Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BV0047

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
23-12-2011
Datum publicatie
03-01-2012
Zaaknummer
16-601086-11 en 09-900429-10 (tul) [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Diefstal tezamen en in vereniging. Nauwe en bewuste samenwerking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

Parketnummers: 16/601086-11 en 09/900429-10 (tul) [P]

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 23 december 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1987] te [geboorteplaats]

wonende te [adres], [woonplaats]

gedetineerd voor deze zaak te PI Flevoland, Huis van Bewaring Almere Binnen te Almere

raadsvrouw mr. H. von Hegedus-Faouzi, advocaat te Zoetermeer.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 9 december 2011, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

Ter terechtzitting is ook de vordering tot tenuitvoerlegging behandeld met bovenvermeld parketnummer.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte samen met een ander heeft geprobeerd om in te breken bij een woning.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Vastgestelde feiten

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.

Op 9 november 2011 hebben opsporingsambtenaren van de meldkamer de opdracht gekregen om te gaan naar de [adres] te Harmelen. Getuige [getuige] had bij de politie gemeld dat zij omstreeks 14.15 uur een auto voor voornoemde woning had zien stoppen, waaruit twee mannen stapten die een paar keer heen en weer liepen op het fietspad tussen perceel 5 en 7. De mannen liepen de boomgaard van perceel 7 in en gingen er eigenlijk meteen weer uit. Ik zag toen dat beide mannen weer in de auto stapten en wegreden. Ik vertrouwde het niet en belde de politie. Ik zag toen dat de auto met beide mannen een paar keer door onze straat reed. Ik zag dat de auto wederom stopte bij huisnummer 5 en dat beide mannen uitstapten. De verbalisanten hebben van de meldkamer doorgekregen dat één van de mannen in het grijs gekleed was en dat de andere man een zwarte jas droeg. De verbalisanten zijn omstreeks 14.35 uur ter plaatse gekomen en zagen een man in grijze kleding over het fietspad lopen. Toen de man achterom keek en zag dat de verbalisant achter hem aan liep, ging hij sneller lopen. De man bleef doorlopen nadat tegen hem werd gezegd: “Politie, staan blijven”. De man is vervolgens aangehouden. Een getuige vertelde aan de politie dat zij had gezien dat de man een breekijzer weggooide. De politie heeft vervolgens op aanwijzingen van deze getuige naast het fietspad, recht tegenover perceel nummer 7, een breekijzer gevonden. De aangehouden man bleek te zijn genaamd [verdachte], zijnde verdachte.

Getuige [getuige] is, nadat zij de melding bij de politie had gedaan, blijven kijken naar wat er bij voornoemde woning gebeurde. Zij zag toen dat de man in de zwarte jas een paar keer aan de achterdeur rukte, dat hij iets glimmends uit zijn zak pakte en dat hij daarmee timmerende bewegingen maakte. De getuige zag verder dat de man in het grijs, toen de bewoner op zijn trekker aan kwam rijden, op de bewoner afliep en met hem begon te praten.

[benadeelde], de bewoner van voornoemde woning, heeft aangifte gedaan van een poging tot inbraak in zijn woning. Aangever bevond zich op voornoemde datum omstreeks 14.15 uur buiten zijn woning. Hij zag een auto op de oprit van de buren geparkeerd staan en hij zag twee personen bij deze auto staan. De man die in het grijs gekleed was, sprak hem even later aan en vertelde hem dat hij remolie nodig had. Uit onderzoek van de politie naar de auto van verdachte is gebleken dat het remsysteem onbeschadigd was, dat er geen storing in het systeem was, dat er geen controlelampjes bleven branden en dat het remvloeistofreservoir voldoende vloeistof bevatte.

Toen de aangever na dit gesprek naar de achterkant van zijn woning liep, zag hij daar de andere man die bij de auto had gestaan wegrennen. Na een achtervolging is ook deze persoon door de politie aangehouden. De man bleek te zijn genaamd [medeverdachte], zijnde de medeverdachte van verdachte.

Uit sporenonderzoek van de politie is gebleken dat in de sluitnaad van de achterdeur van de woning van aangever is gewrikt met een breekwerktuig, een schroevendraaier met een vouwbreedte van circa 12 mm. Toen aangever om 14.00 uur de woning had verlaten, waren deze beschadigingen op de achterdeur nog niet aanwezig.

Het draait in deze zaak om de vraag of bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tezamen en in vereniging plegen van een poging tot woninginbraak.

4.2 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en baseert zich daarbij op de aangifte, de verklaring van getuige [getuige], het proces-verbaal sporenonderzoek en het proces-verbaal voertuigonderzoek.

4.3 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen en heeft verzocht om vrijspraak van het tenlastegelegde. Daartoe is door de verdediging het volgende aangevoerd. Verdachte heeft van het begin af aan verklaard dat hij onderweg was naar een vriendin in Utrecht en dat hij vanwege autoproblemen de afslag Harmelen had genomen. Verdachte wilde daar een garage zoeken. De verklaring van de aangever ondersteunt deze verklaring van verdachte. Er dient met de mogelijkheid rekening te worden gehouden dat de medeverdachte van verdachte, [medeverdachte], zelfstandig heeft besloten om in de woning in te gaan breken. Er is geen sprake van nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en [medeverdachte]. Verdachte heeft zelf geen uitvoeringshandelingen verricht, hij is niet bij de deur van de woning in de buurt geweest, hij heeft geen inbraakinstrumenten in zijn handen of in zijn auto gehad en hij is niet weggerend toen de politie eraan kwam.

4.4 Het oordeel van de rechtbank

De verklaring van verdachte

Zowel verdachte als zijn medeverdachte [medeverdachte] hebben ontkend dat zij geprobeerd hebben om in de woning van aangever [benadeelde] in te breken. Verdachte heeft verklaard dat hij samen met [medeverdachte] onderweg was naar Utrecht, maar dat hij de afslag Harmelen had genomen om een garage te zoeken omdat hij dacht dat er iets mis was met zijn remmen. Medeverdachte [medeverdachte] heeft bij de politie verklaard dat hij met verdachte naar Harmelen is gereden, dat zij daar een beetje hebben rondgereden en dat zij toen voor de woning van aangever gestopt zijn omdat zij zagen dat daar fruit verkocht werd.

De rechtbank stelt de verklaring van verdachte als ongeloofwaardig terzijde en heeft daarbij in aanmerking genomen dat [medeverdachte] een verklaring heeft afgelegd die niet overeenkomt met de verklaring van verdachte. Dat aangever heeft verklaard dat verdachte hem vroeg om remvloeistof en dat getuige [getuige] heeft gezien dat de motorkap van de auto van verdachte omhoog werd gedaan, doet hieraan niet af. Verdachte kan deze handelingen immers verricht hebben om het erop te laten lijken dat hij autoproblemen had. Uit het onder 4.1 weergegeven voertuigonderzoek blijkt echter dat dit niet daadwerkelijk het geval was. Uit dat onderzoek blijkt dat het remsysteem van de auto onbeschadigd was, dat er geen controlelampjes bleven branden en dat het remvloeistofreservoir voldoende vloeistof bevatte.

Tezamen en in vereniging

De verdediging heeft betoogd dat niet bewezen kan worden dat sprake is geweest van medeplegen tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte]. Volgens de verdediging valt niet uit te sluiten dat [medeverdachte] zelfstandig heeft bedacht om in de woning te gaan inbreken.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe het volgende.

Verdachte heeft een ongeloofwaardige verklaring afgelegd over zijn aanwezigheid bij de woning. Daarnaast is verdachte sneller gaan lopen toen hij zag dat de politie achter hem aan kwam en bleef hij doorlopen toen tegen hem werd gezegd dat hij moest stoppen. Uit de bewijsmiddelen blijkt bovendien dat verdachte een breekijzer op zak had. Uit het voorgaande volgt naar het oordeel van de rechtbank dat verdachte wel degelijk van tevoren op de hoogte was van de aard en het doel van het bezoek aan de woning van aangever.

Verdachte heeft daarnaast ook een actieve rol in het feitencomplex gehad, zoals blijkt uit de onder 4.1 weergegeven bewijsmiddelen. Verdachte is samen met [medeverdachte] naar Harmelen gereden en heeft de auto bij de woning van aangever geparkeerd. Hij is samen met [medeverdachte] op het terrein van die woning gaan rondkijken, vervolgens zijn zij weg gereden en daarna zijn zij weer teruggekomen. [medeverdachte] heeft toen met een glimmend voorwerp timmerende bewegingen gemaakt bij de achterdeur. Verdachte is op dat moment op de bewoner afgelopen en is een gesprek met hem begonnen. Verdachte is daarna weggelopen, waarbij door een getuige is gezien dat hij een breekijzer weggooide. Uit deze feitelijke gang van zaken blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat sprake is van gezamenlijke uitvoeringshandelingen en van voorafgaande en/of stilzwijgende afspraken met betrekking tot de inbraak.

Concluderend acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat tussen verdachte en [medeverdachte] van een dusdanige nauwe en bewuste samenwerking sprake is geweest, dat kan worden bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan een poging tot diefstal met braak, tezamen en in vereniging gepleegd.

4.5 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 09 november 2011 te Harmelen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning gelegen aan de [adres] weg te nemen goederen en/of geld, toebehorende aan [benadeelde], en zich daarbij de toegang tot voornoemde woning te verschaffen door middel van braak, tezamen en in vereniging met een ander, als volgt heeft gehandeld: hebbende hij, verdachte en/of zijn mededader

- voornoemde woning afgelegd en

- met een breekwerktuig in de sluitnaad van de achterdeur gewrikt,

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op:

Poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de

toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 10 weken, met aftrek van voorarrest. De officier van justitie heeft daarnaast gevorderd dat de auto van verdachte wordt verbeurdverklaard, omdat het strafbare feit met de auto is gepleegd.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte niet eerder voor soortgelijke strafbare feiten is veroordeeld. Daarnaast heeft de verdediging verzocht om geen gevangenisstraf op te leggen aan verdachte, omdat hij dan kans loopt dat hij zijn woning verliest.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte en zijn mededader hebben zich schuldig gemaakt aan een poging tot inbraak in een woning. Aan het plegen van woninginbraken en pogingen daartoe tilt de rechtbank zwaar. Woninginbraken veroorzaken niet alleen de nodige materiële schade, maar maken ook een forse inbreuk op de privacy van de bewoners. Het is algemeen bekend dat woninginbraken nog lange tijd voor gevoelens van angst en onveiligheid kunnen zorgen bij zowel de bewoners van de betreffende woningen als bij de buurtbewoners. Verdachte heeft geen rekening gehouden met deze gevolgen, maar heeft alleen gedacht aan zijn eigen financiële gewin.

Verdachte is blijkens een hem betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 10 november 2011 eerder met politie en justitie in aanraking geweest voor het plegen van strafbare feiten en liep nog in een proeftijd. De rechtbank beschouwt verdachte voor de onderhavige zaak als first offender omdat hij niet eerder veroordeeld is voor het plegen van inbraken of soortgelijke strafbare feiten.

De verdediging heeft verzocht om geen gevangenisstraf op te leggen aan verdachte omdat hij daardoor mogelijk zijn woning kan verliezen. De rechtbank is echter van oordeel dat, gelet op de ernst van het feit, oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats is.

Bij de bepaling van de duur van de straf heeft de rechtbank acht geslagen op de oriëntatiepunten van het LOVS. Als uitgangspunt wordt voor een inbraak in een woning door een first offender een gevangenisstraf van 3 maanden onvoorwaardelijk gehanteerd. De rechtbank ziet aanleiding om van dit oriëntatiepunt af te wijken omdat in deze zaak sprake was van een poging.

Alles afwegende acht de rechtbank, in afwijking van de vordering van de officier van justitie, een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden passend en geboden.

7 De benadeelde partij

De benadeelde partij [benadeelde] vordert een schadevergoeding van € 514,56 voor het ten laste gelegde feit. De rechtbank acht onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de benadeelde partij schade heeft geleden, nu op het voegingsformulier is aangegeven dat nog niet duidelijk is of en hoeveel door de verzekeringsmaatschappij vergoed zal worden. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering. De heer [benadeelde] kan zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

8 Het beslag

De teruggave aan verdachte

De rechtbank zal de teruggave gelasten van het hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerp, te weten een auto, merk BMW, kenteken [kenteken], aan verdachte, aangezien dit voorwerp niet vatbaar is voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en onder verdachte in beslag is genomen. De rechtbank is anders dan de officier van justitie van mening dat de auto niet verbeurd dient te worden verklaard. De rechtbank oordeelt dat het feit niet is begaan met behulp van de in beslag genomen auto. Verdachte en zijn medeverdachte zijn weliswaar met de auto naar de plaats delict toe gereden, maar dit valt naar het oordeel van de rechtbank niet onder artikel 33a lid 1 aanhef en onder c van het Wetboek van Strafrecht.

9 De vordering tot tenuitvoerlegging

De officier van justitie heeft gevorderd dat de voorwaardelijke straf van 5 maanden gevangenisstraf die aan verdachte is opgelegd bij vonnis van Rechtbank ’s-Gravenhage van 26 oktober 2010 ten uitvoer zal worden gelegd.

De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een nieuw strafbaar feit en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de vordering tot tenuitvoerlegging dient te worden toegewezen. De omstandigheid dat de voorwaardelijke gevangenisstraf is opgelegd terzake een andersoortig feit doet er niet aan af dat verdachte de algemene voorwaarde tijdens de proeftijd heeft overtreden. De rechtbank ziet geen aanleiding om de gevangenisstraf om te zetten in een werkstraf.

10 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14g, 45 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

11 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 2 maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Beslag

- gelast de teruggave aan verdachte van het inbeslaggenomen voorwerp, te weten een auto, merk BMW, kenteken [kenteken];

Vordering tenuitvoerlegging

- gelast dat de voorwaardelijke straf die bij vonnis van rechtbank ’s-Gravenhage d.d. 26 oktober 2010 is opgelegd in de zaak onder parketnummer 09/900429-10 ten uitvoer zal worden gelegd, te weten een gevangenisstraf van 5 maanden;

Benadeelde partij

- verklaart de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk in zijn vordering en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- veroordeelt voornoemde benadeelde partij in de kosten van verdachte, tot op heden begroot op nihil;

Voorlopige hechtenis

- heft het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte op met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan die van de opgelegde vrijheidsstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. Oostendorp, voorzitter, mrs. H.A. Brouwer en P.L.C.M. Ficq, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D. Riani el Achhab, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 23 december 2011.