoende basis bood voor het verstrekken van die gegevens door de belastingdienst. Dit is mogelijk ten onrechte geweest gelet op een recente uitspraak van de rechtbank Utrecht, waarbij in een vergelijkbare situatie werd geoordeeld dat sprake was van een vormverzuim. Net als in die zaak leidt het in de onderhavige zaak, aldus nog steeds de officier van justitie, weinig twijfel dat als een 126nd-vordering door de politie aan de officier van justitie zou zijn voorgesteld deze een vordering zou hebben gedaan en de belastingdienst de gevraagde gegevens zou hebben verstrekt. Als er sprake is van een vormverzuim in deze zaak is dit vormverzuim dus meer van formele dan van materiële aard en de verdachte heeft geen materieel nadeel ondervonden van deze gang van zaken. Volstaan kan daarom worden met het constateren van het eventuele vormverzuim, aldus de officier van justitie.

De rechtbank overweegt dat in de onderhavige zaak door de belastingdienst gegevens zijn verstrekt op basis van een convenant en zonder een daaraan voorafgaande 126nd-vordering. Onder verwijzing naar de door de officier van justitie genoemde uitspraak van de rechtbank Utrecht constateert de rechtbank dat daarmee sprake is van een vormverzuim. De rechtbank acht het niet aannemelijk dat de verdachte door dit vormverzuim enig nadeel heeft ondervonden. Ook op basis van een artikel 126nd-vordering zou de belastingdienst de gevraagde gegevens hebben verstrekt. Daarnaast heeft de verdediging geen nadrukkelijk verweer op dit punt gevoerd. De rechtbank zal dan ook volstaan met de constatering dat sprake is geweest van een vormverzuim en aan dat vormverzuim verder geen consequenties verbinden.

De rechtbank komt op basis van de inhoud van het dossier tot het volgende oordeel.

4.3.2 Vrijspraak

Vrijspraak feit 2 hennepkwekerijen in De Meern, Maarssen, Breukelen en IJsselstein

De rechtbank is van oordeel dat op basis van de inhoud van het dossier niet kan worden bewezen dat verdachte enige betrokkenheid heeft gehad bij de hennepkwekerijen in De Meern, Maarssen, Breukelen en IJsselstein. De rechtbank zal verdachte hiervan partieel vrijspreken.

4.3.3 Bewezenverklaring

Overweging ten aanzien van de bewezenverklaring van de in de tenlastelegging opgenomen periodes

De rechtbank overweegt dat de inhoud van het dossier de suggestie wekt dat verschillende verdachten in dit onderzoek al jaren betrokken zijn bij de hennepteelt. Echter, enkel de inhoud van de informatie van de CIE, welke informatie niet voor het bewijs gebezigd mag worden, en de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 2] dat hij al acht jaar knipt voor verdachte [medeverdachte 3], zijn onvoldoende om een jarenlange strafbare betrokkenheid van de verdachten bewezen te verklaren. De rechtbank is voor de bewezenverklaring van de periodes bij elke verdachte uitgegaan van de concrete hennepkwekerijen waar die verdachte bij betrokken is geweest. Op basis van de verklaringen van de verdachten en de bevindingen in het dossier heeft de rechtbank per kwekerij de periode waarin in die kwekerij hennep is geteeld teruggeteld. Op die wijze zijn de bewezenverklaarde periodes tot stand gekomen.

Overweging ten aanzien van de bewezenverklaring van het handelen in de uitoefening van een beroep of bedrijf

De officier van justitie heeft gesteld dat volgens de huidige Aanwijzing van de Opiumwet, geldend vanaf 1 juli 2011, wordt aangenomen dat sprake is van beroeps-of bedrijfsmatig handelen, zodra er op meer dan twee punten op de lijst met indicatoren hoog wordt gescoord. De officier van justitie is van mening dat alle ten laste gelegde hennepkwekerijen minstens aan deze score voldoen en dat voor elke kwekerij bewezen kan worden verklaard dat deze in de uitoefening van een beroep of bedrijf heeft plaatsgevonden.

De verdediging heeft op dit punt geen nadrukkelijk verweer gevoerd.

De rechtbank komt, gelet op artikel 11 van de Opiumwet ten aanzien van de bewezen verklaarde hennepkwekerijen tot een bewezenverklaring van het beroeps- dan wel bedrijfsmatig handelen. De rechtbank overweegt daartoe dat, zoals uit na te noemen bewijsmiddelen blijkt, de kwekerijen onderdeel uitmaakten van een georganiseerd verband waarbinnen aanmerkelijke hoeveelheden planten werden geteeld. Hieruit volgt het beroeps- dan wel bedrijfsmatig handelen.

De rechtbank zal eerst de feiten 2 en 3 en daarna de onder feit 1 ten laste gelegde criminele organisatie bespreken.

Bewezenverklaring feit 2 hennepkwekerij Vreeland

Bij de doorzoeking op 16 april 2011 in de woning van verdachte aan de [adres] in Vreeland werd op de zolder een complete in werking zijnde hennepkwekerij aangetroffen. Door de coördinator hennepzaken werden in totaal 392 hennepplanten geteld. De coördinator hennepzaken concludeerde op basis van het sterk vervuilde vilt om de koolstoffilters, de behoorlijke kalk- en algenafzetting op de pomp, het watervat en de slang, de behoorlijke kalkafzetting op de potten, de lege vaten voedingsmiddelen, de behoorlijke laag stof op alle apparatuur en slangen, de gebruikte oude aarde in de kruipruimte, de geoogste planten in de vuilniszak, de snoeischaren met resten hennepplanten en de volle vangstrip met insecten, dat ten minste tweemaal eerder een volledige kweek in deze kwekerij was geweest. De aangetroffen hennepplanten werden geschat op zes tot zeven weken oud.

De door de verbalisant uitgevoerde test van de monsters afkomstig van de hennepkwekerij in Vreeland bevestigde dat het hennepplanten van het soort cannabis waren. De verbalisant zag ook aan de kleur en het uiterlijk en hij rook aan de geur dat het delen van hennepplanten waren van het soort cannabis.

Verdachte verklaarde bij de politie dat hij de hennepkwekerij op de zolder van zijn woning had ingericht. Verdachte verklaarde dat hij in totaal drie kweken had gehad. De eerste kweek was mislukt en de tweede kweek was redelijk goed. De derde kweek stond op zolder en die planten waren ongeveer zes weken oud. Medeverdachte [medeverdachte 3] had geholpen met de verkoop en het knippen van de hennep. [medeverdachte 3] had de wiet meegenomen en verdachte had daar later tien tot elf ruggen voor gehad. Voor de derde kweek was hetzelfde afgesproken. Ter terechtzitting verklaarde verdachte dat hij medeverdachte [medeverdachte 3] om advies had gevraagd, omdat zijn eerste oogst was mislukt en dat [medeverdachte 3] hem advies had gegeven, waarna de tweede oogst wel succesvol was.

Medeverdachte [medeverdachte 3] verklaarde bij de politie dat hij medeverdachte [verdachte] advies had gegeven over de te gebruiken voedingsmiddelen en dat hij knippers voor hem had geregeld. [medeverdachte 3] en verdachte hadden de oogst samen afgezet. [medeverdachte 3] verklaarde dat hij zijn deel, de helft, als natte wiet mee naar huis had genomen en op zijn zolder had laten drogen en daarna had verkocht. De medeverdachte verklaarde dat hij één keer in de week bij verdachte thuis was voor de hennepkwekerij.

Medeverdachte [medeverdachte 4] verklaarde bij de politie een paar keer in de hennepkwekerij van verdachte in Vreeland te hebben geknipt, waaronder op 4 maart 2011. Zij werd voor het knippen door [medeverdachte 3] betaald.

Medeverdachte [medeverdachte 5] verklaarde bij de politie dat zij op 4 maart 20111 hennep had geknipt in de hennepkwekerij van verdachte in Vreeland. Zij verklaarde dat zij door [medeverdachte 3] was gevraagd om op 4 maart 2011 bij verdachte te komen knippen.

Medeverdachte [medeverdachte 2] verklaarde bij de politie dat hij twee of drie keer in de hennepkwekerij bij verdachte thuis in Vreeland was geweest om te oogsten.

Op grond van voornoemde bewijsmiddelen acht de rechtbank bewezen dat verdachte samen met anderen betrokken is geweest bij de hennepkwekerij in Vreeland. Gelet op de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 3] dat [verdachte] in de kwekerij geen stap deed zonder hem en het feit dat medeverdachte [medeverdachte 3] de helft van de winst kreeg toebedeeld acht de rechtbank de verklaring van verdachte ter zitting dat hij [medeverdachte 3] hem alleen tips heeft gegeven niet geloofwaardig. De rechtbank heeft in het verhandelde ter terechtzitting geen aanleiding gezien om de verklaring van verdachte bij de politie als onjuist te beschouwen. De rechtbank is van oordeel dat medeverdachte [medeverdachte 3] een grotere rol in deze kwekerij heeft gehad dan hij en verdachte de rechtbank hebben willen doen geloven.

Uitgaande van een kweekperiode van tien weken en de verklaring van verdachte dat er twee keer eerder was geoogst en dat de derde kweek ongeveer zes weken oud was acht de rechtbank de betrokkenheid van verdachte in de periode van 16 oktober 2010 tot en met

16 april 2011 bewezen.

Bewezenverklaring feit 3

Op 16 april 2011 was [A] aanwezig in de woning aan de [adres] in Vreeland waar de politie op de zolder een hennepkwekerij had aangetroffen. Bij controle van de netcomponenten van Stedin en de elektrische installatie in de meterkast werd geconstateerd dat de verzegeling van het deksel van de hoofdaansluitkast verbroken was. Aan de bovenzijde van de hoofdzekeringen was een vijf-aderige elektriciteitskabel bijgeplaatst en aangesloten. Deze elektriciteitskabel zat aangesloten voor de elektriciteitsmeter, zodat alle elektriciteit die via deze kabel werd afgenomen niet door de elektriciteitsmeter werd geregistreerd. De elektriciteitskabel kwam uit in een onderverdeelinrichting van elektriciteit van waaruit de aanwezige hennepkwekerij onbemeten van elektriciteit werd voorzien.

Verdachte bekende ter terechtzitting dat hij alles voor de hennepkwekerij had aangelegd en dat hij ook de elektriciteit had weggenomen. Verdachte verklaarde twee keer te hebben geoogst en de derde kweek te hebben staan.

De rechtbank acht op grond van genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte zich in de periode van 16 oktober 2010 tot en met 16 april 2011 schuldig heeft gemaakt aan het onder feit 3 tenlastegelegde in die zin dat verdachte dit feit alleen heeft gepleegd.

Bewezenverklaring feit 1

Volgens de huidige jurisprudentie moet onder een criminele organisatie worden verstaan “een samenwerkingsverband, met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen de verdachte en ten minste één andere persoon. Niet is vereist dat vast komt te staan dat een persoon, om als deelnemer aan die organisatie te kunnen worden aangemerkt, moet hebben samengewerkt, althans bekend moet zijn geweest, met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie of dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds hetzelfde is”.

Vast moet komen te staan dat de organisatie het plegen van misdrijven tot oogmerk had, waaronder ook het naaste doel van de organisatie wordt gerekend. Daarnaast moet de verdachte een aandeel hebben in het samenwerkingsverband dan wel moet de verdachte de gedragingen, die strekken of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie, ondersteunen. Tot slot moet bewezen kunnen worden dat de verdachte opzet had op het deelnemen aan de organisatie. Voldoende daarvoor is dat de verdachte in zijn algemeenheid weet dat de organisatie het plegen van misdrijven tot oogmerk heeft. Wetenschap of een andere vorm van opzet ten aanzien van één of meer concrete misdrijven is niet noodzakelijk.

De rechtbank leidt uit de inhoud van het dossier hieromtrent het navolgende af.

In de periode van september 2010 tot en met 16 april 2011 zijn er in Breukelen, IJssselstein, Maarssen en Vreeland vier hennepkwekerijen in werking geweest. De verdachte is bij de hennepkwekerij in Vreeland betrokken geweest, zoals hiervoor reeds aangegeven.

Bij het opzetten, onderhouden, oogsten en afzetten van de geoogste hennep had medeverdachte [medeverdachte 3] een leidende rol. Hij exploiteerde de hennepkwekerijen in Vreeland en Breukelen samen met verdachte en [medeverdachte 6]. [medeverdachte 3] regelde familieleden om de hennepplanten te knippen als deze rijp waren voor de oogst. Ook [medeverdachte 6] regelde knippers. De door [medeverdachte 3] ingeschakelde knippers zijn op meerdere momenten bij meerdere oogsten aanwezig geweest. [medeverdachte 4] verklaarde dat ze eigenlijk altijd met hetzelfde clubje knipten. [medeverdachte 2] verklaarde dat ze vaak met vier tot zes man aan het knippen waren en dat hij zelf ongeveer één keer in de drie weken knipte. Deze knippers werden hiervoor allemaal telkens door [medeverdachte 3] gevraagd. Ook blijkt dat [medeverdachte 1] als knipper werd ingeschakeld bij de hennepkwekerij in Breukelen. [medeverdachte 1] was hiervoor door [medeverdachte 6] gevraagd. Daarnaast bleek [medeverdachte 1] zelf een hennepkwekerij op de zolder van zijn woning in Maarssen te hebben gehad.

Na het oogsten zorgde [medeverdachte 3] voor de verdere verwerking en de afzet van de hennep. De opbrengst verdeelde hij met degenen met wie hij de hennepkwekerij had opgebouwd. Wat de hennepkwekerijen in Vreeland en Breukelen betreft was dat met verdachte respectievelijk met [medeverdachte 6]. [medeverdachte 3] bleek ook te zorgen voor de ontmanteling van kwekerijen. Zo werd de ontmanteling van de hennepkwekerij in Breukelen door verdachte samen met [medeverdachte 6] gedaan.

Uit deze genoemde omstandigheden blijkt dat de verdachte deelnam aan een criminele organisatie. Daarbij was sprake van een zekere duurzaamheid en structuur, aangezien het om meerdere kwekerijen en meerdere oogsten ging. Verdachte, [medeverdachte 3], [medeverdachte 6] en [medeverdachte 1] waren hierbij (mede)verantwoordelijk voor het werven van de locatie, het opzetten en inrichten en onderhouden van de kwekerijen. [medeverdachte 4], [medeverdachte 7], [medeverdachte 2], [medeverdachte 5] en [medeverdachte 1] werden ingezet voor het knippen en daarmee het verwerken en oogsten op de hennepkwekerijen op diverse locaties. De knippers werden daarvoor betaald door [medeverdachte 3] en in het geval van [medeverdachte 1] door [medeverdachte 6]. [medeverdachte 3] zorgde vervolgens voor de afzet van de oogst en de verdeling van de winst.

De duurzaamheid en structuur komen ook tot uitdrukking in het feit dat uit de afgeluisterde telefoongesprekken tussen de verschillende verdachten blijkt dat de verdachten aan weinig woorden genoeg hadden om te begrijpen wat de bedoeling was. Een datum en de vraag of iemand kon was genoeg om te begrijpen dat het om het knippen van hennep ging. Korte en cryptische omschrijvingen volstonden om te weten wat er van iemand werd gevraagd.

Uit de verklaringen van de verdachten blijkt dat het financiële gewin wat verkregen werd uit de hennepteelt als illegale activiteit het oogmerk van de organisatie was. Verdachte verklaarde dat het motief om hennep te telen was om er financieel beter van te worden. Alle verdachten droegen ieder op hun eigen wijze bij aan het verwezenlijken van het doel, dat wil zeggen geld verdienen met de teelt van hennep. Dat de verdachten volgens de verdediging ieder alleen uit waren op persoonlijk financieel gewin maakt dit gezamenlijke doel niet anders.

Alle verdachten hadden een aandeel in de hennepteelt. Dat aandeel varieerde per verdachte van mede-exploiteren van de hennepkwekerijen tot het knippen van de hennepplanten.

Uit het handelen van de verdachten blijkt dat zij de opzet hadden op het deelnemen aan de criminele organisatie. Iedereen wist dat [medeverdachte 3], de leider van de organisatie, zich bezighield met de hennepteelt en dat hij daar voornamelijk zijn geld mee verdiende. De verdachten zijn meermalen betrokken geweest bij één of meerdere hennepkwekerijen van [medeverdachte 3] en [medeverdachte 6] en van [medeverdachte 3] en verdachte. [medeverdachte 1] had naast het knippen in de kwekerij van [medeverdachte 3] en [medeverdachte 6] zijn eigen hennepkwekerij. Uit huidige jurisprudentie volgt dat ook knippers die een relatief ondergeschikte rol spelen in een hennepkwekerij deelnemen aan een criminele organisatie.

Gelet op het voornoemde is de rechtbank van oordeel dat er sprake was van een criminele organisatie, in welke organisatie alle verdachten ieder hun eigen rol speelden en daarmee ieder hun eigen aandeel hadden. De rechtbank baseert dit oordeel niet zozeer op een hiërarchisch verband, maar op de rol die elke verdachte in het samenwerkingsverband heeft gespeeld. Dat geldt voor verdachte, [medeverdachte 6], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] als exploiteerders van verschillende hennepkwekerijen en voor [medeverdachte 4], [medeverdachte 7], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 5] als knippers. [medeverdachte 2] speelde daarnaast ook een rol bij het witwassen van de door de leider van de organisatie verkregen criminele gelden.

Uit het feit dat [medeverdachte 3] de meeste kennis van zaken had wat het telen van hennepplanten betreft, hij bij de meeste aangetroffen hennepkwekerijen betrokken was, hij anderen adviseerde over het telen van de hennepplanten, hij de knippers regelde en hij het essentiële deel van het afzetten van de oogst voor zijn rekening nam, acht de rechtbank bewezen dat hij de leider van de organisatie was.

Voor wat betreft de bewezenverklaring van de periode sluit de rechtbank aan bij hetgeen zij onder feit 2 over de periode heeft opgemerkt. Dit leidt ertoe dat de rechtbank voor wat betreft verdachte ten aanzien van feit 1 de periode van 16 oktober 2010 als begindatum bewezen verklaart.

De rechtbank overweegt nog dat uit jurisprudentie volgt dat voor deelname aan een criminele organisatie niet vereist is dat binnen de groep gemeenschappelijk regels en een gemeenschappelijk doelstelling bestaan, waaraan individuele leden gebonden zijn en door welke gemeenschappelijkheid op die leden een zekere druk wordt uitgeoefend of kan worden uitgeoefend om zich aan die regels te houden en zich aan die doelstelling gebonden te achten. Ook het aanwezig zijn van bepaalde geledingen of een zekere hiërarchie binnen de organisatie is niet vereist. De rechtbank is dan ook van oordeel dat hetgeen de verdediging heeft aangevoerd om tot een vrijspraak van de deelname aan een criminele organisatie te pleiten geen doorslaggevende rol wordt toegekend.

De rechtbank acht het onder feit 1 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

in de periode van 16 oktober 2010 tot en met 16 april 2011 te Vreeland, heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 11, derde en/of vijfde lid van de Opiumwet, te weten:

- het telkens in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een onder art. 3 onder B Opiumwet gegeven verbod, te weten het telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen van een hoeveelheid van een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende Lijst II (hennep) en/of

2.

op tijdstippen in de periode van 16 oktober 2010 tot en met 16 april 2011 te Vreeland,

tezamen en in vereniging met anderen, telkens in de uitoefening van en beroep of bedrijf, telkens opzettelijk heeft geteeld en bereid en bewerkt en verwerkt en verkocht, een grote hoeveelheid (als bedoeld in artikel 11, vijfde lid, van de Opiumwet) hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.

3.

in de periode van 16 oktober 2010 tot en met april 2011 te Vreeland, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een hoeveelheid energie, toebehorende aan Stedin Netbeheer BV, waarbij verdachte het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking (het verbreken van de verzegeling).

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op:

Ten aanzien van feit 1:

Het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

Ten aanzien van feit 2:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.

Ten aanzien van feit 3:

Diefstal waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 24 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar en met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. De officier van justitie vordert tevens verplicht reclasseringtoezicht als bijzondere voorwaarde op te leggen.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte maar een kleine vis is vergeleken bij zijn medeverdachten in deze zaak en dat de door de officier van justitie gevorderde straf daarom aanzienlijk gematigd moet worden. De verdediging verzoekt een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest op te leggen, eventueel aangevuld met een taakstraf, een voorwaardelijke gevangenisstraf en/of verplicht reclasseringstoezicht.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft werkzaamheden verricht ten behoeve van een organisatie die zich op betrekkelijk grote schaal bezighield met het illegaal kweken van hennep. Verdachte was betrokken bij de hennepkwekerij in Vreeland. Verdachte had deze kwekerij samen met de leider van de organisatie in zijn woning ingericht en opgezet en samen hebben zij de winst opgestreken. In totaal heeft verdachte in deze kwekerij drie keer gekweekt, waarvan twee keer geoogst. De rechtbank is van oordeel dat verdachte geen leidende rol in de organisatie heeft gespeeld, maar dat hij wel hoog in de organisatie stond gelet op zijn eigen kwekerij. Bij de kwekerij in Vreeland heeft verdachte tevens op illegale wijze elektriciteit weggenomen ten behoeve van de kwekerij.

Het spreekt voor zich dat het kweken van een softdrug als hennep, zeker in een omvang als hier sprake van is, een strafbaar feit is dat overlast veroorzaakt en schade voor de maatschappij oplevert. Softdrugs zijn immers stoffen die bij langdurig gebruik kunnen leiden tot schade voor de gezondheid. Voorts levert een kwekerij waarbij op illegale wijze elektriciteit wordt onttrokken aan het net en de elektrische installatie ondeskundig is aangelegd, (brand)gevaar op voor de omgeving. Dit is in dit geval des te kwalijker nu de aangetroffen kwekerij in Vreeland in de woning van verdachte was opgezet. Verdachte heeft zich kennelijk om al deze gevolgen niet bekommerd en slechts gehandeld uit winstbejag.

Uit het uittreksel uit het justitiële documentatieregister van 9 juni 2011 volgt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor overtreding van de Opiumwet, echter wel voor andersoortige strafbare feiten.

Blijkens het door Reclassering Nederland opgemaakte voorlichtingsrapport van 17 juni 2011 lijkt verdachte vanuit een opgebouwde schuld en de wens om deze zo snel mogelijk af te lossen hulp te hebben ingeroepen bij kennissen om met hennepteelt de financiële achterstand in te lopen. Zorgelijk is dat verdachte ogenschijnlijk gemakkelijk bewust kan kiezen voor een illegale oplossing voor zijn (financiële) problemen. De reclassering acht een reclasseringstoezicht geïndiceerd om deviant gedrag in de toekomst te voorkomen. De reclassering schat het recidiverisico in als laag. De reclassering adviseert verdachte in het geval van een veroordeling een (gedeeltelijk) voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met een meldingsgebod als bijzondere voorwaarde.

Uit het verhandelde ter zitting en de houding van verdachte ter zitting heeft de rechtbank de indruk gekregen dat verdachte geen volledige openheid van zaken heeft gegeven. Verdachte heeft door zijn laconieke houding geen inzicht getoond in de strafbaarheid van zijn handelen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat een voorwaardelijk strafdeel noodzakelijk is om verdachte er in de toekomst van te weerhouden opnieuw (dergelijke) strafbare feiten te plegen. De rechtbank zal geen verplicht reclasseringstoezicht als bijzondere voorwaarde daarbij opleggen, omdat verdachte ter zitting duidelijk heeft aangegeven daar niet aan te willen meewerken, omdat hij geen hulp nodig heeft. De rechtbank ziet in het opleggen van verplicht reclasseringstoezicht daarom geen toegevoegde waarde.

De ernst van de feiten rechtvaardigen naar het oordeel van de rechtbank ook een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Verdachte is bij één hennepkwekerij betrokken geweest en heeft daarmee een beperkte rol gehad wat de criminele organisatie betreft. Daarnaast is uit het verhandelde ter zitting gebleken dat verdachte zijn leven inmiddels weer op orde heeft weten te brengen. Hij werkt hard om zijn eigen onderneming weer op de rails te krijgen en aan het aflossen van zijn schulden. Een langdurige gevangenisstraf zal ertoe leiden dat verdachte alles opnieuw kwijtraakt. Gelet hierop zal de rechtbank verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest opleggen.

De rechtbank komt deels tot een andere bewezenverklaring dan de officier van justitie. Daarnaast rekening houdend met de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd, alsmede de oriëntatiepunten van het LOVS, zal de rechtbank verdachte een lagere straf opleggen dan de straf door de officier van justitie gevorderd. De rechtbank is van oordeel dat de aard en de ernst van de bewezen verklaarde feiten in combinatie met de persoonlijke omstandigheden van verdachte een hogere straf niet rechtvaardigen.

De rechtbank zal verdachte opleggen een gevangenisstraf van 6 maanden waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 47, 57 en 311 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 11 en 11a van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1:

Het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven;

feit 2:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de

Opiumwet gegeven verbod;

feit 3:

Diefstal waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 6 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

- heft op het bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.M.G. de Weerd, voorzitter, mr. I.P.H.M. Severeijns en

mr. N.E.M. Kranenbroek , rechters, in tegenwoordigheid van mr. K.F. van Dam, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 23 december 2011.