Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BU9739

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
15-12-2011
Datum publicatie
30-12-2011
Zaaknummer
16/600356-11 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak inbraak/heling en inbraak. Veroordeling heling en inbraak. Preliminair verweer niet ontv OM verworpen. Verweer onrechtmatige aanhouding (onvoldoende verdenking voor geven stopteken) en onrechtmatige uitoefening bevoegdheid door.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/600356-11 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 15 december 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1988] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres].

Raadsman mr. J. de Haan, advocaat te Grave.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzittingen van 18 juli 2011, 10 oktober 2011 en 1 december 2011, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

ten aanzien van feit 1:

- samen met anderen heeft ingebroken in een tweetal bungalows, behorende bij een hotel, dan wel samen met anderen een televisie heeft geheeld die bij die inbraak is weggenomen;

ten aanzien van feit 2:

- samen met anderen heeft ingebroken in een woning en of restaurant en daarbij een aantal goederen, waaronder diverse vuurwapens, heeft weggenomen;

ten aanzien van feit 3:

- samen met anderen vier maal heeft ingebroken in een woning en/of garage, dan wel samen met anderen goederen heeft geheeld die bij die inbraken zijn weggenomen;

3 De voorvragen

3.1 Ontvankelijkheid officier van justitie

De raadsman heeft ter zitting aangevoerd dat er, gelet op de wijze waarop de politie in onderhavige zaak haar onderzoek heeft verricht en het proces-verbaal heeft opgesteld, geen sprake is van een deugdelijk proces, conform het gestelde in artikel 6 EVRM. De politie heeft, aldus de raadsman, betreffende de verdachte uitsluitend belastende zaken vastgelegd en heeft hetgeen mogelijk ontlastend is voor verdachte genegeerd en niet opgenomen in haar processen-verbaal. Derhalve is, aldus de raadsman, de officier van justitie niet ontvankelijk in haar vervolging. Voorts heeft de raadsman ter zitting gesteld dat er naar zijn mening geen sprake is van boos opzet van de zijde van de politie.

De rechtbank is van oordeel dat het door de raadsman gestelde niet berust op gebleken feiten en omstandigheden. De rechtbank is derhalve van oordeel dat het verweer van de raadsman feitelijke grondslag mist. Voorts wijst de rechtbank erop, gelet op het voorgaande ten overvloede, dat de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie niet in het geding is nu niet is voldaan aan het zogenaamde Zwolsmancriterium. De raadsman heeft zich immers uitdrukkelijk op het standpunt gesteld dat geen sprake is van boos opzet van de zijde van de politie.

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman en stelt vast dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging.

3.2 overige voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder

1 primair, 2 en 3 subsidiair ten laste gelegde feiten heeft gepleegd. Voor zover in de tenlastelegging onder feit 3 subsidiair, wordt gesproken van een mobiele telefoon, merk Samsung, dient verdachte daarvan te worden vrijgesproken. Voorts dient verdachte vrijgesproken te worden van het onder 3 primair ten laste gelegde feit.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat waar het de aanhouding van de verdachte betreft sprake is van een vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (Sv.). Derhalve dient bewijsuitsluiting te volgen van de in beslag genomen televisie en dient verdachte vrijgesproken te worden van het onder 1 tenlastegelegde.

De verdediging is voorts van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de ten laste gelegde feiten en dat verdachte derhalve vrijgesproken dient te worden.

De verdediging voert daartoe aan dat, ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde, op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat verdachte direct betrokken is geweest bij de inbraak dan wel dat verdachte betrokken is geweest bij de heling van de televisie en/of wetenschap had van de aanwezigheid van de televisie in de auto. De verdediging acht de verklaring van [medeverdachte] onbetrouwbaar.

Ten aanzien van feit twee stelt de verdediging dat, op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat verdachte direct betrokken is geweest bij de inbraak. Verdachte heeft een alibi voor 25 december 2009, gelet op de verklaringen van [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3]. Voorts heeft verdachte, gelet op zijn werkzaamheden op het terrein van aangeefster, een aannemelijke verklaring voor de aanwezigheid van zijn bloed op het raam van de woning van aangeefster, voor zover – aldus de verdediging - het aangetroffen bloed ook daadwerkelijk het bloed van verdachte betreft.

Ten aanzien van feit 3 primair refereert de verdediging zich aan het standpunt van de officier van justitie. Ten aanzien van de subsidiair ten laste gelegde heling stelt de verdediging dat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat verdachte direct betrokken is geweest bij de heling van de betreffende goederen.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

4.3.1 aanhouding

De verdediging heeft aangevoerd dat in de onderhavige situatie geen aanleiding en omstandigheden aanwezig waren voor de verbalisanten om, na het geven van een stopteken, aan verdachte en zijn medeverdachten te verzoeken hun identiteitsbewijzen te tonen. Verbalisanten hadden op dat moment de in de auto aanwezige koevoet nog niet gezien.

De verdediging verwijst daarbij naar een uitspraak van de rechtbank Den Bosch (LJN BL8763) in een zaak met, aldus de verdediging, soortgelijke omstandigheden. De rechtbank heeft destijds geoordeeld dat men misbruik had gemaakt van de bij de Wet op de Identificatieplicht gegeven controlebevoegdheid.

De verdediging stelt dat er in de onderhavige zaak eveneens sprake is van een onrechtmatige uitoefening van hun bevoegdheid door de betreffende verbalisanten, hetgeen een vormverzuim betreft in de zin van artikel 359a Sv. Dit dient te leiden tot uitsluiting van al het bewijs dat ten gevolge van het verzoek tot het tonen van de identiteitsbewijzen is verkregen en met name van de inbeslagneming van de televisie en de sieraden.

Vaststaande feiten en omstandigheden.

Op 16 februari 2011 zagen verbalisanten om 01.15 uur ’s nachts een personenauto rijden met daarin minstens vier personen. Ambtshalve was hen bekend dat het voertuig op naam stond van een persoon die bij de politie bekend staat als een inbreker. Het voertuig kwam uit een wijk waar regelmatig werd ingebroken. De verbalisanten hebben de auto een stopteken gegeven. In de auto zaten vijf personen, waaronder verdachte. Vier van de inzittenden bleken ambtshalve bekend bij verbalisanten. De verbalisanten hebben de inzittenden naar hun identiteitsbewijzen gevraagd om te kijken of er boetes open stonden. Vervolgens is [verdachte] uitgestapt en zei dat zijn legitimatiebewijs mogelijk elders in de auto zou liggen. Toen zag de verbalisant door de geopende deur een koevoet in de auto liggen op de plaats waar [verdachte] had gezeten, waarop men is overgegaan tot aanhouding en doorzoeking van de auto.

De rechtbank is – mede gelet op hetgeen door de verdediging is aangevoerd – van oordeel dat een tweetal vragen beantwoord dient worden.

Vraag 1: Is het stopteken bevoegd gegeven?

De rechtbank overweegt daartoe dat de politie op grond van artikel 2 Politiewet de politie ter strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde in de fase waarin (nog) geen sprake is van een verdenking van een strafbaar feit bepaalde handelingen mag verrichten mits daardoor slechts een beperkte inbreuk wordt gemaakt op het recht van mensen op bescherming van hun persoonlijke levenssfeer (zie HR 19 december 1995, NJ 1996, 249).

De rechtbank is van oordeel dat door het geven van het stopteken slechts een beperkte inbreuk is gemaakt op dat recht. De rechtbank is voorts van oordeel dat, gelet op de omstandigheden en hetgeen bij de verbalisanten ambtshalve bekend was, het stopteken kon worden gegeven in het kader van de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde. Het stopteken is derhalve bevoegd gegeven.

Vraag 2: Mocht de politie vervolgens om legitimatie vragen?

In het proces-verbaal (pagina 64) is vermeld dat het stopteken is gegeven op grond van artikel 96b van het Wetboek van Strafvordering. De rechtbank is met de verdediging van oordeel dat ten tijde van het geven van het stopteken nog geen sprake was van een verdenking van een misdrijf, zodat er op grond van deze bepaling geen bevoegdheid bestond tot het geven van het stopteken.

Het voorgaande kan echter naar het oordeel van de rechtbank zonder gevolgen blijven omdat in de onderhavige zaak, anders dan in de aangehaalde zaak van de rechtbank Den Bosch, wel voldoende aanleiding was om op grond van artikel 2 Politiewet in samenhang met artikel 2 van de Wet op de Identificatieplicht om een legitimatie te vragen. De verbalisanten zagen immers de auto met de vier/vijf inzittenden 's nachts rijden in een buurt waar veel inbraken worden gepleegd, terwijl het kenteken op naam stond van iemand die bij de politie bekend stond als inbreker. Gelet hierop kon de politie in het kader van de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde over gaan tot een controle van de identiteit van de inzittenden.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat er, vanaf het moment dat men de koevoet in de auto zag liggen, voldoende verdenking was om over te gaan tot aanhouding van de verdachten en doorzoeking van de auto.

De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging.

4.3.2 vrijspraak

feit 1 primair

De rechtbank is van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte samen met anderen betrokken is bij de primair ten laste gelegde inbraak. De rechtbank overweegt daartoe dat zich in het dossier onvoldoende aanknopingspunten bevinden waaruit de directe betrokkenheid van verdachte bij voornoemd feit volgt. Het enkele feit dat verdachte inzittende van een auto is, waarin later - in de kofferbak - één van de gestolen televisies wordt aangetroffen, is daartoe onvoldoende.

feit 3 primair

De rechtbank is, met de officier van justitie en de raadsman, van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte samen met anderen betrokken is bij de hem ten laste gelegde inbraken. Het dossier biedt daarvoor onvoldoende aanknopingspunten.

feit 3 subsidiair

De rechtbank is van oordeel dat evenmin wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte samen met anderen de in de tenlastelegging genoemde goederen heeft geheeld. De rechtbank overweegt daartoe dat voornoemde goederen, met uitzondering van de personenauto, blijkens het dossier op respectievelijk 5 april 2011 en 14 april 2011 zijn aangetroffen in de woning van medeverdachte R. van Grondelle en/of de auto van verdachte. Op basis van het dossier kan derhalve niet worden vastgesteld dat verdachte en/of zijn medeverdachten deze goederen in of omstreeks de ten laste gelegde periode van 18 september 2009 tot en met 5 februari 2011 voorhanden hebben gehad.

Ten aanzien van de personenauto overweegt de rechtbank dat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat verdachte op enig moment voornoemde auto voorhanden heeft gehad.

De rechtbank zal verdachte derhalve vrijspreken van de hem onder 1 primair, 3 primair en 3 subsidiair ten laste gelegde feiten.

4.3.3 bewezenverklaring

De rechtbank acht, op basis van de hieronder genoemde feiten en omstandigheden, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de hem onder feit 1 subsidiair en feit 2 ten laste gelegde feiten heeft gepleegd.

feit 1 subsidiair

Op 21 februari 2011 heeft [aangever] namens [benadeelde], gelegen aan de [adres] te [woonplaats] aangifte gedaan van een inbraak in een tweetal bungalows (nummers 294 en 295), gepleegd in de periode van 15 februari 2011 tot 17 februari 2011, waarbij een tweetal flatscreens en een hoeslaken zijn weggenomen.Een van de flatscreens, merk LG heeft als typenummer 32LH3300 en serienummer 907HMFD02563.

Op 16 februari 2011 zagen verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] omstreeks 01.15 uur te Driebergen-Rijsenburg een personenauto rijden welke op naam staat van medeverdachte [medeverdachte 2]. In de auto bevonden zich verdachte, [medeverdachte 3], [medeverdachte 2], [medeverdachte 4] en [medeverdachte]. In de kofferbak van de auto trof men een flatscreen aan, merk LG, typenummer 32LH3300 en serienummer 907HMFD02563 en een afstandbediening, merk LG. De flatscreen was in een wit laken gewikkeld.

[medeverdachte] heeft verklaard dat hij [verdachte] (de rechtbank begrijpt dat hier verdachte wordt bedoeld) hoorde zeggen: “Shit, de televisie ligt nog in de achterbak” en [verdachte] tegen [X] (de rechtbank begrijp dat hier medeverdachte [medeverdachte 2] wordt bedoeld) hoorde zeggen dat hij moest zeggen dat de televisie van hem was, het was namelijk ook zijn auto.

[medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij de televisie op straat in Zeist van een Marokkaanse jongen, genaamd [naam], heeft gekocht.

Verklaring [medeverdachte].

De rechtbank acht, anders dan de raadsman, de verklaring van [medeverdachte] betrouwbaar. De rechtbank overweegt daartoe dat [medeverdachte] met zijn verklaringen ook zichzelf heeft belast.

feit 2

[A] heeft aangifte gedaan van een inbraak in haar woning aan de [adres] te [woonplaats] (gemeente Utrechtse Heuvelrug) op 25 december 2009. Hierbij is een ruit vernield en een raam geforceerd. Uit de woning zijn weggenomen een geldbedrag van ongeveer € 1.000,00, een televisie met ingebouwde DVD speler, merk Solara (type 2037tnlcd50), een laptop, merk Acer en twee computers, merk HP. Voorts is een in de woning aanwezige kluis geopend met behulp van de in de woning aanwezige sleutels. Uit de kluis zijn weggenomen: een revolver (type Uberti 1860 Army, kaliber 44bp), een geweer (merk Parker, kaliber 308 win), een geweer (merk Saginaw, kaliber 30 ml) en een geweer (merk Mauser). Uit het restaurant aan de [adres] te [woonplaats] zijn een kassalade met daarin ongeveer € 200,00 en een printer weggenomen. Op deze locatie zijn geen braaksporen aangetroffen.

Op een glasscherf, aangetroffen onder een bureau onder het inklimraam, via welk raam men de woning aan de [adres] in [woonplaats] is binnengegaan, is bloed aangetroffen.

Uit onderzoek is gebleken dat het DNA profiel van verdachte [verdachte] overeenkomt met het DNA profiel van het bloed dat is aangetroffen op voornoemde glasscherf. De kans dat het profiel van een ander dan van verdachte afkomstig is kleiner dan één op één miljard.

In de woning van [medeverdachte 3] aan de [adres] te [woonplaats] is op 5 april 2011 een doorzoeking verricht. In de woning zijn onder andere aangetroffen: [verdachte], [medeverdachte 3] en [medeverdachte]. In de woning is onder meer een televisie, merk Solara aangetroffen. Op diverse plaatsen in de woning van [medeverdachte 3] aan de [adres] te [woonplaats] zijn diverse brieven en bescheiden aangetroffen ten name van onder andere [verdachte] met als adres [adres] te [woonplaats].

Op het politiebureau heeft [A] de in de woning aan de [adres] te [woonplaats] aangetroffen televisie, merk Solara, herkend als de televisie die uit haar woning is weggenomen bij de inbraak op 25 december 2009.

Aanvullende bewijsoverwegingen.

Verdachte heeft verklaard dat zijn bloed mogelijk ten tijde van zijn werkzaamheden op het terrein van aangeefster op het raam terecht is gekomen.

De rechtbank acht deze verklaring niet aannemelijk. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

Aangeefster heeft verklaard dat verdachte met onder andere zijn vader ongeveer eind februari 2009 werkzaamheden bij haar heeft verricht. Verdachte leerde daar hindernissen te bouwen. Na die klus zijn de ramen een aantal malen gelapt en is [verdachte] blijkens haar verklaring nooit meer bij aangeefster geweest.

De vader van verdachte heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat hij vanaf de 3e of 4e maand van 2009 bij aangeefster heeft gewerkt. In het begin was verdachte daar ook bij. Verdachte heeft voornamelijk steigers gebracht en gehaald, verder heeft hij daar niet gewerkt. De werkzaamheden die daar in december 2009 plaatsvonden hadden niets met het woonhuis te maken. Verdachte heeft daar toen niet gewerkt.

Uit de door de raadsman overgelegde facturen van het bedrijf van de vader van verdachte blijkt ook niet dat verdachte eind 2009 werkzaamheden heeft verricht op het terrein van aangeefster. De overgelegde facturen zijn gedateerd in de periode 3 februari 2009 t/m 11 maart 2009 en hebben deels betrekking op werkzaamheden op andere locaties. Voorts volgt uit de facturen niet door welke persoon of personen de betreffende werkzaamheden zijn uitgevoerd.

Voorts is de rechtbank, anders dan de raadsman, van oordeel dat niet is komen vast te staan dat verdachte op 25 december 2009 de hele dag bij zijn familie is geweest. De rechtbank overweegt daartoe dat de verklaringen van [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 3] de directe betrokkenheid van verdachte bij de inbraak niet uitsluiten.

Medeplegen

De rechtbank is van oordeel dat dit onderdeel van de tenlastelegging niet wettig en overtuigend bewezen kan worden. De rechtbank overweegt daartoe dat het dossier daarvoor onvoldoende aanknopingspunten biedt.

De rechtbank zal verdachte derhalve vrij spreken van dit deel van de tenlastelegging.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

ten aanzien van feit 1 subsidiair

op 16 februari 2011 te Driebergen-Rijsenburg, tezamen en in vereniging met een ander, een flatscreen tv voorhanden heeft gehad, terwijl hij en zijn mededaders ten tijde van het voorhanden krijgen van voornoemde flatscreen tv redelijkerwijs moesten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

ten aanzien van feit 2.

op 25 december 2009 te Amerongen, gemeente Utrechtse Heuvelrug, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning en een restaurant, gelegen aan de [adres], heeft weggenomen een revolver (type Uberti 1860 Army, kaliber 44bp) en een geweer (merk Parker, kaliber 308 win) en/of een geweer (merk Saginaw, kaliber 30 ml) en een geweer (merk Mauser) en computers (merk Acer en/of HP) en een televisie (merk Salora) en een geldbedrag toebehorende aan [A], waarbij verdachte zich de toegang tot de eerstgenoemde plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van braak en inklimming, te weten door een ruit te vernielen en door een raam te forceren;

Voorzover in het bewezenverklaarde deel van de tenlastelegging taal- en of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

ten aanzien van feit 1 subsidiair:

- medeplegen van schuldheling;

ten aanzien van feit 2:

- diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming;

en

- diefstal.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 14 maanden, met aftrek.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft algehele vrijspraak bepleit en heeft geen standpunt ingenomen met betrekking tot de strafmaat.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een woninginbraak, waarbij onder andere een aantal vuurwapens is weggenomen. Deze vuurwapens zijn tot op heden niet teruggevonden. De rechtbank acht de kans groot dat deze vuurwapens door toedoen van verdachte in het illegale circuit terecht zijn gekomen. Vuurwapens worden vaak gebruikt bij het plegen van strafbare feiten en vormen een groot gevaar en een aanzienlijke bedreiging voor een veilige samenleving.

Voorts heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan heling en daarmee bijgedragen aan de instandhouding van een afzetmarkt voor gestolen goederen, afkomstig uit inbraken. Hiermee is verdachte mede verantwoordelijk voor die inbraken.

Dergelijke feiten veroorzaken niet alleen vaak overlast en aanzienlijke materiële schade, maar maken ook een forse inbreuk op de privacy van de bewoners.

Voor wat betreft de hoogte van de straf zal de rechtbank acht slaan op de straffen welke doorgaans worden opgelegd bij (woning)inbraken.

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- het uittreksel justitiële documentatie d.d. 20 oktober 2011 waaruit volgt dat verdachte eerder voor het plegen van strafbare feiten, waaronder soortgelijke feiten, is veroordeeld;

- het omtrent verdachte opgemaakt reclasseringsrapport d.d. 11 juli 2011, opgemaakt door H. van Benthem, waaruit volgt dat de reclassering zich onthoudt van een advies over de sanctie.

De rechtbank zal, nu zij tot een andere bewezenverklaring komt dan waar de officier van justitie bij haar eis vanuit is gegaan, aan verdachte een lagere straf opleggen dan door de officier van justitie is geëist.

Alles afwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf van 8 maanden passend en geboden.

Gelet op voornoemd strafblad en reclasseringsrapport ziet de rechtbank geen aanknopingspunten voor het opleggen van een (deels) voorwaardelijke gevangenisstaf.

De rechtbank ziet evenmin ruimte voor een andere of lichtere sanctie dan voornoemde vrijheidsbenemende straf.

7 De benadeelde partij

De benadeelde partij [benadeelde] vordert een schadevergoeding van € 804,16 voor feit 1.

De officier van justitie heeft het standpunt ingenomen dat deze vordering hoofdelijk dient te worden toegewezen met toepassing van de maatregel tot schadevergoeding.

Verdachte wordt vrijgesproken van het feit waaruit de schade zou zijn ontstaan.

De rechtbank zal daarom de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 47, 57, 63, 310, 311, 416 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Voorvragen

- verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging van verdachte;

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van de onder 1 primair, 3 primair en 3 subsidiair ten laste gelegde feiten;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1 subsidiair: medeplegen van schuldheling;

feit 2: diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming;

en

diefstal;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 8 maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Benadeelde partij

- verklaart de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

Voorlopige hechtenis

Heft het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte op met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan die van de opgelegde vrijheidsstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.L.C.M. Ficq, voorzitter, mr. M.J. Veldhuijzen en mr. J.R. Krol, rechters, in tegenwoordigheid van G. van Engelenburg, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 15 december 2011.