Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BU9666

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
21-12-2011
Datum publicatie
29-12-2011
Zaaknummer
284460 - HA ZA 10-765
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2013:7152, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verklaring voor recht. Vaststellingsovereenkomst niet vernietigbaar op grond van bedrog, nu de wederpartij bewust het risico heeft aanvaard dat eiseres tegen haar heeft gelogen en aspecten heeft verzwegen die voor haar van belang waren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handel en kanton

Handelskamer

zaaknummer / rolnummer: 284460 / HA ZA 10-765

Vonnis van 21 december 2011

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[Z] B.V.,

gevestigd te Amersfoort,

eiseres in de hoofdzaak,

verweerster in de incidenten,

advocaat mr. W.H.A.M. van den Muijsenbergh te Rotterdam,

tegen

de naamloze vennootschap

[W] N.V.,

gevestigd te Utrecht,

gedaagde in de hoofdzaak,

eiseres in de incidenten,

advocaat mr. G. te Winkel en mr. J.D. Kleyn te Amsterdam

Partijen zullen hierna [Z] en [W] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Tussen partijen zijn behalve deze procedure (“de verklaring voor recht-zaak”) nog twee procedures aanhangig. In de zaak met nummer 269150/09-1420 (“de herroepingszaak”) is [W] de eisende partij en [Z] de gedaagde. In de zaak met nummer 275512/09-2381 (“de terugbetalingszaak”) is [W] ook de eisende partij en zijn de gedaagde partijen [Z], [Y] B.V. (hierna: [Y]), [A] (hierna: [A]), [B] (hierna: [B]), [V] Beheer B.V. (hierna: [V]) en [C] (hierna: [C]). Tegen laatstgenoemde twee partijen is verstek verleend.

1.2. Tijdens de comparitie van 6 januari 2011 heeft de rechtbank in overleg met partijen beslist dat de stellingen en producties die een (in het geding verschenen) partij in een van de zaken heeft ingenomen dan wel overgelegd, worden beschouwd als mede te zijn ingenomen respectievelijk te zijn overgelegd in de overige zaken. Partijen hebben naar aanleiding daarvan op hun processtukken die zij na 6 januari 2011 hebben ingediend de zaaknummers van alle drie voornoemde zaken vermeld. Tevens heeft de rechtbank ter comparitie in overleg met partijen beslist dat de stellingen en producties van [Z] mede worden beschouwd als stellingen en producties van [Y], [A] en [B] enerzijds, en dat anderzijds de stellingen en producties van [Y], [A] en [B] mede worden beschouwd als stellingen en producties van [Z], tenzij dit tot tegenstrijdige standpunten leidt.

1.3. Het verloop van de procedure blijkt uit:

in de verklaring voor recht-zaak:

- de dagvaarding van [Z]

- de incidentele conclusie tot verwijzing ex art. 220 Rv tevens vordering ex art. 843a Rv van [W] van 28 oktober 2009

- het vonnis in de incidenten van de rechtbank Rotterdam van 27 januari 2010

- de conclusie van antwoord tevens houdende vordering tot inzage of afgifte van bescheiden ex art. 843a Rv van 23 juni 2010

- het tussenvonnis van 21 juli 2010

- de conclusie van antwoord in het incident ex artikel 843a Rv van [Z] van 8 december 2010

in de terugbetalingszaak:

- het tussenvonnis van 21 juli 2010

- de conclusie van antwoord van [Z] van 23 juni 2010

- de conclusie van antwoord van [Y], [A] en [B] van 23 juni 2010

in de herroepingszaak:

- het tussenvonnis van 21 juli 2010

in de verklaring voor recht-zaak, de terugbetalingszaak en de herroepingszaak:

- het proces-verbaal van comparitie van 6 januari 2011

- de brief van mr. W.H.A.M. van den Muijsenbergh van 15 februari 2011 met betrekking tot het proces-verbaal van comparitie

- het rolbericht van [W] van 23 februari 2011 met de mededeling dat zij afziet van het nemen van een akte met betrekking tot de producties die door [Z], [Y], [A] en [B] bij hun conclusies van antwoord zijn overgelegd op 23 juni 2010 (terugbetalingszaak)

- de akte uitlating producties van [Z] van 23 februari 2011(herroepingszaak)

- de akte uitlating producties van [Y], [A] en [B] van 23 februari 2011 (herroepingszaak)

- de akte houdende wijziging van eis van [W] van 23 maart 2011(terugbetalingszaak)

- de antwoordakte betreffende akte uitlating producties [Z] van [W] van 6 april 2011 (herroepingszaak)

- de antwoordakte betreffende akte uitlating producties [Y], [A] en [B] van [W] van 6 april 2011 (herroepingszaak)

- de akte houdende bezwaar tegen wijziging van eis van [Z] van 6 april 2011 (terugbetalingszaak)

- de akte houdende bezwaar tegen wijziging (grondslag) van eis van [Y], [A] en [B] van 6 april 2011 (terugbetalingszaak)

- het tussenvonnis van 18 mei 2011 (terugbetalingszaak)

- de antwoordakte houdende reactie op gewijzigde vordering van 29 juni 2011 van [Z] (terugbetalingszaak)

- de antwoordakte op de gewijzigde gewijzigde grondslag van eis (onrechtmatige daad) van 29 juni 2011 van [Y], [A] en [B] (terugbetalingszaak)

- de akte uitlating producties [Y] c.s. van [W] van 27 juli 2011 (terugbetalingszaak).

1.4. In het vonnis in incident van 12 mei 2010 zijn de zaken met nummer 269150/09-1420 (herroepingszaak) en 275512/09-2381 (terugbetalingszaak) gevoegd. Eerstgenoemde zaak is echter op 6 januari 2011 naar de parkeerrol verwezen, met als gevolg dat de voeging ongedaan is gemaakt.

1.5. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [Z] is een investeringsfonds dat op 12 oktober 1999 is opgericht door [X] beleggingen BV (verder te noemen: [X]). [X] is een onderneming van een deel van de familie [A]. De aandelen in [X] worden voor 25% gehouden door [Y]. [A] en [B] zijn indirect de enige bestuurders van zowel [X] als [Y]. De aandelen in [Y] zijn indirect eigendom van [A] en [B]. [X] houdt een belang van 90% in [Z], de andere 10% wordt gehouden door [Z] Management B.V., de enige bestuurder van [Z]. De enige bestuurder van [Z] Management B.V. is [D] Communications BV. Prof. Dr. [D] (hierna: [D]) is de enige bestuurder van [D] Communications B.V. Indirect zijn de aandelen in [Z] Management B.V. eigendom van [D].

2.2. [W] is een private-equityfonds dat op 21 december 1998 is opgericht. Bestuurder van [W] is [W] Management B.V. (hierna [W] Management). Laatstgenoemde is een 100% dochtervennootschap van [E] Capital Partners B.V. (hierna: [E]). [C] was van 31 maart 1995 tot 15 juli 2000 bestuurder van [E]. Het bestuur van [W] Management werd ten tijde van de oprichting van [W] gevormd door [C], [F] en [G]. [C] heeft deze functie tot 15 juli 2000 vervuld. [H] is medebestuurder geweest van [W] Management van 1 januari 2006 tot 14 augustus 2006 en van 31 januari 2007 tot 1 januari 2008. Sinds 1 januari 2008 is [H] lid van de raad van commissarissen van [E]. Het bestuur van [W] Management bestaat sinds 1 januari 2008 uit [F] en [I]. Het bestuur van [E] bestaat momenteel uit [F], [I], [J] en [K].

2.3. De raad van commissarissen van [W] bestond van 17 april 2002 tot

10 november 2008 uit [L] en twee anderen.

2.4. Tussen partijen is een geschil gerezen over de vraag of [Z] een zogenoemd co-investeringsrecht in [W] had. In een brief van 23 september 2005 heeft [C] in verband hiermee een verklaring afgelegd, naar aanleiding van enkele door de raadsman van [Z] gestelde vragen.

2.5. Op 14 december 2005 heeft [Z] met betrekking tot het co-investeringsrecht een procedure tegen [W] aanhangig gemaakt bij de rechtbank Utrecht. Kort daarvoor heeft [Z] beslag gelegd op vermogensbestanddelen van [W] ter waarde van ongeveer

€ 130 miljoen.

2.6. Op 2 februari 2006 heeft [C] onder ede een notariële verklaring afgelegd. [C] heeft toen verklaard dat de antwoorden die hij heeft gegeven in zijn brief van

23 september 2005 naar zijn herinnering de juiste en waarheidsgetrouwe weergave zijn van hetgeen destijds door hem is besproken en overeengekomen met [Z]. Voorts heeft hij op 2 februari 2006 verklaard dat vertegenwoordigers van [W], nadat [Z] [W] een concept-dagvaarding had toegestuurd met als productie de brief van 23 september 2005 van [C], druk op hem hebben uitgeoefend om zijn verklaring van 23 september 2005 terug te trekken respectievelijk aan te passen. Ook heeft [C] toen verklaard dat een belangrijke reden om zijn schriftelijke verklaring van 23 september 2005 onder ede te bevestigen en per notariële akte te laten vastleggen is om te voorkomen dat er verdere druk door [E], [W] en haar advocaten en bestuurders op hem wordt uitgeoefend.

2.7. Op 2 februari 2006 heeft [Y] voor een bedrag van € 600.000,-- een overeenkomst van geldlening gesloten met [V], een vennootschap waarvan [C] de enige bestuurder is en waarvan zijn kinderen de aandeelhouders zijn. Op grond van deze overeenkomst heeft [Y] op 2 februari 2006 € 300.000,-- naar [V] overgemaakt en enkele dagen later de resterende € 300.000,--. Een van de voorwaarden die [Y] aan deze geldlening heeft gesteld is dat [V] haar schuld aan [C], welke eind 2005 € 368.333,-- bedroeg, met het bedrag van de lening zou aflossen. De lening diende uiterlijk op 1 juli 2008 te worden afgelost. Op grond van de overeenkomst van geldlening was [V] een rente van 6% per jaar verschuldigd. De rente moest achteraf per kwartaal worden voldaan, voor de eerste maal op 30 juni 2006. [V] heeft na enige tijd geen rente meer betaald en heeft de lening niet afgelost.

2.8. Naar aanleiding van de vorderingen die [Z] in december 2005 tegen haar had ingesteld heeft [W] [C] in vrijwaring opgeroepen. Deze vrijwaringszaak is op

31 mei 2006 bij de rechtbank Utrecht aanhangig gemaakt.

2.9. In de zaak die door [Z] in december 2005 is aangespannen tegen [W] heeft [W] op 20 april 2006 een verzoek bij de rechtbank ingediend tot het houden van voorlopige getuigenverhoren. In het kader hiervan heeft [C] op 20 maart 2007 als getuige onder meer verklaard dat hij blijft bij de inhoud van de verklaringen die hij op

23 september 2005 en 2 februari 2006 heeft afgelegd. Tijdens dit getuigenverhoor werd [C] bijgestaan door zijn toenmalige raadsman mr. [M].

2.10. [Z] heeft kosten van rechtsbijstand van [C] vergoed. In dit verband heeft [Z] met [C] afgesproken dat mr. [M] zijn facturen rechtstreeks kon sturen naar het kantoor van de advocaat van [Z]. Mr. [M] heeft in totaal zes facturen verstuurd, gedateerd op respectievelijk 10 juli 2006 (werkzaamheden in maart, april en mei 2006), 10 juli 2006 (werkzaamheden in juni 2006), 3 augustus 2006 (werkzaamheden in juli 2006),

7 september 2006 (werkzaamheden in augustus 2006), 7 maart 2007 (werkzaamheden in december 2006 tot en met februari 2007) en 5 april 2007 (werkzaamheden in maart 2007). Het totaal van deze declaraties bedraagt € 97.165,81.

2.11. Met betrekking tot de tweede factuur van 10 juli 2006, ter hoogte van € 13.308,25, heeft mr. [M] op 1 december 2006 een creditnota verzonden. In de begeleidende brief bij deze creditnota heeft mr. [M] het volgende geschreven:

“De declaratie met betrekking tot juni heeft niet op de onderhavige gelegenheid betrekking. U zult terzake een creditnota ontvangen. Voor wat betreft de maanden juli en augustus bevestig ik dat de declaraties slechts betrekking hebben op werkzaamheden noodzakelijk voor een goede begeleiding van de heer [C] bij de te zijner tijd door hem af te geven getuigenverklaring. Gaarne verzoek ik het ertoe te leiden ook deze declaraties betaald worden.”

2.12. In een brief gedateerd 21 februari 2011 heeft mr. [M] aan de advocaat van [Z] geschreven:

“Medio 2006 werd ik door [C] benaderd met het verzoek zijn belangen te behartigen in de procedure tussen [Z] en [W]. In deze procedure was [W] een voorlopig getuigenverhoor gestart, waarbij [C] als getuige was opgeroepen. U heeft mij als advocaat van [Z] in juni 2006 meegedeeld dat uw cliënt met [C] had afgesproken dat zij de kosten van voorbereiding van en begeleiding bij het getuigenverhoor door een door [C] in te schakelen advocaat zou vergoeden. Ik heb mijn declaraties die daarop betrekking hadden conform afspraak aan [Z] gericht. De betreffende declaraties zijn door uw kantoor betaald. Op 23 mei 2006 heeft [W] [C] in vrijwaring gedagvaard. Ik heb [C] ook in deze procedure bijgestaan. De declaraties die op deze werkzaamheden zagen heb ik aan [C] toegestuurd. Deze declaraties zijn niet door [Z] voldaan.”

2.13. Bij vonnis van 19 december 2007 heeft de rechtbank Utrecht voor recht verklaard dat [W] aan [Z] in 1999 een co-investeringsrecht heeft toegekend, waarbij [Z] het recht heeft steeds voor in beginsel 25% te participeren in alle investeringen die [W] doet en voor recht verklaard dat [W] toerekenbaar tekortgekomen is en in verzuim is met betrekking tot de nakoming van haar verplichtingen jegens [Z] op grond van dit co-investeringsrecht ten aanzien van de door [W] gedane investeringen in [N] ([naam]). Voorts heeft de rechtbank in dat vonnis [W] veroordeeld tot (onder meer) betaling van € 18.242.500,-- aan [Z], omdat nakoming door [W] van de op haar rustende verplichtingen op grond van het aan [Z] gegeven co-investeringsrecht niet meer mogelijk was ten aanzien van de investering in [naam] via [N]. De vordering van [W] tot opheffing van de door [Z] gelegde beslagen is door de rechtbank afgewezen. Op 2 januari 2008 heeft [W]

€ 18.242.500,-- gestort op een bankrekening van [Z] en aansluitend beslag gelegd onder die bank op alle tegoeden van [Z] bij dezelfde bank.

2.14. Zowel [Z] als [W] heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Utrecht van 19 december 2007.

2.15. In februari 2008 heeft [W] een commissie van belanghebbenden in het leven geroepen. Tot voorzitter van deze commissie is [O] benoemd. Op 13 februari 2008 heeft [L] tijdens een vergadering van belanghebbenden, bestaande uit alle aandeelhouders van [W] met uitzondering van [Z], het instellen van de commissie toegelicht. Op de daarbij gebruikte sheets (24 en 25) staat het volgende:

“Besluit tot instelling van een commissie

De commissie heeft als taak een opinie te vormen omtrent de verdere behandeling van deze zaak en zal als klankbord dienen voor de directie en Raad van Commissarissen

De commissie zal daartoe inzage krijgen in de processtukken en zal in de gelegenheid worden gesteld tot het voeren van gesprekken met de advocaat van [W] alsmede met de directie en Raad van Commissarissen

[…] De uiteindelijke besluitvorming blijft bij directie en Raad van Commissarissen liggen

Vooralsnog dient de commissie zich een opinie te vormen over:

- Al dan niet doorzetten hoger beroep

- Al dan niet schikken met [Z] (en zo ja, voor welk maximaal bedrag) […]”

2.16. Op 19 juni 2008 heeft de commissie van belanghebbenden het bestuur en de raad van commissarissen van [W] geadviseerd om te onderzoeken of een schikking met [Z] tot de mogelijkheden behoorde.

2.17. Op 23 juni 2008 hebben [O] en [H] een gesprek gehad met [C].

2.18. [O] en [H] hebben in juni en juli 2008 gesprekken gevoerd met [Z] over een mogelijke schikking. Tijdens een bespreking op 26 juni 2008 waren namens [Z] aanwezig [A], [D] en [B]. Op 16 juli 2008 waren namens [Z] [A] en [D] aanwezig. Tijdens die bespreking heeft [Z] aan [O] en [H] gemeld dat zij de juridische kosten van [C] met betrekking tot diens getuigenverhoor in het kader van de procedure bij de rechtbank Utrecht heeft vergoed.

2.19. Op 23 september 2008 zond de raadsman van [W] een concept-vaststellingsovereenkomst aan (de raadsman van) [Z]. In dit concept was opgenomen dat [W] ter beëindiging van het geschil € 30 miljoen aan [Z] zou betalen.

2.20. Op 29 september 2008 ontving [W] per fax een brief van [P] (hierna: “de brief van [P]”), waarin staat:

“In september/oktober 2007 heeft [C] een voorlopig koopcontract getekend voor de drie appartementen aan […] in [woonplaats] voor een bedrag van € 1.415.000. […] Een paar dagen voor 15 juli 2008 (de uiterste datum waarop de koopakte bij de notaris moest passeren), benaderde hij mij met het verzoek een maand respijt te krijgen. Ik heb hem toen gevraagd of er een gerede kans bestond dat hij na slechts één maand wel over de nodige middelen zou kunnen beschikken. Zijn antwoord luidde dat hij geld verwachtte uit “die affaire met [E]” en dat de mogelijkheid aanwezig was dat die zaak binnen een maand beslecht zou worden. Ik heb hem die maand respijt gegeven en heb de [E]-affaire gelaten voor wat het was. Na 3 weken heeft hij de notaris laten weten dat hij van de koop afziet. De notaris heeft de 10% borg geïnd en uitgekeerd. […]”

2.21. Op 9 oktober 2008 zond de raadsman van [W] een aangepast concept voor een vaststellingsovereenkomst aan de raadsman van [Z]. In dit concept is een nieuwe bepaling ingevoegd (artikel 1.6), waarvan de tekst als volgt luidt:

“Deze vaststellingsovereenkomst wordt aangegaan onder de opschortende voorwaarde dat alle natuurlijke personen die direct dan wel indirect aandeelhouder of directeur van [Z] zijn dan wel directeur zijn van een directe of indirecte aandeelhouder van [Z] binnen een week na ondertekening van deze Vaststellingsovereenkomst onder ede de volgende verklaring afleggen:

“Ik heb geen kennis van het feit dat [Z] B.V., dan wel diens directe of indirecte bestuurder(s), dan wel één of meer van diens medewerkers, dan wel een of meer van diens investeringscommissieleden, dan wel een of meer van diens directe of indirecte aandeelhouders, dan wel een of meer al dan niet aangetrouwde familieleden, vrienden, bekenden of zakenrelaties van mij of mijn partner of van een of meer van alle hiervoor genoemde personen of diens partner, dan wel enig ander persoon, dan wel een of meer vennootschappen of rechtspersonen, waaronder begrepen vennootschappen en rechtspersonen in welke vorm dan ook naar enig buitenlands recht, waaraan een of meer van alle hiervoor genoemde personen op enigerlei wijze geheel of gedeeltelijk direct dan wel indirect voorwaardelijk dan wel onvoorwaardelijk gelieerd is op welke wijze dan ook, dan wel een of meer directe of indirecte bestuurders dan wel een of meer medewerkers van een of meer van deze vennootschappen of rechtspersonen, een en ander in de ruimste zin des woords:

op enigerlei wijze, onder welke titel en in welke vorm dan ook, voorwaardelijk dan wel onvoorwaardelijk, een of meer beloningen, vergoedingen of betalingen in het vooruitzicht heeft gesteld, dan wel heeft betaald of zal betalen, dan wel op andere wijze in natura heeft of zal doen toekomen, dan wel heeft toegezegd, dan wel de suggestie heeft gedaan of gewekt dat enige vergoeding, in welke vorm dan ook, zou worden betaald of anderszins gegeven, aan enig persoon die inzake het aanhangig geschil tussen [Z] B.V. en [W] N.V. omtrent co-investeringsrechten een of meerdere verklaringen heeft afgegeven, dan wel aan een of meer al dan niet aangetrouwde familieleden, vrienden, bekenden of zakenrelaties van een dergelijk persoon of diens partner, dan wel aan een of meer vennootschappen of rechtspersonen, waaronder begrepen vennootschappen en rechtspersonen in welke vorm dan ook naar enig buitenlands recht, waartoe een of meer van alle hiervoor, als aan de persoon die in het geschil een of meer verklaringen heeft afgegeven gerelateerde, genoemde personen op enigerlei wijze geheel of gedeeltelijk direct dan wel indirect voorwaardelijk dan wel onvoorwaardelijk gerechtigd is, dan wel aan een of meer directe of indirecte bestuurders dan wel een of meer medewerkers van een of meer van deze vennootschappen of rechtspersonen, een en ander in de ruimste zin des woords, zulks uitgezonderd de reeds voor 2004 tussen [Z] B.V. en de heer [D] dan wel een direct of indirect door hem bestuurde vennootschap overeengekomen arbeids- dan wel managementovereenkomst.””

2.22. Op 21 oktober 2008 heeft een bespreking plaatsgevonden tussen partijen en hun raadslieden. [W] heeft tijdens die bespreking de brief van [P] aan de orde gesteld alsmede dat [C] in 2006 tegen [H] gezegd zou hebben dat hij van [A] een bedrag van 5 miljoen zou krijgen.

2.23. Op 22 oktober 2008 heeft de raadsman van [Z] in een brief aan de raadslieden van [W] het volgende geschreven:

(blz. 1)

“In aansluiting op de bespreking die ik gisteren met de heren [D] en [B] aan mijn zijde en mr. Te Winkel en (veel later) mr. Kleyn en de heren [I] en [J] aan uw zijde voerde, leg ik hierbij vast hetgeen wij bespraken en zet ik tevens het standpunt van cliënte ten aanzien van de besproken punten uiteen.

[…]

(blz. 2)

Naar de mening van de directie van [W] zou een schikking in der minne niet tot de mogelijkheden behoren als, met betrekking tot de vraag of de verklaringen die [C] in de procedure heeft gegeven op onrechtmatige wijze door cliënte zijn verkregen, twijfel zou bestaan.

[…]

(blz. 6)

Ik had reeds eerder aangegeven dat cliënte de verklaring niet acceptabel vindt. Ten eerste niet omdat haar achterliggers geen redenen zien zich in privé te verbinden, ten tweede niet omdat de verklaring zodanig ruim is opgesteld dat de kans dat uit zo’n verklaring in de toekomst problemen voort gaan komen, naar de mening van cliënte onevenredig groot is en ten derde niet omdat de redactie van deze verklaring impliceert dat [W] gegronde redenen heeft om mijn cliënten van onbehoorlijk (of zelfs crimineel: art. 47 jo 207 Sr) handelen te verdenken, hetgeen niet zo is. Cliënte en haar achterliggers zijn niet bereid om het geschil tussen [Z] en [W] over € 130 miljoen “te verruilen” voor een geschil tussen [W] en haar diverse privé personen over een bedrag van € 30 miljoen. In het concept […] was nota bene een boete van € 30 miljoen opgenomen, hoofdelijk door ieder der ondertekenaars te verbeuren ingeval van overtreding door een van hen van het in de verklaring gestelde.

[…]

(blz. 7)

Dit zo zijnde, zijn de achterliggers van [Z] niettemin toch niet bereid tot het afleggen van de zo uitgebreide verklaring (die qua bewoordingen zo uitgebreid is dat al snel in de toekomst interpretatieverschillen zouden kunnen rijzen), zeker niet nu de stemming tussen partijen nog verre van vriendelijk is en cliënte ofwel wil doorprocederen dan wel een schikking wil hebben, maar dan moet “het boek ook over en weer definitief dicht”.

[…]

(blz. 10)

Er is zoveel dat [Z] en haar achterliggers niet gedaan hebben. Het is niet zinnig daar verklaringen over af te geven. Zoals hierboven reeds opgemerkt wordt door het vragen van de verklaring door [Z] en haar achterliggers toch impliciet de gedachte uitgesproken dat [Z] en haar achterliggers tot dergelijk laakbaar gedrag in staat zouden zijn. Die gedachte wensen [Z] en haar achterliggers verre van zich te werpen en zeker niet door middel van het ondertekenen van de verzochte verklaringen te ondersteunen.

[…]

Daarbij komt dat [Z], en diverse van haar achterliggers, de heer [C] al vele jaren kennen en in het verleden, evenals dat uiteraard door [W] en de diverse bij [W] betrokken personen geldt, ook een normaal zakelijk contact met hem hebben gehad.

[Z] en haar achterliggers zien niet in waarom, als de zaak geschikt zou zijn, een dergelijk normaal zakelijk contact niet meer tot de mogelijkheden zou kunnen behoren. De zo uitgebreide verklaring die verzocht wordt, maakt een dergelijk zakelijk contact onmogelijk nu het risico zou bestaan dat normale zakelijke betrekkingen verkeerd worden uitgelegd en aanleiding zouden geven tot mogelijkerwijze wederom langdurige en emotionele procedures.

[…]

(blz. 11)

Conclusie:

1.[Z] zou met [W] graag tot een schikking komen langs de lijnen zoals oorspronkelijk tussen de heren [H] en [O] enerzijds en [D] en [A] anderzijds besproken. Die schikking zou moeten worden vormgegeven in een vaststellingsovereenkomst conform het door ons recentelijk opgestelde concept.

2. [Z] verzoekt [W] voorts genoegen te nemen met de in deze brief opgenomen verklaring van [Z] dat, indien en voor zover de mededeling van de heer [P], dat de heer [C] aan hem zou hebben gezegd dat hij geld zou krijgen uit de “[E]-schikking” en dat dat binnen één maand zou komen, zou impliceren dat van de zijde van [Z] een dergelijke toezegging aan de heer [C] is gedaan voor enige betaling van een bedrag uit de schikking in ruil voor zijn verklaring, die suggestie onjuist is nu noch [Z] noch de direct betrokkenen bij [Z], de heren [D], [A] en/of [B] aan de heer [C] een dergelijke toezegging hebben gedaan. Zij zijn dat ook niet van plan om te doen en zullen dat ook niet doen.

[…]”

2.24. Op 23 oktober 2008 heeft een bespreking plaatsgevonden tussen [D] en [A] enerzijds en [J] en [I] anderzijds.

2.25. Eveneens op 23 oktober 2008, na de in de vorige alinea genoemde bespreking, heeft een vergadering van belanghebbenden van [W] plaatsgevonden, voorgezeten door [L]. In het notarieel van deze vergadering opgemaakte proces-verbaal staat het volgende (blz. 4, 5, 6, 8 en 10):

“De heer [I] vervolgt. […] [W] heeft een schriftelijke verklaring ontvangen van een derde, waarin deze derde verklaart dat [C] aan die persoon heeft gemeld dat [C] geld toe zou zijn gezegd uit hoofde van de affaire met [E]. [E] zelf heeft geen relaties met de heer [C] anders dan de vrijwaringsprocedure. Deze gebeurtenis sluit aan bij eerdere signalen die wij, de directie en ook de raad van commissarissen hebben ontvangen. Op basis hiervan worden door ons vraagtekens geplaatst bij de wijze van totstandkoming van de verklaringen die de heer [C] heeft afgegeven. Naar mening van de directie en de raad van commissarissen, alsook naar mening van onze advocaten van [S&S] LLP, zijn deze verklaringen van de heer [C] dragend geweest voor de uitkomst van het vonnis van de rechtbank Utrecht eind vorig jaar.

Wij hebben gezegd dat we met deze nieuwe informatie moeilijk kunnen schikken, want het is een belangrijk punt dat eerst besproken moet worden met [Z]. Een schikking is eigenlijk pas mogelijk als de [Z] aandeelhouders, de uiteindelijk belanghebbenden van het bedrag dat dan eventueel betaald zou worden, bevestigen dat zij er niet mee bekend waren dat [C] op enige wijze iets zou zijn toegezegd of in het vooruitzicht zou zijn gesteld, op welke wijze dan ook. Uiteraard hoort daarbij dat mocht later blijken dat zoiets toch het geval zou zijn geweest, dan uiteraard de schikking zou moeten komen te vervallen, want dan is het gebaseerd op onjuiste gronden.

Deze punten zijn met [Z] besproken en zij heeft aangegeven na veel discussies niet geheel aan die punten te willen voldoen maar enkel het volgende te willen verklaren:

[rechtbank: voorgelezen wordt hetgeen in de brief van de raadsman van [Z] van

22 oktober 2008 staat, weergegeven in 2.23, onder conclusie, punt 2]

Die verklaring is op een aantal punten minder vergaand dan dat wij in eerste instantie beoogden. Op een aantal punten is de verklaring wellicht niet duidelijk, dus hebben we gevraagd of [Z] dat verder wil toelichten. Zij blijven echter bij deze tekst, met uitzondering van het laten vervallen van het stukje “binnen één maand”.

Verder is aangegeven dat zelfs al zou deze verklaring later onjuist blijken te zijn, [Z] niet wil dat daarmee het bedrag van dertig miljoen euro (EUR 30.000.000) weer op enige wijze gewijzigd zou kunnen worden en dat op een of andere wijze een bedrag zou moeten worden terugbetaald. Het bedrag van dertig miljoen euro (EUR 30.000.000) blijft dus definitief, ook al zou later bewijs komen dat er inderdaad sprake is van omkoping of iets dergelijks.

[…]

Directie en raad van commissarissen zijn principieel geen voorstander van een schikking, zolang de gevraagde punten niet worden geleverd door [Z] in een betere verklaring en [Z] het bedrag niet wil wijzigen indien er inderdaad geen sprake zou zijn van de feiten zoals neergelegd in de verklaring. Maar waar het met name om gaat, zijn de belangen van de aandeelhouders.

[…]

De voorzitter gaat terug naar slide zestien (16) van de presentatie betreffende het eindresultaat van de mogelijke schikking. Dit is de kern van de schikking. Als directie en raad van commissarissen moeten wij onze verantwoordelijkheid nemen en een mening vormen. Op basis van de huidige feiten en de bereidheid van [Z] op dit moment zijn de directie en raad van commissarissen geen voorstander van een schikking. Er zijn externe omstandigheden die dit alles versterken. Uiteindelijk wordt er gehandeld naar de wil van de aandeelhouders.

[…]

De heer [O] zegt dat je aan de directie van de raad van commissarissen niet kunt vragen om in dit duivels dilemma voor een schikking te zijn, omdat nog steeds op basis van alle informatie die eenieder ter beschikking staat, de commissie van mening is dat hier een vonnis uitgerold is wat niet terecht is. Maar er wordt ook gekeken naar de belangen en het geld dat hiermee gemoeid is. Waar de commissie veel waarde aan hecht is dat iedereen op korte termijn, en ook juist in deze tijd, over zijn eigen geld moet kunnen beschikken en dat heeft een prijs.

[…]

De voorzitter gaat hier op in. […] Wij waren in eerste instantie tot de conclusie gekomen dat we het hoger beroep door zouden zetten. Door veel aandeelhouders, waaronder een aantal grote, wordt een enorme druk uitgeoefend, zowel op de commissie als op de directieleden.”

2.26. Op 29 oktober 2008 heeft de raadsman van [Z] in een e-mail aan een van de raadslieden van [W] geschreven:

“Cliënte en de heren [D], [A] en [B] deelden mij vervolgens mede dat, voor eerst, geen wijziging in hun eerder rechtstreeks aan de heren [J] en [I] gecommuniceerde standpunt is gekomen dat zij:

(1) alleen willen schikken als daarna het boek definitief dicht kan;

(2) dus geen nadere verklaring willen geven, en al helemaal niet in privé en door partijen die niet procespartij zijn.”

2.27. Op 3 november 2008 heeft een van de raadslieden van [W] per e-mail aan de raadsman van [Z] bericht:

“Als jouw cliënte en de achterliggende partijen geen verklaringen willen afleggen, dan moeten zij dat vooral niet doen. Cliënte is vanzelfsprekend niet uit op afgedwongen verklaringen. Het is aan de aandeelhouders van [W] om te beoordelen welke gegevens zij behoeven om al dan niet tot een schikking te komen.”

2.28. Op 7 november 2008 vond de laatste onderhandeling over de schikking plaats, op basis van een door de raadsman van [Z] aangepast concept van de vaststellingsovereenkomst. In dit concept ontbrak de bepaling met betrekking tot de door [W] gewenste verklaringen van [Z] en haar betrokkenen. Nieuw in dit concept waren de artikelen 8 en 12 (zie hierna).

2.29. Op 10 november 2008, voorafgaand aan de op die dag te houden vergadering van aandeelhouders van [W], hebben [Z] en [W] met elkaar een vaststellingsovereenkomst gesloten, onder de opschortende voorwaarde van een goedkeurend besluit van de algemene vergadering van aandeelhouders van [W], welke met tenminste 75 procent van het uitstaande aandelenkapitaal van [W] diende in te stemmen. Namens [W] is de vaststellingsovereenkomst ondertekend door [F]. Voor [Z] heeft [D] de vaststellingsovereenkomst ondertekend. De tekst van de vaststellingsovereenkomst luidt, voor zover in deze procedure relevant, als volgt:

“IN AANMERKING NEMENDE:

[…]

(e) dat Partijen deze Overeenkomst wensen te sluiten (i) ter definitieve beëindiging van de Procedure en van alle onzekerheid en geschillen daaromtrent alsmede (ii) ter beëindiging van en teneinde elke verdere onzekerheid en elk verder geschil te voorkomen omtrent hetgeen tussen hen rechtens geldt, waaronder uitdrukkelijk mede begrepen doch niet beperkt tot de totstandkoming, het bestaan, de uitleg en de uitoefening van het Co-investeringsrecht, het Geschil en de in het kader daarvan over en weer gelegde conservatoire (derden)beslagen en over en weer over elkaar gedane mededelingen en voorts (iii) teneinde elkaar over en weer finale kwijting te verlenen;

[…]

KOMEN ALS VOLGT OVEREEN:

1. [Z] verkoopt en levert hierbij aan [W] en [W] koopt hierbij en wenst van [Z] geleverd te krijgen het Co-investeringsrecht. De koopprijs voor het Co-investeringsrecht bedraagt EURO 30.000.000 (zegge: dertig miljoen EURO) (hierna: de “Koopprijs”) en zal worden voldaan op de hieronder sub 2 en 3 te melden wijze.

2. […]

8. Deze Overeenkomst strekt ertoe de Procedure en alle onzekerheid en geschillen daarmee samenhangend definitief te beëindigen alsmede alle onzekerheid en geschillen omtrent hetgeen rechtens tussen Partijen geldt ten aanzien van de totstandkoming, het bestaan, de uitleg en de uitoefening van het Co-investeringsrecht, het Geschil en de in het kader daarvan over en weer gelegde conservatoire (derden) beslagen, en over en weer over elkaar gedane mededelingen, alsmede de al dan niet bestaande twijfel bij Partijen omtrent de juistheid en rechtmatigheid van de (wijze van totstandkoming van de) ter zake van het Geschil afgelegde verklaringen definitief te beëindigen en elke verdere onzekerheid of geschil terzake al het hierboven sub 8 vermelde te voorkomen.

[…]

12. Partijen zullen elkaar, noch elkaars directeur, noch enig aan elkaar of aan elkaars directeur, direct of indirect, gelieerde (rechts)persoon, in de ruimste zin des woords, daaronder mede verstaan elkaars aandeelhouders, (directe of indirecte) aandeelhouders van aandeelhouders en/ of directie en leden van de raad van commissarissen en/of investeringscommissies, aansprakelijk stellen voor enige vorm van schade, inclusief gevolgschade, ter zake van waardevermindering van het door ieder der Partijen gehouden aandelenbelang in [W] dan wel voor enigerlei schade welke direct of indirect het gevolg is van het Geschil en/of de Procedure en/of de over en weer gelegde conservatoire (derden)beslagen, en /of over en weer over elkaar gedane mededelingen en/of de ter zake van het Geschil afgelegde verklaringen. [W] en [Z] trekken hierbij elke mogelijke aansprakelijkstelling zijdens elkander uit het verleden uitdrukkelijk in.

[…]”

2.30. De raad van commissarissen van [W] is op 10 november 2008, kort voor aanvang van de algemene vergadering van aandeelhouders, afgetreden. Blijkens het notarieel opgemaakte proces-verbaal van deze vergadering luidt de verklaring van de commissarissen voor dit aftreden, welke aan het begin van de vergadering is voorgelezen, als volgt (blz. 1 en 2):

“De commissarissen kunnen zich niet vinden in de gang van zaken rondom de schikking en zien dat aandeelhouders de regie hebben overgenomen. Toezicht houden daarop is voor commissarissen onmogelijk gebleken. Het onderhandelingsresultaat dat vandaag voorligt is slechter dan in de vergadering van belanghebbenden van 23 oktober jongstleden is gepresenteerd, en dit komt tot uitdrukking in vier punten:

1. Verlies geloofwaardigheid door impliciete erkenning van het co-investeringsrecht;

2. Het fiscale risico is gering maar kan niet geheel worden uitgesloten;

3. Hogere kosten voor het fonds;

4. Geen verhaalsmogelijkheid indien de verstrekte informatie niet juist blijkt te zijn, ergo niet te goeder trouw zou zijn.”

2.31. In het van de vergadering van 10 november 2008 opgemaakte proces-verbaal staat voorts (blz. 5, 6 en 9):

“Na het voorstel van de commissie heeft [W] een schriftelijke verklaring ontvangen van een derde, waarin vermeld is dat [C], volgens eigen zeggen, geld zou zijn toegezegd uit hoofde van de affaire [E]. De heer [I] geeft aan dat [E] geen enkele relatie heeft met de heer [C], buiten de vrijwaringsprocedure om. Deze verklaring sluit aan bij eerdere signalen die directie en de raad van commissarissen hebben ontvangen op grond waarvan er vraagtekens kunnen worden geplaatst bij de totstandkoming en de onafhankelijkheid van de verklaringen van de heer [C].

[…]

[Z] heeft destijds aangegeven bereid te zijn het volgende te verklaren, nadat de heer [C] heeft verklaard dat de door [W] ontvangen verklaring onjuist is.

[rechtbank: volgt de tekst welke in de brief van de raadsman van [Z] van 22 oktober 2008 staat, weergegeven in 2.23, onder conclusie, punt 2]

[Z] heeft aangegeven dat zij niet wil, ook al zou deze verklaring onjuist blijken, dat het bedrag van dertig miljoen euro (EUR 30.000.000) op enigerlei wijze kan worden aangetast of dient te worden terug betaald.

[…]

[W] doet afstand van de eerdere eis van een verklaring van [Z]. [W] vindt overigens de eerder aangehaalde verklaring uiterst onduidelijk en onvolledig.

[…]

De directie is geen voorstander van deze schikking, maar legt zich neer bij de besluitvorming van de algemene vergadering.

[…]

Voorts meldt de heer [I] de uitslag van de stemming van de hierna volgende agendapunten.

[…]

(d) voor wat betreft de schikking met [Z] onder de aangegeven voorwaarden, waren er zevenhonderd drieënveertig (743) stemmen voor, dat is achtennegentig vijf tiende procent (98,5%) voor, […]. Het voorstel is daarmee aangenomen. […]”

2.32. Omdat [W] al in januari 2008 een bedrag van € 18.242.500,-- aan [Z] had betaald heeft zij kort na het sluiten van de vaststellingsovereenkomst € 11.757.500,-- naar [Z] overgemaakt, met als gevolg dat zij het schikkingsbedrag heeft voldaan. Ook zijn kort na het sluiten van de vaststellingsovereenkomst de door [Z] gelegde beslagen op bestanddelen ter waarde van ongeveer € 130 miljoen opgeheven.

2.33. In januari 2009 heeft een medeaandeelhouder van [W] in de boeken bij een van zijn participaties geconstateerd dat [Y] in 2006 in totaal € 600.000,-- had overgemaakt naar [V]. Deze aandeelhouder heeft [O] hiervan op 12 januari 2009 op de hoogte gesteld.

2.34. Op 14 januari 2009 hebben [O] en [H] een bespreking gevoerd met [C]. Laatstgenoemde deelde toen onder meer mee dat de omvang van de kosten van zijn raadsman mr. [M], welke kosten door [Z] waren goed, tussen € 80.000,-- en

€ 100.000,-- hebben bedragen.

2.35. Door middel van een brief van 4 juni 2009 heeft [W] [Z] meegedeeld dat zij de vaststellingsovereenkomst vernietigt op grond van bedrog.

2.36. In juni 2009 heeft [W] diverse beslagen laten leggen. Voorts heeft zij in juni 2009 [Z] gedagvaard en gevorderd dat het geding tussen haar en [Z] wordt heropend en dat het vonnis van 19 december 2007 wordt herroepen. In juli 2009 heeft [Z] [W], [Y] c.s., [V] en [C] gedagvaard in de terugbetalingszaak. In september 2009 heeft [Z] [W] gedagvaard in het kader van de verklaring voor recht-zaak.

3. Het geschil

3.1. [Z] vordert dat de rechtbank, bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis:

1) voor recht verklaart dat de vaststellingsovereenkomst van 10 november 2008 tussen [Z] en [W] en al hetgeen daarin is overeengekomen onverkort van kracht is en derhalve partijen (nog steeds) bindt, en

2) primair:

[W] veroordeelt in de daadwerkelijk door [Z] gemaakte kosten ter zake van juridische bijstand en overige proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de dag dat [Z] die kosten heeft voldaan, welke (proces)kosten nog nader dienen te worden opgemaakt bestaat en te worden vereffend volgens de wet en [W] te veroordelen tot betaling aan [Z] van een voorschot van

€ 100.000,-- op de werkelijke (proces)kosten van [Z], te voldoen uiterlijk binnen 14 dagen na dagtekening van het door de rechtbank te wijzen vonnis, en te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 14 dagen na dagtekening van het vonnis,

subsidiair:

[W] veroordeelt in de proceskosten, onder de bepaling dat [W] nakosten en de wettelijke rente over de proceskosten en de nakosten verschuldigd is indien de proceskosten niet binnen 14 dagen na dagtekening van het vonnis zijn voldaan, de wettelijke rente te berekenen vanaf 14 dagen na dagtekening van het vonnis tot de dag der voldoening.

3.2. [W] voert verweer.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. In deze zaak gaat het om de vraag of de vaststellingsovereenkomst tot stand is gekomen doordat [Z] bedrog heeft gepleegd. Is dat het geval, dan is de vaststellingsovereenkomst vernietigbaar is op grond van artikel 3:44 Burgerlijk Wetboek (BW).

4.2. Volgens [W] heeft [Z] zich schuldig gemaakt aan bedrog doordat [Z]:

- heeft gelogen door op vragen van [W] of [C] enig financieel voordeel heeft gekregen of in het vooruitzicht is gesteld bij herhaling ontkennend te antwoorden, en

- de op haar rustende mededelingsplicht heeft geschonden door te zwijgen over de door [Y] aan [V] verstrekte lening, welke lening als een verkapte schenking aan [C] moet worden beschouwd, en door te zwijgen over de hoogte van de aan [C] verstrekte kostenvergoeding voor juridische bijstand, en

- heel erg goed wist dat de schikking van de baan zou zijn indien zij [W] op de hoogte zou stellen van de lening en de omvang van kostenvergoeding, gezien de discussie die tussen partijen is gevolgd op de verklaring van [P] over het geldelijk voordeel dat [C] mogelijk uit de schikking zou ontvangen.

4.3. [Z] neemt het standpunt in dat zij [W] niet heeft bedrogen. In verband hiermee betoogt [Z]:

- dat [C] niet is betaald of een beloning in het vooruitzicht is gesteld, in ruil voor zijn verklaringen

- dat zij de door [W] gestelde ontkenningen niet heeft gedaan en zij op 16 juli 2008 heeft gemeld dat zij de juridische kosten van [C] met betrekking tot diens getuigenverhoor in het kader van de procedure bij de rechtbank Utrecht heeft vergoed, dat zij door middel van de brief van haar raadsman van 22 oktober 2008 [W] heeft gemeld dat zij en haar “achterliggers” zakelijk contact met [C] hebben gehad en dat zij naar waarheid heeft verklaard dat zij en haar achterliggers geen toezegging hebben gedaan aan [C] voor enige betaling van een bedrag uit de schikking in ruil voor zijn verklaringen

- dat [Y] de lening aan [V] op zakelijke voorwaarden heeft gegeven

- dat de door [W] gestelde mededelingsplicht niet op haar rustte maar dat als er ooit wel een mededelingsplicht van [Z] en/of haar achterliggers zou zijn geweest, die is komen te vervallen op het moment dat [W] haar eis van (nadere) verklaringen en/of mededelingen liet vallen

- dat het voor [Z] helemaal niet duidelijk was dat [W] de vaststellingsovereenkomst niet zou zijn aangegaan als zij melding had gemaakt van de lening en de omvang van de kostenvergoeding, doordat [W] na 22 oktober 2008 niet langer de eis stelde van verdere verklaringen en mededelingen en [W] toch wilde schikken, ondanks de omstandigheid dat bij haar nog onzekerheid en twijfel bestond over de juistheid en rechtmatigheid van de (wijze van totstandkoming van de) terzake van het geschil afgelegde verklaringen van [C]

- dat [W] niet bedrogen kon worden doordat zij bleef twijfelen over de vraag of [C] niet toch geld voor het afleggen van zijn verklaring had gekregen dan wel zou krijgen alsmede over de vraag of [Z] en haar achterliggers haar wel alles hadden verteld wat zij wilde weten.

4.4. De rechtbank is van oordeel dat de vaststellingsovereenkomst niet door bedrog van de zijde van [Z] tot stand is gekomen. In verband daarmee overweegt zij het volgende.

4.5. [Z] is van mening dat zij op grond van een in 1999 met [W] gesloten overeenkomst een co-investeringsrecht in [W] heeft verworven. In verband hiermee heeft zij eind 2005 bij de rechtbank Utrecht een gerechtelijke procedure tegen [W] aanhangig gemaakt. Het bestuur van [W] wordt gevormd door [W] Management. Voorafgaand aan het uitbrengen van de dagvaarding heeft de raadsman van [Z] [C], die in 1999 bestuurder was van [W] Management, schriftelijk een aantal vragen gesteld met betrekking tot het co-investeringsrecht. [C] heeft deze vragen in een brief van 23 september 2005 beantwoord. Deze brief is door [Z] in het geding gebracht, ter onderbouwing van haar stelling dat zij het co-investeringsrecht heeft verworven. Op 2 februari 2006 heeft [C] onder ede bij een notaris verklaard dat de inhoud van zijn brief van 23 september 2005 juist en waarheidsgetrouw is. In maart 2007 heeft [C] als getuige bij de rechtbank Utrecht verklaard dat hij blijft bij de inhoud van die verklaringen. In haar vonnis van 19 december 2007 heeft de rechtbank Utrecht geoordeeld dat [W] in 1999 een co-investeringsrecht aan [Z] heeft toegekend en heeft zij [W] in verband hiermee veroordeeld tot betaling van € 18.242.500,-- aan [Z]. Aan dit oordeel heeft de rechtbank mede de verklaringen van [C] ten grondslag gelegd.

4.6. [W] stelt dat [C] in 2006 tegen [H], die toen een van de bestuurders van [W] Management was, heeft gezegd dat hij van [A] een bedrag van

€ 5 miljoen zou krijgen als de procedure van [Z] goed zou verlopen. Volgens [W] heeft zij deze uitlating van [C] toen voor kennisgeving aangenomen en als een typische, aan de fantasie ontsproten uitlating van [C] beschouwd. Na het vonnis van de rechtbank Utrecht van 19 december 2007 heeft zowel [W] als [Z] hoger beroep ingesteld. [W] is zich toen gaan bezinnen over een eventuele schikking met [Z]. [H], die op 1 januari 2008 is afgetreden als bestuurder van [W] Management en is toegetreden tot de raad van commissarissen van [E], en [O], voorzitter van de commissie van belanghebbenden van [W], hebben op 23 juni 2008 een gesprek gehad met [C]. Zij hebben [C] toen gevraagd of er sprake is geweest van enige vorm van betaling aan [C] door [Z] en/of haar betrokkenen. Volgens [W] was de reden voor deze vraag gelegen in de twijfels van [H] en [O] over de juistheid en oprechtheid van de verklaringen die [C] had afgelegd en speelde ook een rol dat [C] in 2006 tegen [H] gezegd had dat hij van [A] een bedrag van 5 miljoen zou krijgen. [W] stelt dat [C] toen ontwijkend heeft geantwoord op de hiervoor genoemde vraag en dat hij erkende dat zijn getuigenverklaringen niet goed waren geïnterpreteerd. [W] stelt dat gelet hierop, en op de suggestie die [C] had gedaan dat [Z] op een of andere manier iets aan hem zou hebben toegezegd voor het afleggen van zijn getuigenverklaringen, [H] en [O] besloten hebben de mogelijkheid dat de verklaringen van [C] door [Z] in haar voordeel waren beïnvloed verder te onderzoeken.

4.7. Op 26 juni 2008 hadden [H] en [O] een bespreking met [A], [D] en [B]. Op 16 juli 2008 hadden [H] en [O] een bespreking met [A] en [D]. Tijdens die besprekingen is de mogelijkheid van een schikking aan de orde geweest. Volgens [W] hebben [H] en [O] tijdens die besprekingen gevraagd of er sprake was geweest van enige betaling of vergoeding aan [C], waarop ten stelligste ontkennend werd geantwoord. [Z] betwist dat zij die vraag ontkennend heeft beantwoord. Vaststaat dat [Z] tijdens de bespreking van 16 juli 2008 heeft meegedeeld dat zij juridische kosten verband houdende met het getuigenverhoor van [C] heeft vergoed. Over de hoogte van die kostenvergoeding is toen niet gesproken.

4.8. Nadat [W] haar raadsman opdracht had gegeven om met [Z] een schikking uit te onderhandelen zond haar raadsman op 23 september 2008 een eerste concept-vaststellingsovereenkomst aan (de raadsman van) [Z]. Op 29 september 2008 ontving [W] de brief van [P] (zie 2.20). [W] zag in deze brief aanleiding er op aan te dringen dat [Z] en haar achterliggers (haar vier grootaandeelhouders bestaande uit [A] en drie van zijn familieleden, [D] en [B]) zouden verklaren niet bekend te zijn met enige toezegging dan wel betaling van enig geldelijk voordeel aan [C] of een aan hem gelieerde partij, door wie dan ook aan de zijde van [Z]. In verband daarmee stuurde [W] op 9 oktober 2008 een aangepast concept naar [Z], waarin een nieuw artikel 1.6 was gevoegd (zie 2.21). Uit de tekst van deze bepaling leidt de rechtbank af dat [W] er op 9 oktober 2008 niet van overtuigd was dat [Z] of haar achterliggers [C] niets hebben betaald of geen beloning in het vooruitzicht hebben gesteld, in ruil voor zijn verklaringen.

4.9. Tijdens de bespreking tussen partijen van 21 oktober 2008 gaf [Z] aan dat het afgeven van de door [W] gewenste verklaringen voor haar en de bij haar betrokkenen onacceptabel was en dat zij niet zou schikken als dergelijke verklaringen werden verlangd. Dit werd toegelicht in een brief van de raadsman van [Z] van 22 oktober 2008 (zie 2.23). Uit deze brief blijkt dat [W] [Z] had meegedeeld dat de directie van [W] niet wilde schikken indien er twijfel zou bestaan met betrekking tot de vraag of de verklaringen die [C] heeft gegeven op onrechtmatige wijze door [Z] zouden zijn verkregen. Voorts staat in deze brief dat “de redactie van deze verklaring impliceert dat [W] gegronde reden heeft om mijn cliënten van onbehoorlijk (of zelfs crimineel: art. 47 jo 207 Sr) handelen te verdenken, hetgeen niet zo is.” Door middel van deze zinsnede heeft [Z] [W] impliciet te kennen gegeven dat aan [C] niets is betaald of is toegezegd dat verband hield met de door hem afgelegde verklaringen. Verder heeft [Z] in deze brief gemeld dat zij en diverse van haar achterliggers in het verleden “een normaal zakelijk contact” met hem hebben gehad. Kennelijk zinspeelde [Z] hierbij op de door [Y] aan [C] verstrekte lening, zonder deze uitdrukkelijk te noemen. Tenslotte heeft [Z] [W] in deze brief verzocht genoegen te nemen met de verklaring dat noch [Z] noch [D], [A] en [B] aan [C] de toezegging hebben gedaan dat hij geld zou krijgen uit de “[E]-schikking”.

4.10. Op 23 oktober 2008 hadden [J] en [I] namens [W] een bespreking met [D] en [A] namens [Z] en haar achterliggers. [J] heeft er toen op gewezen dat de bij [Z] betrokkenen mogelijk strafrechtelijk zouden worden vervolgd indien [C] zou zijn omgekocht. Hierop heeft [A] geantwoord dat [W] dat strafrechtelijk onderzoek dan maar moest laten doen. Hiermee gaf [A] aan niet bang te zijn voor de uitkomst van een eventueel strafrechtelijk onderzoek en deelde hij impliciet mee dat [C] niet is omgekocht.

4.11. Na deze bespreking, eveneens op 23 oktober 2008, vond een vergadering van belanghebbenden van [W] plaats (zie 2.25). [I] heeft tijdens die vergadering meegedeeld dat op basis van een schriftelijke verklaring van een derde [de rechtbank begrijpt: de brief van [P]] en eerdere signalen die de directie en de raad van commissarissen hebben ontvangen “door ons vraagtekens [worden] geplaatst bij de wijze van totstandkoming van de verklaringen die de heer [C] heeft afgegeven”. Hieruit leidt de rechtbank af dat het bestuur en de raad van commissarissen van [W] ook op

23 oktober 2008 ervan uitgingen dat [Z] of haar achterliggers [C] mogelijk hadden betaald of een beloning in het vooruitzicht hadden gesteld, in ruil voor zijn verklaringen. Sterker nog, het bestuur en de raad van commissarissen van [W] hielden er toen uitdrukkelijk rekening mee dat [Z] of haar achterliggers [C] hadden omgekocht, ondanks de brief van de raadsman van [Z] van 22 oktober 2008 en de mededelingen die door [A] en [D] op 23 oktober 2008 voorafgaand aan de vergadering hadden gedaan. Dit blijkt in de eerste plaats uit de volgende mededelingen van [I] tijdens deze vergadering:

“Verder is aangegeven dat zelfs al zou deze verklaring later onjuist blijken te zijn, [Z] niet wil dat daarmee het bedrag van dertig miljoen euro (EUR 30.000.000) weer op enige wijze gewijzigd zou kunnen worden en dat op een of andere wijze een bedrag zou moeten worden terugbetaald. Het bedrag van dertig miljoen euro (EUR 30.000.000) blijft dus definitief, ook al zou later bewijs komen dat er inderdaad sprake is van omkoping of iets dergelijks.”

4.12. Tijdens de vergadering van 23 oktober 2008 zijn sheets getoond. Dat het bestuur en raad van commissarissen van [W] rekening hielden met omkoping van [C] blijkt ook uit de tekst van sheet 15:

[Z] is (nog) niet bereid de door [W] gewenste verklaringen aan te leveren. Bovendien wenst [Z] dat het schikkingsbedrag intact blijft ook als later blijkt dat [C] iets heeft ontvangen of iets is toegezegd.

4.13. Tijdens de vergadering van 23 oktober 2008 hebben [I] en [L] benadrukt dat het bestuur en de raad van commissarissen weliswaar geen voorstander van een schikking waren, maar dat het met name ging om de belangen van de aandeelhouders ([I]) en dat er zou worden gehandeld naar de wil van de aandeelhouders ([L]). Een meerderheid van de aandeelhouders van [W] wilde op 23 oktober 2008 graag met [Z] schikken. [L] deelde tijdens die vergadering immers mee:

“Wij waren in eerste instantie tot de conclusie gekomen dat we het hoger beroep door zouden zetten. Door veel aandeelhouders, waaronder een aantal grote, wordt een enorme druk uitgeoefend, zowel op de commissie als op de directieleden.”

4.14. Bij die wens van veel aandeelhouders speelde het belang om op korte termijn over het geld te beschikken een rol. Dit volgt uit de medeling van [O] tijdens de vergadering van 23 oktober 2008 vergadering, dat “Waar de commissie van belanghebbenden veel waarde aan hecht is dat iedereen op korte termijn, en ook juist in deze tijd, over zijn eigen geld moet kunnen beschikken en dat heeft een prijs.”

4.15. Op 29 oktober 2008 heeft [Z] [W] laten weten dat [Z] en haar achterliggers niet bereid waren de door [W] gewenste schriftelijke verklaringen af te geven en dat wat hem betreft een schikking alleen mogelijk was “als daarna het boek definitief dicht kan” (zie 2.26). [W] heeft vervolgens haar eis van nadere verklaringen ingetrokken. Op 7 november 2008 hebben de laatste schikkingsonderhandelingen tussen partijen plaatsgevonden. Op verzoek van [Z] en haar achterliggers zijn in het laatste concept de artikelen 8 en 12 gevoegd (zie 2.29). Op 10 november 2008 hebben [W] en [Z] de vaststellingsovereenkomst ondertekend. De schikking is aangegaan onder de opschortende voorwaarde dat de algemene vergadering van aandeelhouders met tenminste 75% van het uitstaande aandelenkapitaal met de vaststellingsovereenkomst zou instemmen (hierna: de opschortende voorwaarde). Later die dag, eveneens op 10 november 2008 vond de algemene vergadering van aandeelhouders van [W] plaats, waarop de schikking was geagendeerd.

4.16. Voorafgaand aan de vergadering van 10 november 2008 is de raad van commissarissen van [W] afgetreden. De verklaring van de raad van commissarissen voor dit aftreden is aan het begin van de vergadering voorgelezen (zie 2.30). Als een van de redenen gaf de raad van commissarissen dat er geen verhaalsmogelijkheid zou zijn “indien de verstrekte informatie niet juist blijkt te zijn, ergo niet te goeder trouw zou zijn”. Gelet op deze verklaring moet het alle aanwezigen op de vergadering, inclusief het bestuur van [W], duidelijk zijn geweest dat de raad van commissarissen niet uitsloot dat [Z] en haar achterliggers [W] onjuist dan wel onvolledig hadden ingelicht met betrekking tot de vraag of [C] in verband met zijn verklaringen was betaald dan wel een beloning in het vooruitzicht was gesteld. Ook het bestuur van [W] sloot dit tijdens de vergadering van 10 november 2008, toen de vaststellingsovereenkomst al was ondertekend, nog steeds niet uit, zo blijkt uit mededelingen van [I] tijdens die vergadering:

- “Deze verklaring sluit aan bij eerdere signalen die directie en de raad van commissarissen hebben ontvangen op grond waarvan er vraagtekens kunnen worden geplaatst bij de totstandkoming en de onafhankelijkheid van de verklaringen van de heer [C].”

- “[W] doet afstand van de eerdere eis van een verklaring van [Z]. [W] vindt overigens de eerder aangehaalde verklaring uiterst onduidelijk en onvolledig.”

- “De directie is geen voorstander van deze schikking, maar legt zich neer bij de besluitvorming van de algemene vergadering.”

4.17. Dat [W] op dat moment niet uitsloot dat [Z] en haar achterliggers haar onjuist dan wel onvolledig hadden ingelicht met betrekking tot de vraag of [C] in verband met zijn verklaringen was betaald dan wel een beloning in het vooruitzicht was gesteld vindt ook bevestiging in de tekst van de sheets die tijdens de vergadering van 10 november 2008 zijn getoond:

Op sheet 18 stond:

“[Z] wil niet dat, ook al zou deze verklaring onjuist blijken, het bedrag van EUR 30 mln op enigerlei wijze kan worden aangetast of dient te worden terugbetaald. Indien er wordt geschikt en er later bewijs van omkoping volgt, kan [W] derhalve niets terug claimen”

En op sheet 21 stond:

“[Z] is niet bereid de door [W] gewenste verklaringen aan te leveren. Bovendien wenst [Z] dat het schikkingsbedrag in tact blijft ook als later blijkt dat [C] iets heeft ontvangen of iets is toegezegd

[…]

Deze uitkomst is het gevolg van het feit dat [Z] bekend is met de wens van veel aandeelhouders om te schikken”

4.18. Aan het slot van de vergadering van 10 november 2008 heeft 98,5% van het uitstaande aandelenkapitaal met de vaststellingsovereenkomst ingestemd, waardoor is voldaan aan de opschortende voorwaarde. Deze grote meerderheid heeft met de vaststellingsovereenkomst ingestemd, ondanks dat het bestuur en de raad van commissarissen geen voorstander waren van de schikking en de raad van commissarissen zelfs is afgetreden.

4.19. Artikel 3:44 lid 3 BW bepaalt, voorzover in deze procedure relevant, dat bedrog aanwezig is, wanneer iemand een ander tot het verrichten van een bepaalde rechtshandeling beweegt door enige opzettelijk daartoe gedane onjuiste mededeling of door het opzettelijk daartoe verzwijgen van enig feit dat de verzwijger verplicht was mede te delen. Gelet op de hierboven beschreven gang van zaken concludeert de rechtbank dat [W] níet is bewogen tot het sluiten van de vaststellingsovereenkomst door mogelijke leugens van [Z] en haar achterliggers en/of door opzettelijke verzwijging door [Z] en haar achterliggers over feiten waarvoor mogelijk op hen een mededelingsplicht rustte. Immers, [W] hield er op het moment van het ondertekenen van de vaststellingsovereenkomst en ook daarna uitdrukkelijk rekening mee dat [Z] en haar achterliggers tegen haar hadden gelogen over betalingen, of een toezegging daartoe, aan [C] in verband met zijn verklaringen, en dat [Z] met betrekking tot [C] informatie voor haar had verzwegen die van belang was voor haar afweging om te schikken. Het bestuur van [W] heeft ondanks haar twijfels, onder zware druk van (grote) aandeelhouders van [W], bewust het risico aanvaard dat [Z] of haar achterliggers [C] in verband met zijn verklaringen hebben betaald dan wel een beloning in het vooruitzicht hebben gesteld. Van bedrog in de zin van artikel 3:44 lid 3 BW is dus geen sprake. Hieruit volgt dat de vraag of [Z] en haar achterliggers daadwerkelijk tegen [W] hebben gelogen dan wel feiten hebben verzwegen ten aanzien waarvan op hen een mededelingsplicht rustte, zoals [W] stelt en [Z] gemotiveerd heeft betwist, niet hoeft te worden beantwoord. Evenmin hoeft te worden vastgesteld óf [C] een betaling of een toezegging daartoe heeft gekregen, in ruil voor zijn verklaringen.

4.20. [W] stelt dat de aangehaalde passages uit de processen-verbaal en de sheets van de vergaderingen van 23 oktober 2008 en 10 november 2008 louter interne overwegingen zijn die niet tegenover [Z] zijn geuit en dat deze overwegingen dan ook niet kunnen gelden als een aanvaarding (van wat dan ook) ten opzichte van [Z]. Voor zover [W] hiermee bedoelt dat de aangehaalde passages bij de beoordeling van de vraag of zij door [Z] is bedrogen buiten beschouwing moeten worden gelaten, faalt deze stelling nu deze geen grondslag in het recht vindt. Bij de beoordeling van de vraag of iemand is bewogen tot een rechtshandeling door mogelijke leugens of opzettelijke verzwijging mag de rechter alle omstandigheden van het geval betrekken. Daartoe behoren zeker ook (interne) besprekingsverslagen en niet louter uitingen die naar de wederpartij zijn gedaan.

4.21. Met inachtneming van het voorgaande staat vast dat (het bestuur van) [W] op het moment van het sluiten van de vaststellingsovereenkomst nog steeds twijfelde aan de rechtmatigheid van de totstandkoming van de verklaringen van [C]. [W] is met [Z] en haar achterliggers overeengekomen dat de vaststellingsovereenkomst er onder meer toe strekt alle onzekerheid en geschillen omtrent over en weer over elkaar gedane mededelingen, alsmede de al dan niet bestaande twijfel bij partijen omtrent de juistheid en rechtmatigheid van de (wijze van totstandkoming van de) ter zake van het geschil afgelegde verklaringen definitief te beëindigen (artikel 8 van de vaststellingsovereenkomst). Omdat van bedrog in de zin van artikel 3:44 lid 3 BW geen sprake is, is artikel 8 van de vaststellingsovereenkomst, anders dan [W] betoogt, niet nietig wegens strijd met de goede zeden (artikel 3:40 lid 1 BW). Ook is, anders dan [W] stelt, het beroep van [Z] op de toepassing van artikel 8 van de vaststellingsovereenkomst onder de hierboven beschreven omstandigheden niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. De buitengerechtelijke vernietiging door [W] van de vaststellingsovereenkomst is dan ook niet rechtsgeldig.

4.22. Het voorgaande brengt mee dat de vaststellingsovereenkomst onverkort van kracht is en dat [W] daaraan nog steeds is gebonden. De door [Z] gevorderde verklaring voor recht zal dan ook worden toegewezen.

Vorderingen van [W] ex artikel 843a Rv

4.23. [W] heeft in dit geding twee vorderingen ex artikel 843a Rv ingediend. In haar incidentele conclusie van 28 oktober 2009, ingediend bij de rechtbank Rotterdam voordat die rechtbank de zaak naar de rechtbank Utrecht heeft verwezen, heeft zij inzage gevorderd in, dan wel afschrift van stukken van [Z] en haar achterliggers met betrekking tot afspraken die volgens [W] met [C] zijn gemaakt in het kader van de verstrekking van geldelijke voordelen aan [C]. Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft geoordeeld heeft [W] bij deze incidentele vordering geen belang meer, zodat deze zal worden afgewezen. In haar tweede incidentele vordering, ingediend bij conclusie van antwoord op 23 juni 2010, heeft [W] gevorderd dat [Z] wordt bevolen om afschrift te verstrekken van alle declaraties en bijbehorende urenspecificaties die [Z] of aan haar gelieerde partijen in het kader van de procedure over het tijdvak van 1 september 2005 tot en met 16 juli 2008 hebben ontvangen van [R&R], van mr. [M] en van door [R&R] in het kader van de procedure ingeschakelde overige juridisch adviseurs. Voorts heeft zij afschrift gevorderd van een aantal stukken, voor zover de rechtbank haar incidentele vordering van 28 oktober 2009 zou afwijzen. Hierbij gaat het om alle correspondentie tussen (advocaten van) [C] en [Z] inzake afspraken over vergoeding van declaraties, de vooraf door mr. [M] aangeleverde kostenopgave en alle correspondentie tussen de (advocaten van) [Z], T. Meijer, [B] en [C] (dan wel vennootschappen) inzake het verzoek tot, de onderhandelingen over en de finalisering van de lening van [Y] aan [V]. Met betrekking tot de door [Z] aan mr. [M] verstrekte kostenvergoeding heeft [Z] een aantal stukken in het geding gebracht. Voor het overige heeft [W], gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft geoordeeld, ook bij deze incidentele vordering geen belang meer, zodat deze eveneens zal worden afgewezen.

Proceskosten

4.24. Ten aanzien van de proceskosten betoogt [Z] primair dat [W] moet worden veroordeeld tot vergoeding van de daadwerkelijke proceskosten van [Z] omdat [W] in de gegeven omstandigheden misbruik maakt van haar bevoegdheid (in de zin van artikel 3:13 BW) door de buitengerechtelijke vernietiging van de vaststellingsovereenkomst in te roepen. Met betrekking tot deze stelling van [W] wordt voorop gesteld dat in Nederland eenieder het recht heeft een procedure tegen een wederpartij te starten. Dit uitgangspunt brengt mee dat slechts in uitzonderlijke omstandigheden kan worden geoordeeld dat misbruik wordt gemaakt van dit recht en/of dat onrechtmatig wordt gehandeld door een procedure te starten. Van deze uitzonderlijke situatie kan sprake zijn als de ingestelde vorderingen op voorhand als volstrekt kansloos moeten worden aangemerkt. Van die situatie is in het onderhavige geval naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Reeds uit de omstandigheid dat de rechtbank de feiten uitvoerig heeft moeten wegen voordat zij tot de conclusie is gekomen dat de vaststellingsovereenkomst niet door bedrog tot stand is gekomen, volgt dat van misbruik van bevoegdheid door [W] geen sprake is. Omdat [Z] een verklaring voor recht heeft gevorderd is deze zaak van onbepaalde waarde, waarvoor bij de vaststelling van het advocatensalaris tarief II wordt toegepast.

4.25. [W] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [Z] worden begroot op:

- dagvaarding € 72,25

- griffierecht (Rotterdam) 2.200,00

- salaris advocaat 1.356,00 (3,0 punten × tarief EUR 452,00)

Totaal € 3.628,25

Het salaris advocaat betreft de dagvaarding (1 punt), de comparitie na antwoord (1 punt) en de twee conclusies van antwoord van [Z] in de door [W] ingestelde incidentele vorderingen ex art. 843a Rv (in totaal 1 punt). Zoals de rechtbank aan het begin van dit vonnis heeft aangegeven, heeft zij in overleg met partijen bepaald dat de stellingen en producties die een (in het geding verschenen) partij in een van de zaken heeft ingenomen dan wel heeft overgelegd, worden beschouwd als mede te zijn ingenomen respectievelijk te zijn overgelegd in de overige zaken. De hoogte van het toe te wijzen advocatensalaris hangt af van de hoogte van de ingestelde vordering. Gelet op de verwevenheid van deze zaak met de terugbetalingszaak, waarin [W] betaling van € 30 miljoen vordert, acht de rechtbank het redelijk de vergoeding voor de overige proceshandelingen te betrekken in het vonnis met betrekking tot de terugbetalingszaak.

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten zal worden toegewezen met inachtneming van de hierna in het dictum te bepalen termijn. De nakosten, waarvan [Z] betaling vordert, en de gevorderde wettelijke rente over de nakosten zullen op de hierna in het dictum weergegeven wijze worden begroot.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. verklaart voor recht dat de vaststellingsovereenkomst van 10 november 2008 tussen [Z] en [W] en al hetgeen daarin is overeengekomen onverkort van kracht is en derhalve partijen nog steeds bindt,

5.2. veroordeelt [W] in de proceskosten, aan de zijde van [Z] tot op heden begroot op € 3.628,25, te voldoen binnen 14 dagen na de datum van dit vonnis, bij gebreke waarvan voormeld bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.3. veroordeelt [W], indien niet binnen 14 dagen na de datum van dit vonnis vrijwillig volledig aan dit vonnis wordt voldaan, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:

- € 131,-- aan salaris advocaat, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in arikel 6:119 BW vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis,

- te vermeerderen, indien de veroordeelde niet binnen 14 dagen na aanschrijving door [Z] aan het vonnis heeft voldaan en vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met € 68,-- aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in arikel 6:119 BW vanaf de vijftiende dag na voormelde aanschrijving tot de dag van volledige betaling,

5.4. verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.2 en 5.3 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,

5.5. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Steenbergen, mr. J.K.J. van den Boom en mr. L.A.C. de Vaan en in het openbaar uitgesproken op 21 december 2011.?