Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BV0078

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
23-12-2011
Datum publicatie
04-01-2012
Zaaknummer
16-601087-11 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Diefstal tezamen en in vereniging. Nauwe en bewuste samenwerking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

Parketnummer: 16/601087-11 [P]

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 23 december 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1988] te [geboorteplaats]

wonende te [adres], [woonplaats]

gedetineerd voor deze zaak te PI Flevoland, Huis van Bewaring Almere Binnen te Almere

raadsman mr. M.C. Vermeul, advocaat te Utrecht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 9 december 2011, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte samen met een ander heeft geprobeerd om in te breken bij een woning.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Vastgestelde feiten

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.

Op 9 november 2011 hebben opsporingsambtenaren van de meldkamer de opdracht gekregen om te gaan naar de [adres] te Harmelen. Getuige [getuige] had bij de politie gemeld dat zij omstreeks 14.15 uur een auto voor voornoemde woning had zien stoppen, waaruit twee mannen stapten die een paar keer heen en weer liepen op het fietspad tussen perceel 5 en 7. De mannen liepen de boomgaard van perceel 7 in en gingen er eigenlijk meteen weer uit. Ik zag toen dat beide mannen weer in de auto stapten en wegreden. Ik vertrouwde het niet en belde de politie. Ik zag toen dat de auto met beide mannen een paar keer door onze straat reed. Ik zag dat de auto wederom stopte bij huisnummer 5 en dat beide mannen uitstapten. De verbalisanten hebben van de meldkamer doorgekregen dat één van de mannen in het grijs gekleed was en dat de andere man een zwarte jas droeg. De verbalisanten zijn omstreeks 14.35 uur ter plaatse gekomen en zagen een man in grijze kleding over het fietspad lopen. Toen de man achterom keek en zag dat de verbalisant achter hem aan liep, ging hij sneller lopen. De man bleef doorlopen nadat tegen hem werd gezegd: “Politie, staan blijven”. De man is vervolgens aangehouden. Een getuige vertelde aan de politie dat zij had gezien dat de man een breekijzer weggooide. De politie heeft vervolgens op aanwijzingen van deze getuige naast het fietspad, recht tegenover perceel nummer 7, een breekijzer gevonden. De aangehouden man bleek te zijn genaamd [medeverdachte], zijnde de medeverdachte van verdachte.

Getuige [getuige] is, nadat zij de melding bij de politie had gedaan, blijven kijken naar wat er bij voornoemde woning gebeurde. Zij zag toen dat de man in de zwarte jas een paar keer aan de achterdeur rukte, dat hij iets glimmends uit zijn zak pakte en dat hij daarmee timmerende bewegingen maakte. De getuige zag verder dat de man in het grijs, toen de bewoner op zijn trekker aan kwam rijden, op de bewoner afliep en met hem begon te praten.

[benadeelde], de bewoner van voornoemde woning, heeft aangifte gedaan van een poging tot inbraak in zijn woning. Aangever bevond zich op voornoemde datum omstreeks 14.15 uur buiten zijn woning. Hij zag een auto op de oprit van de buren geparkeerd staan en hij zag twee personen bij deze auto staan. De man die in het grijs gekleed was, sprak hem even later aan en vertelde hem dat hij remolie nodig had. Uit onderzoek van de politie naar de auto van verdachte is gebleken dat het remsysteem onbeschadigd was, dat er geen storing in het systeem was, dat er geen controlelampjes bleven branden en dat het remvloeistofreservoir voldoende vloeistof bevatte.

Toen de aangever na dit gesprek naar de achterkant van zijn woning liep, zag hij daar de andere man die bij de auto had gestaan wegrennen. Na een achtervolging is ook deze persoon door de politie aangehouden. De man bleek te zijn genaamd [verdachte], zijnde verdachte.

Uit sporenonderzoek van de politie is gebleken dat in de sluitnaad van de achterdeur van de woning van aangever is gewrikt met een breekwerktuig, een schroevendraaier met een vouwbreedte van circa 12 mm. Toen aangever om 14.00 uur de woning had verlaten, waren deze beschadigingen op de achterdeur nog niet aanwezig.

Het draait in deze zaak om de vraag of bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tezamen en in vereniging plegen van een poging tot woninginbraak.

4.2 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en baseert zich daarbij op de aangifte, de verklaring van getuige [getuige], het proces-verbaal sporenonderzoek en het proces-verbaal voertuigonderzoek.

4.3 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen en heeft verzocht om vrijspraak van het tenlastegelegde. Daartoe is door de verdediging het volgende aangevoerd. Getuige [getuige] heeft een verklaring afgelegd die niet is ondertekend. Vervolgens is zij telefonisch verhoord door een verbalisant, die de inhoud van dat verhoor heeft neergelegd in een proces-verbaal van bevindingen. Tussen beide verklaringen van de getuige bestaan verschillen. Bovendien wordt de verklaring van de getuige niet voldoende ondersteund door andere bewijsmiddelen.

Er kan niet bewezen worden dat verdachte heeft gehandeld met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening. De auto, de rugzak en het breekijzer dat door [medeverdachte] zou zijn weggegooid, kunnen niet gekoppeld worden aan de poging inbraak. De schroevendraaier die gebruikt zou zijn bij de poging inbraak is niet bij verdachte aangetroffen.

4.4 Het oordeel van de rechtbank

De bruikbaarheid van de verklaring van getuige [getuige]

De verdediging heeft aangevoerd dat er tegenstrijdigheden zijn tussen de verklaringen van getuige [getuige]. De verklaring wordt volgens de verdediging tevens niet ondersteund door het dossier. De rechtbank begrijpt het verweer van de raadsman aldus dat de verdediging van mening is dat de verklaring van deze getuige niet voor het bewijs dient te worden gebruikt.

De rechtbank heeft geen onverklaarbare tegenstrijdigheden in de door getuige [getuige] afgelegde verklaringen kunnen vaststellen, op grond waarvan moet worden geconcludeerd dat haar verklaringen niet op waarheid berusten. Er is bovendien naar het oordeel van de rechtbank wel degelijk sprake van ondersteunende bewijsmiddelen. De rechtbank wijst daarbij op de verklaring van de aangever en het proces-verbaal van bevindingen op pagina 21 en 22 van het dossier. De rechtbank acht de verklaringen van de getuige authentiek en betrouwbaar en ziet in het dossier geen aanknopingspunten voor twijfel omtrent de geloofwaardigheid van die verklaringen. Niet aannemelijk is geworden dat de getuige haar verklaringen in strijd met de waarheid heeft afgelegd. Zoals blijkt uit hetgeen onder 4.1 is opgenomen, gebruikt de rechtbank de verklaring van de getuige dan ook voor het bewijs.

Oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening

De raadsman heeft betoogd dat niet bewezen kan worden dat verdachte met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft gehandeld.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe het volgende. Weliswaar zijn er zowel bij verdachte als bij [medeverdachte] geen inbrekerswerktuigen aangetroffen die in verband kunnen worden gebracht met de onderhavige poging tot inbraak, maar de rechtbank gaat er op grond van het dossier vanuit dat verdachte bij de woning van aangever wel degelijk de beschikking heeft gehad over een werktuig. Getuige [getuige] heeft immers gezien dat verdachte met een glimmend voorwerp in zijn hand timmerende bewegingen stond te maken bij de achterdeur van de aangever. Op basis van het sporenonderzoek door de politie gaat de rechtbank ervan uit dat het werktuig dat door verdachte is gebruikt een schroevendraaier is. Dat bij verdachte geen schroevendraaier is aangetroffen, doet hier niet aan af. Het is immers zeer wel mogelijk dat verdachte de schroevendraaier heeft weggegooid voordat hij na de lange achtervolging door de politie werd aangehouden.

De rechtbank overweegt dat kan worden vastgesteld dat verdachte, door met een schroevendraaier te proberen om een deur van de woning van aangever te openen, heeft gehandeld met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening.

Tezamen en in vereniging

Met betrekking tot de vraag of bewezen kan worden dat de diefstal met braak tezamen en in vereniging is gepleegd, overweegt de rechtbank tenslotte nog als volgt. Uit de onder 4.1 weergegeven bewijsmiddelen blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat zowel verdachte als zijn medeverdachte [medeverdachte] een actieve rol heeft gehad in het feitencomplex. [medeverdachte] en verdachte zijn samen naar Harmelen gereden en hebben de auto bij de woning van aangever geparkeerd. Beide verdachten zijn op het terrein van die woning gaan rondkijken, vervolgens zijn zij weg gereden en daarna weer teruggekomen. Verdachte heeft toen met een glimmend voorwerp timmerende bewegingen gemaakt bij de achterdeur. [medeverdachte] is op dat moment op de bewoner afgelopen en is een gesprek met hem begonnen. [medeverdachte] is daarna weggelopen, waarbij door een getuige is gezien dat hij een breekijzer weggooide. Uit deze feitelijke gang van zaken blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat sprake is van gezamenlijke uitvoeringshandelingen en van voorafgaande en/of stilzwijgende afspraken met betrekking tot de inbraak.

Concluderend acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat tussen verdachte en [medeverdachte] van een dusdanige nauwe en bewuste samenwerking sprake is geweest, dat kan worden bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan een poging tot diefstal met braak, tezamen en in vereniging gepleegd.

4.5 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 09 november 2011 te Harmelen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning gelegen aan de [adres] weg te nemen goederen en/of geld, toebehorende aan [benadeelde], en zich daarbij de toegang tot voornoemde woning te verschaffen door middel van braak, tezamen en in vereniging met een ander, als volgt heeft gehandeld: hebbende hij, verdachte en/of zijn mededader

- voornoemde woning afgelegd en

- met een breekwerktuig in de sluitnaad van de achterdeur gewrikt,

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op:

Poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de

toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan

verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 4 maanden, met aftrek van voorarrest.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht om een straf gelijk aan het voorarrest op te leggen, met daarnaast eventueel nog oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf of een werkstraf.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte en zijn mededader hebben zich schuldig gemaakt aan een poging tot inbraak in een woning. Aan het plegen van woninginbraken en pogingen daartoe tilt de rechtbank zwaar. Woninginbraken veroorzaken niet alleen de nodige materiële schade, maar maken ook een forse inbreuk op de privacy van de bewoners. Het is algemeen bekend dat woninginbraken nog lange tijd voor gevoelens van angst en onveiligheid kunnen zorgen bij zowel de bewoners van de betreffende woningen als bij de buurtbewoners. Verdachte heeft geen rekening gehouden met deze gevolgen, maar heeft alleen gedacht aan zijn eigen financiële gewin.

Verdachte is blijkens een hem betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 10 november 2011 eerder met politie en justitie in aanraking geweest voor het plegen van soortgelijke feiten. De rechtbank beschouwt verdachte derhalve als een recidivist.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de ernst van het feit, oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats is. Bij de bepaling van de duur van de straf heeft de rechtbank acht geslagen op de oriëntatiepunten van het LOVS. Als uitgangspunt wordt voor een inbraak in een woning door een recidivist een gevangenisstraf van 5 maanden onvoorwaardelijk gehanteerd. De rechtbank ziet aanleiding om van dit oriëntatiepunt af te wijken omdat in deze zaak sprake was van een poging.

Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden passend en geboden.

7 De benadeelde partij

De benadeelde partij [benadeelde] vordert een schadevergoeding van € 514,56 voor het ten laste gelegde feit. De rechtbank acht onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de benadeelde partij schade heeft geleden, nu op het voegingsformulier is aangegeven dat nog niet duidelijk is of en hoeveel door de verzekeringsmaatschappij vergoed zal worden. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering. De heer [benadeelde] kan zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 45 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.5 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 4 maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Benadeelde partij

- verklaart de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk in zijn vordering en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- veroordeelt voornoemde benadeelde partij in de kosten van verdachte, tot op heden begroot op nihil;

Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. Oostendorp, voorzitter, mrs. H.A. Brouwer en P.L.C.M. Ficq, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D. Riani el Achhab, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 23 december 2011.