Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BU9704

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
21-12-2011
Datum publicatie
29-12-2011
Zaaknummer
305986 / HA ZA 11-856
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beoordeling van vordering in kader van Europese betalingsbevelprocedure waarbij beoordeling naar Belgisch recht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector Handel en Kanton

zaaknummer / rolnummer: 305986 / HA ZA 11-856

Vonnis van 21 december 2011

in de zaak van

belgische bv met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres],

gevestigd te [woonplaats], België

eiseres,

advocaat mr. J.A.M.G. Vogels,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde] EUROPE BV,

gevestigd te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. F. Kolkman.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de beschikking van de rechtbank ’s Gravenhage van 31 maart 2011 ingevolge artikel 17 van de Verordening (EG) nr. 1896/2006 van het Europees parlement en de Raad van 12 december 2006 tot invoering van de Europese betalingsbevelprocedure (hierna: de Verordening)

- het tussenvonnis van 20 juli 2011

- het proces-verbaal van comparitie van 27 september 2011.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eiseres] is een onderzoek -en ontwikkelingslaboratorium dat zich onder meer bezighoudt met het verrichten van werkzaamheden ter zake medische laboratoria.

[gedaagde] houdt zich bezig met het verrichten van spoelingen ten behoeve van verontreiniging en het adviseren, begeleiden en verzorgen van infrastructurele aanpassingen van waterinstallaties en het waterleidingnet.

2.2. [gedaagde] heeft een desinfectiemiddel ten behoeve van legionellabestrijding ontwikkeld (hierna: het desinfectiemiddel). Om dat middel op de Nederlandse markt te kunnen brengen is toelating nodig van het College voor toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (CTBG) vereist.

2.3. [gedaagde] heeft [eiseres] in verband met het verkrijgen van voornoemde toestemming opdracht gegeven om onderzoek uit te voeren naar het desinfectiemiddel. Het onderzoek is door [eiseres], onder leiding van professor [X] van de Universiteit van [woonplaats], op tijd en naar tevredenheid van [gedaagde] uitgevoerd. Het desinfectiemiddel is door het CTBG goedgekeurd voor de Nederlandse markt.

2.4. Op 31 augustus 2007 heeft [eiseres] [gedaagde] een factuur gestuurd voor een totaalbedrag van € 47.817,29. De factuur vermeldt voorts:

“Werkuren € 17.643,96

Consumables € 15.699,14

Uitrustingsgoederen € 14.474,19“

2.5. [gedaagde] heeft een bedrag van € 10.000,00 aan [eiseres] voldaan.

2.6. Op 20 juli 2008 is [gedaagde] middels aangetekend schrijven door [eiseres] verzocht tot betaling van het restantbedrag van € 37.817,29 over te gaan. [eiseres] heeft [gedaagde] daartoe vervolgens bij aangetekende brieven van 20 oktober 2008, 29 juni 2010 en 5 augustus 2010 gesommeerd. Op geen van deze brieven is door [gedaagde] gereageerd.

3. Het geschil

3.1. [eiseres] vordert samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van een bedrag van € 55.122,37, vermeerderd met rente en kosten.

Zij baseert haar vordering op nakoming van de overeenkomst van opdracht. Tussen partijen is afgesproken dat de werkzaamheden op uurbasis zouden worden gefactureerd, de verbruiksmaterialen zouden worden vergoed en de voor het uitvoeren van de testen aan te kopen apparatuur eigendom van [eiseres] zou blijven. Zij stelt voorts dat op de overeenkomst Belgisch recht van toepassing is en dat verschuldigdheid van de vordering vaststaat nu op grond van artikel 25 van het Wetboek van Koophandel een factuur die niet is betwist bewijs van een verbintenis oplevert.

3.2. [gedaagde] voert verweer. In eerste instantie heeft zij (in de conclusie van antwoord) gesteld dat zij in het geheel geen overeenkomst van opdracht met [eiseres] heeft gesloten. Tijdens de comparitie van partijen heeft zij gesteld dat er wel een overeenkomst van opdracht is verstrekt, die tijdig en naar tevredenheid is uitgevoerd maar dat een vaste prijsafspraak was gemaakt, te weten € 10.000,- voor de apparatuur en € 5.000,- voor gewerkte uren, waarvan het eerste bedrag door haar aan [eiseres] is voldaan, zodat slechts resteert te betalen een bedrag van € 5.000,-. Voorts betwist [gedaagde] dat op de overeenkomst Belgisch recht van toepassing is.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

Toepasselijk recht

4.1. De bepaling van het toepasselijke recht dient plaats te vinden aan de hand van het Verdrag van Rome van 19 juni 1980 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (EVO-verdrag), nu de overeenkomst is gesloten voor 17 december 2009, Nederland bij dit verdrag partij is en de vordering betrekking heeft op door het verdrag bestreken onderwerpen. Nu niet is gesteld noch gebleken, dat door partijen een keuze is gedaan ten aanzien van het toepasselijke recht, is ingevolge artikel 4 lid 2 van dit verdrag het recht van toepassing van het land waar de partij die de meest kenmerkende prestatie moet verrichten op het tijdstip van het sluiten van de overeenkomst haar gewone verblijfplaats heeft. De meest kenmerkende prestatie, te weten de levering van diensten (het uitvoeren van testen) en goederen, wordt in het onderhavige geval door [eiseres] verricht, terwijl [gedaagde] daartegenover een geldsom dient te voldoen. Nu de kenmerkende prestant in België gevestigd is, wordt daarmee de overeenkomst vermoed het nauwst te zijn verbonden met België. Er zijn geen feiten of omstandigheden gesteld die noodzakelijkerwijs meebrengen dat de overeenkomst toch nauwer verbonden is met Nederland. De rechtbank is derhalve met [eiseres] van oordeel dat Belgisch recht dient te worden toegepast.

De hoofdsom

4.2. [eiseres] stelt in dit kader dat artikel 25 van het Wetboek van Koophandel bepaalt dat tussen handelaren een factuur die niet schriftelijk is betwist bewijs van een verbintenis oplevert en dat dit sinds langere tijd vaststaande jurisprudentie is. [gedaagde] stelt hier tegenover dat het protest naar Belgisch recht ook mondeling kan, hetgeen wel degelijk is gebeurd, aldus [gedaagde].

De rechtbank overweegt als volgt.

4.3. De tekst van artikel 25 Wetboek van Koophandel luidt:

“Behalve door de bewijsmiddelen die het burgerlijk recht toelaat, kunnen handelsverbintenissen ook worden bewezen door getuigen in alle gevallen waarin de rechtbank oordeelt dit te moeten toestaan, behoudens de uitzonderingen bepaald voor bijzondere gevallen.

Koop en verkoop kan bewezen worden door middel van een aanvaarde factuur, onverminderd de andere bewijsmiddelen die door de wetten op de koophandel zijn toegelaten.”

4.4. Artikel 25 lid 2 bepaalt uitdrukkelijk dat het bestaan van een koopovereenkomst kan worden bewezen middels een aangenomen factuur. Blijkens vaste Belgische jurisprudentie neemt dit niet weg dat een aangenomen factuur in een ander type overeenkomst, bijvoorbeeld een aannemingsovereenkomst, waar het gebruikelijk is facturen op te stellen, toch als bewijs kan worden gebruikt, zij het dan met de waarde van een feitelijk vermoeden (Cass. 1 december 1967, Arr. Cass 1968, 471 en Pas. 1968, I, 440; zie ook Cass. 29 januari 1996, Arr Cass. 1996, 126 en Pas. 1996, I, 143). Gelet op het vorenstaande moet aangenomen worden dat artikel 25 Wetboek van Koophandel eveneens van toepassing is op de onderhavige (gemengde) overeenkomst.

4.5. De rechtbank stelt voorop dat [gedaagde] als handelaar dient te worden aangemerkt. Voorts dient als vaststaand te worden aangenomen dat [gedaagde] de factuur en de sommatiebrieven heeft ontvangen en, eveneens als onbetwist, dat [gedaagde] na ontvangst van die factuur en de sommatiebrieven niet op enig moment schriftelijk heeft geprotesteerd tegen de (hoogte van) de oorspronkelijke factuur. [gedaagde] betwist in zoverre dan ook niet dat zij enig bedrag aan [eiseres] verschuldigd is, maar stelt dat zij een andere afspraak heeft gemaakt, op grond waarvan zij gehouden is - naast de betaling van

€ 10.000,- - een bedrag van € 5.000,- aan [eiseres] te voldoen.

4.6. Gelet op artikel 25 Wetboek van Koophandel alsmede rechtspraak en literatuur daaromtrent, levert een aanvaarde factuur in ieder geval een weerlegbaar vermoeden op van het bestaan van de overeenkomst. Blijkens het arrest van het Hof van Cassatie van België van 7 januari 2005 (nr. C.03.0129.N) kan de rechter uit de aanvaarding van een factuur een feitelijk vermoeden putten en er het bewijs in vinden dat de schuldenaar zijn akkoord heeft gegeven met de in de factuur vermelde verbintenis. Dat geldt ook wanneer de aanvaarde factuur is gestuurd ter uitvoering van een schriftelijke overeenkomst maar daarvan gedeeltelijk afwijkende verbintenissen inhoudt, aldus het Hof. In gelijke zin rechtbank van Koophandel te Gent 27 september 2007, rechtskundig weekblad 2010-11 nr 41 p. 1743 waarin is overwogen dat “uit het gebrek aan bewijs van een tijdig en regelmatig protest na de niet-betwiste ontvangst van de factuur dient overeenkomstig een gevestigde rechtsleer en rechtspraak in handelszaken te worden afgeleid dat verweerster stilzwijgend heeft aanvaard dat wat door eiseressen in de factuur werd bevestigd, overeenstemt met de overeenkomst, zodat deze factuur de overeenkomst bewijst. (..) Het na dagvaarding nog gevoerde verweer omtrent de door de aanvaarde facturen van eiseres gefactureerde bedragen is te laat en kan dan ook niet in aanmerking worden genomen. (..) De vaststaande aanvaarding van de factuur betekent dat diegene die zich op de factuur beroept voldoende bewezen heeft dat deze correspondeert met de werkelijkheid en dus de verbintenis van de tegenpartij aantoont waarvan het tegenbewijs niet is toegestaan. “

4.7. Zoals hiervoor overwogen dient als vaststaand te worden aangenomen dat Unixprox niet schriftelijk heeft gereageerd op de factuur, noch op het viertal aangetekende sommatiebrieven dat daarna aan haar is verzonden. [gedaagde] heeft weliswaar gesteld dat zij telefonisch heeft geprotesteerd, maar haar stelling op dit punt op geen enkele manier onderbouwd. Dit had wel op haar weg gelegen, bijvoorbeeld door aan te geven wanneer zij telefonisch contact met [eiseres] heeft gehad, met wie zij gesproken heeft en wat haar protest inhield. Nu zij dat heeft nagelaten dient als vaststaand te worden aangenomen dat er van haar zijde niet is geprotesteerd tegen de door [eiseres] aan haar verzonden factuur en daaropvolgende sommatiebrieven.

4.8. Gelet op al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat uit de ontvangst van de factuur (en de sommatiebrieven) en het stilzwijgen van [gedaagde] nadien, een feitelijk vermoeden kan worden afgeleid dat [gedaagde] zich akkoord heeft verklaard met de in die factuur vervatte verbintenis, derhalve ook met het aantal in rekening gebrachte gewerkte uren en de verbruikte consumables. Nog daargelaten de vraag of tegenbewijs naar Belgisch recht in een geval als het onderhavige mogelijk is, is de rechtbank van oordeel dat [gedaagde] onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld om dit feitelijke vermoeden te ontzenuwen. Zij heeft zich beperkt tot de stelling dat er een andersluidende afspraak is gemaakt, maar deze stelling verder niet onderbouwd. Evenmin heeft [gedaagde] ter zake het in rekening gebrachte aantal uren en de verbruikte goederen voldoende gesteld om aan het voornoemde feitelijke vermoeden af te doen. Gelet op het vorenstaande dient van het feitelijke vermoeden zoals volgt uit de niet betwiste factuur uit te worden gegaan zodat moet worden aangenomen dat de door [eiseres] aan [gedaagde] verzonden factuur bevestigt wat partijen met elkaar zijn overeengekomen. Dit betekent dat de vordering van [eiseres] (in hoofdsom) voor toewijzing gereed ligt.

Forfaitaire schadevergoeding

4.9. [eiseres] vordert voorts een bedrag van € 3.781,73 aan forfaitaire schadevergoeding. [gedaagde] voert verweer tegen deze vordering, onder meer door te stellen dat nergens uit blijkt dat zij deze vergoeding verschuldigd is en dat indien dat uit de verkoopvoorwaarden van [eiseres] zou blijken, heeft te gelden dat deze niet ter hand zijn gesteld. De rechtbank is met [gedaagde] van oordeel dat het op de weg van [eiseres] had gelegen om haar vordering op dit punt nader te onderbouwen. Zij heeft echter niet gesteld op grond waarvan haar een dergelijke aanspraak toekomt, eventuele algemene voorwaarden niet in het geding gebracht en evenmin gesteld op grond waarvan deze op de tussen partijen bestaande overeenkomst van toepassing is. Gelet daarop, en uitgaande van het ook naar Belgisch recht geldende beginsel dat een vordering voldoende onderbouwing behoeft, zal deze vordering worden afgewezen.

Kosten

4.10. [eiseres] vordert een bedrag ad € 1.935,00 aan kosten. Op de vraag welke proceskosten toewijsbaar zijn en hoe de toewijsbare proceskosten zich verhouden tot eventuele buiten de procedure gemaakte kosten is Nederlands procesrecht van toepassing. Gelet op het bepaalde in artikel 241 van het Nederlandse Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering had van [eiseres] mogen worden verwacht dat zij zou stellen en onderbouwen in hoeverre de door haar gevorderde kosten zien op proceskosten of op andere kosten. Nu [eiseres] dit heeft nagelaten, dienen de gevorderde kosten te worden afgewezen.

Rente

4.11. [eiseres] vordert ten slotte contractuele rente over de hoofdsom. De rechtbank overweegt ook hier dat [eiseres], na daartoe door [gedaagde] gevoerd verweer, heeft nagelaten te onderbouwen op grond waarvan deze contractuele rente verschuldigd is. Bij gebreke van enige onderbouwing op dit punt zal (als het mindere) de naar Belgisch recht geldende wettelijke handelsrente worden toegewezen op de hierna te bepalen wijze.

Proceskosten

4.12. [gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiseres] worden begroot op:

- griffierecht 935,00

- salaris advocaat 1.788,00 (2,0 punten × tarief € 894,00)

Totaal € 2.723,00

Uitvoerbaar bij voorraad

4.13. Gelet op het bepaalde onder overweging 25 van de considerans van de Verordening zal de rechtbank dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaren nu dat laatste kennelijk uitgangspunt van de Verordening is en [gedaagde] op dit punt geen verweer heeft gevoerd.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 37.817,29 (zevenendertig duizendachthonderdzeventien euro en negenentwintig eurocent), vermeerderd met de wettelijke handelsrente naar Belgisch recht, over het toegewezen bedrag vanaf 8 september 2007 tot de dag van volledige betaling,

5.2. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op € 2.723,00,

5.3. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

5.4. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.V.M. Veldhoen en in het openbaar uitgesproken op 21 december 2011.?