Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BU9659

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
27-12-2011
Datum publicatie
29-12-2011
Zaaknummer
SBR 09-454B
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Einduitspraak over subsidietoekenning aan toneelgezelschap. In de tussenuitspraak van 20 september 2010, LJN: BN7760, is verweerder in de gelegenheid gesteld om motiveringsgebrek te herstellen en mocht eiseres haar beroep op het gelijkheidsbeginsel nader onderbouwen. Beide partijen hebben van deze gelegenheid gebruik gemaakt. Verweerder heeft onder verwijzing van het nadere advies van 29 november 2010 van de Raad voor Cultuur onderbouwd waarom eiseres als nieuwkomer in het landelijk bestel (categorie III) wordt aangemerkt. Dit nadere advies is een deskundigenadvies. Verweerder mag zich daarop in beginsel baseren tenzij er aanleiding bestaat te twijfelen aan de juistheid en volledigheid van het advies. Wat eiseres naar voren heeft gebracht geeft geen aanleiding voor twijfel in die zin. Verweerder heeft het besluit op dit punt voldoende gemotiveerd. Verweerder heeft verder op hoofdlijnen moeten motiveren welke taken behoren bij categorie II en III. Verweerder heeft in een toelichting voorzien. Het ligt, gelet op de zekere mate van vrijheid die een toneelinstelling heeft ten opzichte van de subsidieverstrekker, niet op de weg van verweerder om in detail vast te stellen welk takenpakket bij categorie III hoort en welk bij categorie II. De gegeven globale toelichting volstaat dan ook. Eiseres heeft verder gesteld dat zij zozeer afwijkt van het andere toneelgezelschap dat is ingedeeld in categorie III dat de indeling van eiseres in die categorie niet juist kan zijn. Het gelijkheidsbeginsel strekt echter niet zover. Binnen een categorie kan immers hetrogeniteit bestaan. De overeenkomsten tussen beide toneelgezelschappen rechtvaardigen indeling in categorie III. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummer: SBR 09/454B

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

de Stichting De Paardenkathedraal, thans geheten: De Utrechtse Spelen, gevestigd te Utrecht, eiseres,

gemachtigde: mr. F.S. Spijker, advocaat te Amsterdam

en

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, verweerder,

gemachtigde: mr. S. van Heukelom-Verhage, advocaat te Den Haag.

Inleiding

1.1 Bij besluit van 29 december 2008 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 16 september 2008 ongegrond verklaard. Bij laatstgenoemd besluit heeft verweerder aan eiseres een subsidie toegekend van € 1.454.149,- voor het jaar 2009 en van € 1.434.973, - per jaar voor de jaren 2010, 2011 en 2012. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld bij deze rechtbank.

1.2 Het geding is behandeld ter zitting van 10 februari 2010. Eiseres is daar verschenen bij [A], [B] en haar gemachtigde. Verweerder heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door mr. M.L. Batting, advocaat te Den Haag, en drs. [X].

1.3 Op 20 september 2010 heeft de rechtbank een tussenuitspraak gedaan in dit beroep. Tevens heeft de rechtbank in een tussenuitspraak van 16 december 2010 de termijn waarbinnen partijen kunnen reageren op elkaars standpunten verlengd.

1.4 Eiseres heeft bij brief van 2 november 2010 haar beroep op het gelijkheidsbeginsel nader onderbouwd. Verweerder heeft bij brief van 7 december 2010 een aanvullende motivering op het besluit gegeven. Als bijlage bij deze brief is een nader advies van 29 november 2010 gevoegd van de Raad voor Cultuur (de Raad). Eiseres heeft hierop gereageerd bij brief van 28 januari 2011.

1.5 De rechtbank ziet met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) af van een nadere zitting, nu (a) de zaak al eens ter zitting is behandeld, (b) een bestuurlijke lus is toegepast en (c) partijen hun zienswijzen over de wijze waarop het gebrek is hersteld naar voren hebben gebracht.

Overwegingen

Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak van 20 september 2010. De rechtbank neemt over en blijft bij al wat zij in deze uitspraak heeft overwogen en beslist.

2.1 De rechtbank heeft verweerder bij tussenuitspraak in de gelegenheid gesteld om het motiveringsgebrek dat aan het bestreden besluit kleeft te herstellen. Daartoe heeft zij partijen het volgende voorgehouden:

1. verweerder moet eiseres de gelegenheid bieden haar beroep op het gelijkheidsbeginsel ten opzichte van Het Vervolg en Het Zuidelijk Toneel te concretiseren;

2. verweerder moet zonodig met behulp van een nader advies van de Raad nader onderbouwen waarom eiseres is ingedeeld in categorie III en niet in II;

3. met die categorietoewijzing samenhangend moet verweerder uitleg geven van de verhouding van de onder rechtsoverweging 2.28 van de tussenuitspraak genoemde bedragen tot categorietoewijzing en de uit te voeren taken;

4. met die categorietoewijzing samenhangend moet verweerder motiveren of het gelijkheidsbeginsel is geschonden;

5. met de categorietoewijzing ten slotte samenhangend moet verweerder op hoofdlijnen motiveren welke taken eiseres niet (meer) zou hoeven uit te voeren.

2.2 Bij brief van 7 december 2010 heeft verweerder – onder verwijzing naar het nadere advies van de Raad van 29 november 2010 – toegelicht waarom eiseres is ingedeeld in categorie III (‘nieuwkomers in het landelijk bestel’) van de Basisinfrastructuur (BIS) Theater en niet in categorie II (‘regiogezelschappen met een beperkter takenpakket’). In het nadere advies van de Raad staat hierover het volgende vermeld:

“De Raad heeft in zijn advies over de inrichting van de Basisinfrastructuur (BIS) het theaterbestel als uitgangspunt genomen, zoals dat in 1984 door de commissie-De Boer is uitgewerkt. Dat bestel voorziet in drie toneelgezelschappen in de steden Amsterdam, Rotterdam en Den Haag, en drie toneelgezelschappen c.q. voorzieningen in de regio’s noord, oost en zuid. De Raad constateerde (...) dat de zes plekken waarop deze gezelschappen gevestigd zijn, opereren als een zogenoemd brandpunt: een sterke concentratie van theater- en andere podiumkunsteninstellingen waarin aanbod, afname, talentontwikkeling, doorstroom en vaak ook kunstvakonderwijs op een structureel niveau gegarandeerd zijn.

De Raad constateerde verder dat de regio’s Utrecht en Limburg ook als zulke theaterbrandpunten functioneren.

(…)

De Raad heeft toen geadviseerd om in die regio’s ook ruimte te bieden aan een toneelgezelschap in de Basisinfrastructuur. De twee instellingen die in januari 2008 op deze functie hebben ingetekend (De Paardenkathedraal in Utrecht en het fusiegezelschap Het Vervolg/Els Inc. in Maastricht) waren beide relatief kleine instellingen, die tot dan toe met een kleiner subsidievolume en op een kleinere schaal opereerden dan de zes andere toneelgezelschappen (uit het oude toneelbestel). Ze voerden nog niet het hele takenpakket uit als regiogezelschap. Als zodanig zijn zij dus te beschouwen als nieuwkomers in het nationale (BIS-)stelsel. De twee nieuwkomers in het landelijke bestel zouden, naar het oordeel van de Raad, op artistiek, productioneel, en bedrijfsmatig gebied een te grote schaalsprong moeten maken om direct als volwaardig toneelgezelschap in de Basisinfrastructuur te kunnen functioneren.

2.3 Verweerder heeft in zijn brief van 7 december 2010 benadrukt dat eiseres in de subsidieplanperiode 2009 - 2012 voor het eerst is gaan functioneren als een regiogezelschap, dat als brandpunt in de regio Midden fungeert en dat eiseres het daarbij behorende breed takenpakket is gaan uitvoeren. Eiseres bevindt zich in een proces van verandering, waarbij zij uitgroeit van een middengroot theatergezelschap tot een regiogezelschap. Dit rechtvaardigt volgens verweerder de indeling in categorie III van de BIS.

2.4 Eiseres heeft in haar reactie van 28 januari 2011 gesteld dat verweerder hiermee geen nieuwe motivering geeft, maar ingaat op de al bekende informatie. Volgens eiseres is zij geen nieuwkomer, omdat zij al sinds 1996 bestaat en zij al jarenlang de regio Utrecht bedient. De Raad heeft het functioneren van eiseres bij gelegenheid ook als uitstekend beoordeeld, waarmee geen rechtvaardiging bestaat om haar zich eerst maar eens te laten bewijzen. Niet valt in te zien waarom eiseres niet in staat zou zijn de schaalsprong naar categorie II te maken. Eiseres is volledig in staat om aan de bij categorie II behorende hogere kwaliteitseisen te voldoen. Het volume van een theatergezelschap is in sterke mate afhankelijk van de subsidie waarover zij kan beschikken. Het is vervolgens onredelijk om op basis van het volume vast te stellen in welke categorie eiseres moet worden ingedeeld. Als eiseres meer subsidie ontvangt, zal zij vanzelfsprekend ook meer taken kunnen uitvoeren.

2.5 De rechtbank is, anders dan eiseres, van oordeel dat verweerder met de toelichting uit het nadere advies van de Raad van 29 november 2010 in voldoende mate heeft voorzien in de motivering van zijn standpunt dat eiseres als nieuwkomer in het bestel moet worden aangemerkt en daarom is ingedeeld in categorie III. Het nadere advies van de Raad is, evenals de eerder door de Raad afgegeven adviezen, aan te merken als deskundigenadvies. Verweerder mag zich hierop bij zijn besluitvorming baseren. In dit verband wijst de rechtbank naar rechtsoverweging 2.23 van de tussenuitspraak. Hetgeen eiseres daartegenover heeft gesteld is onvoldoende om te twijfelen aan de juistheid en volledigheid van de door de Raad verschafte informatie en aan het advies als zodanig. In het advies gaat de Raad voldoende uitgebreid in op de door verweerder concreet gestelde vragen. Verder acht de rechtbank van belang dat verweerder grote beleidsvrijheid toekomt bij de toekenning van subsidies als hier aan de orde. Ook dit is eerder in de tussenuitspraak overwogen. Verweerder mag zich, onder verwijzing naar het nadere advies van de Raad, op het standpunt stellen dat de regionale uitstraling van eiseres - anders dan zij zelf betoogt - pas recentelijk een rol speelt en dat daarin rechtvaardiging kan worden gevonden voor de indeling van eiseres in categorie III. Verweerder mag zich voorts op het standpunt stellen dat de schaalsprong in twee fasen zal gaan plaatsvinden, waarbij eiseres pas in de subsidieperiode 2013 – 2016 kan doorgroeien tot een toneelgezelschap in categorie II.

2.6 Verweerder heeft daarmee in voldoende mate onderbouwd waarom eiseres is ingedeeld in categorie III en niet in categorie II en het motiveringsgebrek, zoals hiervoor in rechtsoverweging 2.1 onder 2 genoemd, hersteld.

2.7 Vervolgens ligt de vraag voor of verweerder in voldoende mate uitleg heeft gegeven over de met de categorietoewijzing samenhangende verhouding van de onder rechtsoverweging 2.28 van de tussenuitspraak genoemde bedragen tot categorietoewijzing en de uit te voeren taken. Verweerder heeft bij zijn toelichting van 7 december 2010 op dit punt eveneens verwezen naar het nadere advies van de Raad van 29 november 2010. De Raad heeft in zijn nadere advies hierover het volgende vermeld:

“De toneelgezelschappen in categorie III hadden tot 2009 een relatief beperkte omvang en een relatief bescheiden bereik. Tijdens de subsidieplanperiode 2009-2012 moeten zij op een evenwichtige wijze de overgang kunnen maken naar een toneelgezelschap in de Basisinfrastructuur. Daarom is hun takenpakket beperkter in omvang en beperkter in uitvoering dan dat van de instellingen binnen categorie II en in overeenstemming met de hoogte van de geadviseerde subsidie. Hun voornaamste kerntaken zijn: de productie van artistiek hoogwaardige voorstellingen in de grote zaal; het realiseren en bestendigen van de lokale en regionale inbedding, onder andere door de samenwerking aan te gaan met andere instellingen in het desbetreffende brandpunt; een solide artistieke structuur opbouwen die een groter en breder fundament heeft dan alléén het werk van de artistiek leider en een duurzame bedrijfsmatige organisatiestructuur opzetten met een aanzienlijke productiecapaciteit. Deze artistieke en bedrijfsmatige verbreding en versterking moet gepaard gaan met een vergroting van het publieksbereik. Door op deze manier vooral aandacht te besteden aan de opbouwfase, kunnen de organisaties op verantwoorde wijze in de daaropvolgende Subsidieplanperiode doorgroeien naar een toneelgezelschap in categorie II. Tot die tijd is hun takenpakket en het productievolume dus kleiner en in overeenstemming met het subsidievolume, zodat ze zich in eerste instantie kunnen richten op de genoemde voornaamste kerntaken.

2.8 Verweerder heeft toegelicht dat dit tot gevolg heeft dat nieuwe regiogezelschappen zich niet of in mindere mate hoeven te richten op talentontwikkeling, het ontwikkelen van educatieve programma’s en het participeren in lokale en regionale netwerken van scholen. Deze informatie is afgeleid uit het rapport ‘Innoveren, participeren!’ van maart 2007 van de Raad, waarin de Raad op pagina 174 de taken noemt die een volwaardig regiogezelschap moet uitvoeren. De Raad heeft vervolgens in het nadere advies van 29 november 2010 gesteld dat eiseres met een subsidievolume van ongeveer € 1,7 miljoen in staat moet kunnen zijn om de kerntaken uit te voeren die behoren bij een toneelgezelschap categorie III.

2.9 Eiseres heeft in haar reactie van 28 januari 2011 betoogd dat verweerder nog steeds niet helder op een rij heeft gezet welke taken precies behoren tot categorie II en welke tot categorie III. Zonder goede onderbouwing is een takenpakket geconstrueerd dat zowel onrealistisch, als onbegrijpelijk is. Eiseres stelt dat de kerntaken die behoren bij de categorie III nauw samenhangen met taken die zij volgens verweerder niet zou hoeven uitvoeren. Zij noemt als voorbeeld dat een goede lokale en regionale inbedding niet kan zonder te participeren in lokale en regionale netwerken van scholen. Verder kan, in de visie van eiseres, een solide artistieke structuur niet worden opgebouwd zonder talentontwikkeling.

Het uitvoeren van de ene taak impliceert ook een goede uitvoering van de andere taak. Het onderscheid in takenpakket tussen de beide categorieën is niet goed geconcretiseerd en gemotiveerd, aldus eiseres. Verweerder gaat volgens eiseres ook niet in op beantwoording van de vraag hoe de hoogte van het subsidiebedrag zich verhoudt tot dit takenpakket. Het takenpakket, waarvan het vergroten van het publieksbereik en meer zichtbaarheid in de regio onderdeel uitmaken, rechtvaardigt juist een groter productievolume en meer subsidie.

2.10 Bij de beantwoording van de vraag - kort gezegd - of verweerder nu voldoende heeft toegelicht wat het verschil is in taken van gezelschappen die zijn ingedeeld in categorie II en die zijn ingedeeld in categorie III en hoe deze taken zich verhouden tot het subsidieniveau, neemt de rechtbank als uitgangspunt hetgeen zij in rechtsoverweging 2.26 van de tussenuitspraak heeft overwogen. Het ligt, gelet op de zekere mate van vrijheid die een toneelinstelling heeft ten opzichte van de subsidieverstrekker, niet op de weg van verweerder om in detail vast te stellen welke taken eiseres door de indeling in categorie III niet (meer) hoeft uit te voeren. De rechtbank heeft wel van verweerder enige toelichting op dit punt verlangd. Hierin heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank met hetgeen hierboven is overwogen in 2.7 en 2.8 in voldoende mate voorzien. Verweerder heeft globaal aangegeven hoe de kerntaken van een regiogezelschap in de opbouwfase zich verhouden tot de taken van een regiogezelschap in categorie II. In het licht daarvan heeft verweerder voor eiseres een lager subsidiebedrag vastgesteld dan dat wordt toegekend aan een volwaardig regiogezelschap, hetgeen niet onredelijk is en in lijn is met het totale subsidievolume dat de Raad heeft geadviseerd in zijn advies Basisinfrastructuur 1.0.

2.11 Hoe eiseres het subsidiebedrag inzet om het door haar beoogde doel te bereiken, is een zaak van eiseres zelf. Concrete aanknopingspunten dat eiseres deze kerntaken niet zou kunnen verrichten met het haar toegekende subsidiebedrag heeft eiseres niet aangedragen. In de visie van eiseres zijn de taken die zij niet hoeft uit te voeren onlosmakelijk verweven met de door de Raad genoemde kerntaken. De rechtbank volgt eiseres hierin niet. Niet valt in te zien waarom een versteviging van de lokale en regionale inbedding, onlosmakelijk verweven zou zijn met het participeren op scholen. Evenmin is sprake van een onlosmakelijke verwevenheid tussen het opbouwen van een solide artistieke structuur en talentontwikkeling. Het is de verantwoordelijkheid van eiseres zelf om met het haar toegekende subsidiebedrag te voorzien in de uitvoering van de door verweerder genoemde kerntaken (de te subsidiëren activiteiten) en daarin de benodigde keuzes te maken.

2.12 Dat eiseres met een groter subsidievolume meer taken zou kunnen uitvoeren, moge zo zijn, maar dat doet niet af aan de houdbaarheid van verweerders keuze om eiseres als nieuwkomer in het bestel een lager subsidiebedrag toe te kennen om gefaseerd te kunnen uitgroeien tot een volwaardig regiogezelschap. Verweerder mag zich daarbij op het standpunt stellen dat het enkele verrichten van activiteiten in het licht van de beoordelingscriteria niet voldoende is, maar dat de artistieke kwaliteit van de activiteiten een absolute voorwaarde voor subsidiëring is en dat hiervoor tijd moet worden uitgetrokken. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank thans voorzien in een voldoende motivering op de punten 3 en 5 van de opsomming genoemd in rechtsoverweging 2.1 van deze uitspraak.

2.13 Vervolgens is het beroep op het gelijkheidsbeginsel aan de orde. In de tussenuitspraak is de bespreking daarvan in het licht van wat eiseres met name naar voren heeft gebracht wat gezelschappen in categorie II betreft toegespitst op Het Zuidelijk Toneel. In de uitvoering van de bestuurlijke lus hebben partijen dat iets breder getrokken en ook andere gezelschappen in categorie II besproken. In het licht van het (voorgezette) geding acht de rechtbank dat reëel. Zij zal die verbreding dan ook volgen. Dat de Raad het accent heeft gelegd op Het Zuidelijk Toneel wordt verweerder niet tegengeworpen, nu de tussenuitspraak daartoe ook aanleiding gaf.

2.14 Bij brief van 2 november 2011 heeft eiseres haar beroep op het gelijkheidsbeginsel nader onderbouwd. Zij heeft zich hierbij op het standpunt gesteld dat zij evenals de gezelschappen in categorie II (‘Het Zuidelijk Toneel’, ‘Noord Nederlands Toneel’ en ‘Toneelgroep Oostpool’) in staat is het takenpakket dat behoort bij categorie II te vervullen. Eiseres voldoet aan de formele en materiële criteria die de Raad heeft gesteld. Bij een vergelijking van de gezelschappen mag, volgens eiseres, geen rol spelen dat de gezelschappen in categorie II reeds beschikken over een hoger budget en dus meer taken kunnen uitvoeren dan eiseres. Bekeken moet worden of eiseres met het daarbij behorende subsidiebudget het takenpakket verbonden aan categorie II zal kunnen uitvoeren. Eiseres is hiertoe, naar eigen zeggen, prima in staat. Ook de Raad beoordeelt haar immers als uitstekend. Dat verweerder onderscheid maakt tussen de verschillende regio’s acht eiseres niet redelijk. Alle regio’s zijn met een volwaardig regiogezelschap vertegenwoordigd in de BIS, behalve de regio Midden, die daarmee wordt achtergesteld.

2.15 In reactie hierop heeft verweerder verwezen naar het nadere advies van 29 november 2010 van de Raad, waarin de Raad een vergelijking heeft gemaakt tussen toneelgezelschappen in de categorie III en het Zuidelijk Toneel.

“Het Zuidelijk Toneel is het toneelgezelschap in de regio zuid, dat sinds 1984 tot het landelijk toneelbestel behoort. De Raad heeft in Basisinfrastructuur 1.0 geadviseerd dat de toneelgezelschappen in de regio’s noord, zuid en oost elk over een totaal subsidievolume van 2,5 miljoen euro moeten kunnen beschikken. Op grond daarvan heeft de Raad geadviseerd om de subsidiehoogte van dit gezelschap aan dit bedrag aan te passen. Het Zuidelijk Toneel moet de taken als toneelgezelschap in de BIS in de mate uitvoeren die past bij de toegekende subsidie. Zoals beschreven in het subsidieadvies over het Zuidelijk Toneel (zie Basisinfrastructuur 1.0, p. 482) moest deze instelling zich wel structureel toeleggen op het ontwikkelen van jonge theaterauteurs en van jonge regisseurs voor de grote zaal. Daarnaast is het spreidingsgebied van Het Zuidelijk Toneel veel groter dan het spreidingsgebied van de toneelgezelschappen in categorie III.

2.16 Verder staat in het nadere advies van 29 november 2010 van de Raad dat eiseres niet alleen een schaalsprong dient te maken ten opzichte van de oorspronkelijke instelling, maar dat zij ook een instelling in een (artistieke) opbouwfase is. De instellingen in categorie II (Noord Nederlands Toneel, Toneelgroep Oostpool en Het Zuidelijk Toneel) kennen daarentegen al een stevig artistiek en organisatorisch fundament in hun respectieve brandpunten. Bij die instellingen ging het vooral om de uitbreiding en het kwalitatief versterken van taken die al werden uitgevoerd, aldus de Raad.

2.17 De rechtbank is van oordeel dat verweerder hiermee heeft voorzien in een voldoende motivering waarom eiseres niet gelijk is aan de door haar genoemde gezelschappen in categorie II. Voor de gezelschappen in categorie II geldt dat zij al een sterke binding hebben met de regio, in de zin van samenwerkingsverbanden, regionale projecten en binding met lokale scholen. Eiseres heeft dat, zo is eerder al uiteengezet, in betekenende mate minder. Verweerder mag de Raad volgen in diens standpunt dat, hoewel eiseres al geruime tijd bestaat, zij te beschouwen is als nieuwkomer in het bestel en dat zij zich nog een bepaalde basispositie in de regio zal moeten verwerven, waarmee zij wezenlijk verschilt van de gezelschappen in categorie II. De situatie van eiseres is daarmee niet gelijk aan de situatie van de gezelschappen in categorie II en dus slaagt dit deel van het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet.

2.18 Eiseres heeft voorts betoogd dat zij niet gelijk is aan de enige andere instelling in categorie III, Theatergroep Maastricht (Het Vervolg en Els Inc.). De Raad heeft over subsidiëring van Het Vervolg aanvankelijk namelijk negatief geadviseerd. Na fusie met Els Inc. en aanpassing van een activiteitenplan heeft de Raad over dit gezelschap uiteindelijk positief geadviseerd, maar daaraan lag de wens van de Raad ten grondslag om een toneelgezelschap in de regio Limburg te hebben. De Raad heeft dit nieuwe gezelschap een kans willen geven. Eiseres is daarentegen door de Raad als uitstekend beoordeeld en bestaat al sinds 1996. Eiseres is hiermee, volgens haar, niet gelijk aan het enige andere gezelschap in categorie III en zou dus in een andere categorie moeten worden opgenomen.

2.19 Ook hierin volgt de rechtbank eiseres niet. Eiseres bepleit hier in feite een negatieve werking van het gelijkheidsbeginsel, te weten dat eiseres zo zeer afwijkt van Theatergroep Maastricht dat indeling in dezelfde categorie daarom niet juist kan zijn. Dat pleidooi miskent dat heterogeniteit binnen een categorie kan bestaan. De beschermende werking van het gelijkheidsbeginsel strekt niet zo ver als eiseres op dit punt bepleit. De overeenkomsten, te weten dat zij beide nieuwkomers in het bestel zijn, zij nog niet de regionale uitstraling hebben die behoort bij de indeling in categorie II en zij op artistiek, productioneel en bedrijfsmatig gebied een sprong zullen moeten maken, rechtvaardigen dat zij beide in categorie III zijn ingedeeld. Dat de Raad eiseres beter heeft beoordeeld dan Theatergroep Maastricht, heeft dan ook niet tot gevolg dat eiseres in een andere categorie moet worden opgenomen.

2.20 Eiseres heeft in het verlengde van haar beroep op het gelijkheidsbeginsel in haar reactie van 2 november 2010 gesteld dat verweerders handelwijze om het subsidiebedrag te verlagen als een toneelgezelschap subsidie ontvangt of zal ontvangen van een lagere overheid, in strijd is met dat beginsel. Een gezelschap dat van verschillende overheden subsidie ontvangt zal zich verschillende keren moeten verantwoorden en heeft een groter takenpakket. Een gezelschap wordt hiermee als het ware gestraft voor het feit dat zij van lagere overheden ook subsidie ontvangt. Dit levert rechtsongelijkheid op.

2.21 De rechtbank stelt vast dat eiseres hiermee, zij het in andere bewoordingen, heeft herhaald wat zij al eerder in deze procedure naar voren heeft gebracht. De kern van haar betoog is dat zij het niet eens is met verweerders keuze om uit te gaan van een totaal subsidievolume, waarbij subsidies van lagere overheden worden verrekenend bij de toekenning van rijkssubsidie. Hierover heeft de rechtbank zich echter al eerder uitgelaten in een definitief bindend oordeel in de tussenuitspraak. Zij volstaat dan ook met een verwijzing naar rechtsoverweging 2.30 van de tussenuitspraak.

2.22 Eiseres heeft er vervolgens op gewezen dat verweerder bij haar wel is overgegaan tot een verrekening van de subsidie die zij heeft ontvangen van een lagere overheid, terwijl dat bij Theatergroep Maastricht niet is gebeurd. Dit is in strijd met het gelijkheidsbeginsel.

2.23 Verweerder heeft, na contact met de Raad hierover, verklaard dat het uitblijven van een verrekening bij Theatergroep Maastricht berust op een vergissing. Verweerder heeft alle belangen afgewogen en geconcludeerd om geen consequenties te verbinden aan deze vergissing. Het gaat hier volgens hem om een enkele foute beschikking. Een wijziging van de subsidieverlening ten nadele van Theatergroep Maastricht acht verweerder in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Een verhoging van de subsidie van eiseres is evenmin aan de orde nu een eenmaal gemaakte fout niet behoeft te worden herhaald. De hoogte van de aan eiseres verleende subsidie is volledig in overeenstemming met de voor haar te behalen kerndoelen, aldus verweerder. Volgens verweerder heeft eiseres ook niet gesteld dat zij deze kerntaken niet zou kunnen verrichten van het haar toegekende bedrag.

2.24 De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in zijn brief van 7 december 2010 terecht op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen consequenties ten nadele van Theatergroep Maastricht of ten gunste van eiseres aan de geconstateerde fout hoeven te worden verbonden. Verweerder heeft de belangen van eiseres kenbaar bij zijn beoordeling betrokken. Volgens vaste jurisprudentie, zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 25 september 2002, LJN: AE8032, strekt het gelijkheidsbeginsel niet zo ver dat een bestuursorgaan een eenmaal gemaakte fout moet blijven herhalen. Verweerder heeft aan de gemaakte vergissing ten opzichte van eiseres geen gevolgen hoeven te verbinden.

2.25 Samenvattend is de rechtbank van oordeel dat ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel van eiseres niet slaagt. Verweerder heeft met de gegeven toelichting voorzien in voldoende motivering op punt 4 van de opsomming genoemd in rechtsoverweging 2.1 van deze uitspraak.

2.26 Zoals al in de tussenuitspraak is overwogen, is het bestreden besluit aanvankelijk ontoereikend gemotiveerd en dus in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. Het beroep is dan ook gegrond en het bestreden besluit wordt vernietigd. De rechtbank ziet evenwel aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit geheel in stand te laten, gelet op al wat hiervoor is overwogen.

2.27 Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

2.28 Onder deze omstandigheden ziet de rechtbank aanleiding om verweerder op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten die eiseres in beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De rechtbank beoordeelt het gewicht van de zaak vanwege de complexiteit ervan als zwaar. Dit leidt volgens de bijlage van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb), onderdeel C1, tot een wegingsfactor 1,5. De proceshandelingen die voor vergoeding in aanmerking komen, zijn: het indienen van het beroepschrift (1 punt), de aanwezigheid ter zitting (1 punt) en de schriftelijke reactie op verweerders aanvullende motivering van 7 december 2010 (0,5). De rechtbank stelt deze laatste reactie van 28 januari 2011 gelijk met het geven van schriftelijke inlichtingen zoals genoemd in de bijlage van het Bpb onderdeel A. De waarde per punt bedraagt € 322,-. Dit brengt het totaal aan te vergoeden proceskosten op € 1207,50 (2,5 x 1,5 x € 322,-).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 29 december 2008;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

- bepaalt dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 288,- vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van het geding ten bedrage van € 1207,50, te betalen aan eiseres.

Aldus vastgesteld door mr. D.A. Verburg als voorzitter en mr. K.J. Veenstra en mr. G.C. van Gelein Vitringa-Boudewijnse als leden van de meervoudige kamer, en in het openbaar uitgesproken op 27 december 2011.

De griffier: De voorzitter:

mr. M.E.C. Bakker mr. D.A. Verburg

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De uitspraak van de rechtbank is bindend tussen partijen. Die binding heeft ook betekenis bij een eventueel vervolg van deze procedure, bijvoorbeeld indien het beroep gegrond wordt verklaard en verweerder een nieuw besluit moet nemen. Als een partij niet met hoger beroep opkomt tegen een oordeel van de rechtbank waarbij uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een standpunt van die partij is verworpen, staat de bestuursrechter die partij in beginsel niet toe dat standpunt in een latere fase van de procedure opnieuw in te nemen.