Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BU9758

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
21-12-2011
Datum publicatie
30-12-2011
Zaaknummer
16/ 710752-10 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bijstandsfraude. Vrijspraak van een deel van de tenlastegelegde periode. Geheel voorwaardelijke gevangenisstraf gelet op persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/ 710752-10 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 21 december 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1953] te [geboorteplaats],

wonende [adres], [woonplaats],

raadsvrouw mr. M.S.F. Ilahibaks-Gulzar, advocaat te Utrecht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 7 december 2011, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

in de periode van 1 januari 2002 tot en met 27 april 2010 opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de inkomsten die zijn partner, medeverdachte [medeverdachte], met wie verdachte een gezamenlijke huishouding voerde, door bijstandsfraude heeft verkregen.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging en er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan en baseert zich daarbij op de bekennende verklaringen van verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte] en de inhoud van de door medeverdachte [medeverdachte] ingevulde en ondertekende inkomstenformulieren.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank tot een bewezenverklaring kan komen van het ten laste gelegde feit, met dien verstande dat dient te worden uitgegaan van een beperktere periode van samenwoning dan is ten laste gelegd. Volgens de raadsvrouw kan, afgaand op de verklaring van verdachte, worden uitgegaan van samenwoning vanaf medio 2004 tot 27 april 2010, de dag waarop verdachte en zijn medeverdachte zijn aangehouden.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte, inhoudende dat hij medio 2004 is gaan samenwonen met medeverdachte [medeverdachte], dat hij altijd al bij haar over de vloer kwam, maar dat hij, na het overlijden van zijn vader in juni 2004, bij haar is gaan wonen en dat hij wist dat medeverdachte [medeverdachte] een uitkering had;

- de inhoud van de door medeverdachte [medeverdachte] in de periode vanaf 27 juli 2004 tot en met 25 maart 2007 ingevulde en ondertekende inkomstenformulieren, welke formulieren telkens ook de verplichting inhielden om wijzigingen in de woonsituatie, gezinssamenstelling of burgerlijke staat door te geven;

- de verklaring van medeverdachte [medeverdachte], inhoudende dat medeverdachte [verdachte] bij haar woont, dat zij wist wat er op de formulieren van de sociale dienst stond en dat ze wist dat zij had moeten doorgeven dat medeverdachte [verdachte] bij haar woonde.

Nadere bewijsoverweging ten aanzien van de periode

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij na het overlijden van zijn vader, in juni 2004, bij medeverdachte [medeverdachte] is gaan wonen op het adres [adres] te [woonplaats]. Verdachte heeft op 27 april 2010 een verklaring van dezelfde strekking afgelegd bij de politie.

Medeverdachte [medeverdachte] heeft wisselende verklaringen afgelegd over de periode van samenwoning met verdachte. De verklaringen van medeverdachte [medeverdachte] over de periode van samenwoning variëren van dertig of twintig jaren tot enkele jaren.

Wettig en overtuigend bewijs voor een langere periode van samenwoning dan vanaf medio 2004 ontbreekt. Gelet hierop acht de rechtbank de verklaring van verdachte aannemelijk en gaat de rechtbank uit van een kortere periode van samenwoning dan is ten laste gelegd. Deze periode vangt aan op 1 juli 2004. De rechtbank spreekt verdachte derhalve vrij voor wat betreft de periode van 1 januari 2002 tot 1 juli 2004.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

op meerdere tijdstippen in de periode van 1 juli 2004 tot 27 april 2010 te Utrecht, opzettelijk voordeel heeft getrokken uit hetgeen werd aangeschaft met door

misdrijf verkregen geld, te weten geld van een door [medeverdachte], met wie hij, verdachte, duurzaam een gezamenlijke huishouding voerde als bedoeld in de Algemene Bijstandswet en de Wet Werk en Bijstand, door middel van het door die [medeverdachte] opzettelijk niet voldoen aan de inlichtingenverplichtingen uit hoofde van de Algemene Bijstandswet en de Wet Werk en Bijstand verkregen uitkering, welk geld geheel of gedeeltelijk werd besteed aan het huishouden waarvan hij, verdachte, deel uitmaakte.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezen verklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

Opzettelijk uit de opbrengst van enig door misdrijf verkregen goed voordeel trekken, meermalen gepleegd.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 7 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat dient te worden uitgegaan van een kortere periode van samenwoning van verdachte en zijn medeverdachte. Het benadelingsbedrag is dan ook lager dan het bedrag waarvan de officier van justitie bij het formuleren van haar eis is uitgegaan, zodat de op te leggen straf ook lager zou moeten uitvallen dan is gevorderd. Voorts heeft de raadsvrouw aangevoerd dat er geen reclasseringsrapport is opgesteld over verdachte. Het is daarom niet goed in te schatten wat de gevolgen van een eventuele gevangenisstraf of werkstraf zouden zijn voor verdachte. Verdachte is belast met de dagelijkse verzorging van zijn medeverdachte. Hij heeft een volledige baan als vrachtwagenchauffeur en kampt sinds kort met medische problemen zoals een versleten knie en een versleten heup. De raads¬vrouw heeft daarom verzocht om een geheel voorwaardelijke straf op te leggen.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich gedurende een lange periode schuldig gemaakt aan het opzettelijk voordeel trekken uit gelden, die door de vrouw, medeverdachte [medeverdachte], met wie verdachte samenwoonde, door bijstandsfraude waren verkregen. Daarbij heeft verdachte zich welbewust ten behoeve van die uitkeringsfraude op een ander adres dan zijn feitelijk woonadres laten inschrijven. Door aldus te profiteren van de aan medeverdachte [medeverdachte] verstrekte uitkering heeft hij, met haar, misbruik gemaakt van het sociale stelsel zoals dat in Nederland bestaat. De rechtbank merkt daarbij op dat een bijstandsuitkering bedoeld is om de mensen, die om wat voor reden dan ook niet in hun eigen inkomen kunnen voorzien, te verzekeren van een aanvaardbaar inkomen. Misbruik van sociale voorzieningen ondermijnt dit sociale stelsel.

Een dergelijk feit rechtvaardigt in beginsel het opleggen van een onvoorwaardelijk gevangenisstraf. Het zijn slechts de bijzondere, in de persoon van verdachte gelegen omstandigheden, zoals het belang van het behoud van zijn baan, de verantwoordelijkheid voor de zorg van medeverdachte [medeverdachte] en de medische problemen waarmee verdachte thans te kampen heeft, die de rechtbank hebben doen besluiten hiervan in substantiële zin ten gunste van verdachte af te wijken. Alles afwegend is de rechtbank om die reden van oordeel dat een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden een passende reactie is.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57 en 416 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

opzettelijk uit de opbrengst van enig door misdrijf verkregen goed voordeel trekken, meermalen gepleegd;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 3 maanden, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat de voorwaardelijke straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Bender, voorzitter, mr. J.R. Krol en mr. M.H.L. Schoenmakers, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.J. Verborg, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 21 december 2011.