Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BU9119

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
22-12-2011
Datum publicatie
22-12-2011
Zaaknummer
16.994025-10[P]
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2013:10369, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Onderzoek Rembrandt. Verdachte gaf leiding aan een onderneming die vastgoedprojecten aankocht en korte tijd later voor een veel hogere prijs doorverkocht aan SGBB. De rechtbank acht verdachte schuldig aan oplichting, valsheid in geschrift en witwassen en het als oprichter deelnemen aan een criminele organisatie. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 2 jaar en vijf maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16.994025-10[P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 22 december 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1967] te ’s-Gravenhage,

wonende te [woonplaats], [adres],

verblijvende te [woonplaats], [adres],

raadsman mr. J.W. Ebbink, advocaat te Haarlem.

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 21, 22, 23 en 28 november 2011, waarbij de officier van justitie, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

? samen met anderen [stichting 1] heeft opgelicht dan wel dat hij samen met anderen verduistering in dienstbetrekking heeft gepleegd dan wel dat hij zich samen met anderen heeft laten omkopen (feiten 1, 4 en 7)

? als leidinggevende samen met anderen valsheid in geschrifte heeft gepleegd (feiten 2, 5 en 8)

? als leidinggevende samen met anderen diverse geldbedragen heeft witgewassen (feiten 3, 6 en 9)

? als oprichter, leidinggevende of bestuurder samen met anderen heeft deelgenomen aan een criminele organisatie (feit 10)

3. De voorvragen

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging en er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft gepleegd en baseert zich daarbij op diverse bewijsmiddelen, afzonderlijk dan wel in samenhang beschouwd.

4.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de tenlastegelegde feiten. De verdediging heeft op diverse punten verweer gevoerd. Deze verweren zullen in paragraaf 4.3 stuk voor stuk in het lopend betoog worden besproken, voorzover zij niet reeds zijn weerlegd door de inhoud van de bewijsmiddelen.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

4.3.1. Algemeen

4.3.1.1. Inleiding

Anders dan te doen gebruikelijk zal de rechtbank in haar vonnis de verdachte, alsmede zijn medeverdachten in de “Rembrandtzaak”( [medeverdachte 1], [medeverdachte 2], [medeverdachte 3], [bedrijf 1], [C][bedrijf 2], [bedrijf 3] h.o.d.n. [naam]), ten behoeve van de leesbaarheid ervan niet in alle gevallen aanduiden als “verdachte” of “de verdachte”, c.q. “(de) medeverdachten”, maar verwijzen naar zijn/haar/hun achternaam, en daarbij zo nodig tevens zijn (mede)verdachtes, initialen of voornaam vermelden.

Naar aanleiding van een verdenking dat medewerkers van de [stichting 1] ([stichting 1]) samen met een projectontwikkelaar, te weten, [bedrijf 3] (handelende onder de naam [naam]) betrokken waren bij fraude met vastgoedprojecten, het versturen van valse facturen voor werkzaamheden die niet zijn verricht en het afromen van ten onrechte of teveel betaalde bedragen via constructies met besloten vennootschappen, is door de VROM-IOD een onderzoek genaamd Rembrandt ingesteld.

Dit onderzoek richtte zich op de directeur van woningbouwvereniging [stichting 1], [medeverdachte 1], die er van wordt verdacht dat hij met projectontwikkelaar [verdachte] van [bedrijf 3] ([naam]) aan de Raad van Toezicht van [stichting 1] projecten heeft voorgesteld tegen een te hoge prijs en/of daarbij de aan de projecten verbonden risico’s heeft verzwegen. De Raad van Toezicht van [stichting 1] zou daardoor tot aankoop van de projecten [project 1], [project 2]en [project 3]zijn bewogen. Een deel van de door [stichting 1] voor deze projecten betaalde gelden zouden tussen [verdachte] en zijn toenmalige echtgenote, [medeverdachte 1] en diens zus en schoonzus -[medeverdachte 2] respectievelijk [medeverdachte 3][gemachtigde 2], zijn verdeeld en via een speciaal daartoe opgerichte besloten vennootschap, [bedrijf 1], zijn witgewassen. Vanuit deze laatste BV zouden valse facturen zijn verstuurd voor het dragen van risico en het verrichten van werkzaamheden, terwijl daarvan in werkelijkheid geen sprake is geweest.

4.3.1.2. [bedrijf 1]

4.3.1.2.1. De oprichting en de certificering van de aandelen van [bedrijf 4]

Op 30 september 2005 wordt [bedrijf 4], vanaf 31 mei 2007 genaamd [bedrijf 4] , (hierna steeds te noemen: [bedrijf 4]) gevestigd te [vestigingsplaats], opgericht door [medeverdachte 2]. Bij de oprichting wordt [medeverdachte 2] enig aandeelhouder van de vennootschap, terwijl haar levenspartner [medeverdachte 3] enig bestuurder wordt. Het totaal geplaatst aandelenkapitaal van [bedrijf 4] is € 18.150,- en [medeverdachte 2] verkrijgt alle 726 uitgegeven aandelen . Op dezelfde dag wordt door [medeverdachte 2] de [stichting 2] ([stichting 2]) opgericht , waarvan zij enig bestuurder wordt. De aandelen van [bedrijf 4] worden dezelfde dag nog gecertificeerd en in [stichting 2] ondergebracht.

Op het bankrekeningnummer van [bedrijf 4] wordt op 15 september 2005 een bedrag ter grootte van € 19.000,- bijgeschreven. De betaling is afkomstig van [bedrijf 5] en is voorzien van de omschrijving “Spoedopdracht.” [medeverdachte 2] verklaart over deze betaling dat deze de verstrekking van een lening betreft door [verdachte]. Zij verklaart dat [verdachte] deze lening via zijn bedrijf [bedrijf 5] heeft verstrekt aan [bedrijf 4] en op die manier voor een garantstelling zorgde. Deze lening is korte tijd later door [bedrijf 4] terugbetaald.

4.3.1.2.2. De overdracht van aandelen aan [A]

Bij brief d.d. 10 augustus 2005 aan notaris [notaris] betreffende “Oprichting van [bedrijf 4]” schrijft de registeraccountant [B], dat [medeverdachte 2][naam][bedrijf 4] wil oprichten en dat zij de aandelen van deze BV wil certificeren en de certificaten voor 45/55e deel tegen nominale waarde wil overdragen aan haar broer, de heer [medeverdachte 1], hetgeen inhoudt 594 certificaten met een nominale waarde van totaal € 14.850,-. [B] verzoekt notaris [notaris] de stukken in concept op te maken op basis van deze gegevens.

Op 30 september 2005 draagt [medeverdachte 2] 594 geplaatste certificaten van aandelen in het kapitaal van [bedrijf 4] over aan [A], de echtgenote van [medeverdachte 1] met wie hij in gemeenschap van goederen is gehuwd. Blijkens de akte van overdracht van de certificaten betaalt zij hiervoor € 14.850,- .

Bij de vader van [medeverdachte 3] is een onderhandse akte van overdracht van de certificaten gedateerd 12 oktober 2005 van [A] aan [medeverdachte 3] aangetroffen. Deze overdracht van de certificaten is niet aangetekend in het bijbehorende register van certificaathouders . Deze akte en de plaats waar deze zich bevond kwam eerst ter sprake in het 15e verhoor door VROM-IOD van [medeverdachte 2]. [medeverdachte 2] heeft toen verklaard dat zij dit document bij de vader van [medeverdachte 3] op zolder bewaarde als back-up in verband met brandgevaar. Er is echter nergens een originele versie van deze akte aangetroffen.

[A] verklaart dat zij niets weet van een overdracht van certificaten aan, respectievelijk door haar. Zij verklaart bovendien niets te weten van een garantstelling. Geconfronteerd met de parafen en handtekeningen op de documenten betreffende de (vermeende) overdrachten van de certificaten, verklaart zij niet te weten of deze van haar zijn.

Met betrekking tot de certificaten verklaart [medeverdachte 3] nog dat zij niet weet hoe lang deze garantstelling heeft geduurd en of [A] nog steeds garant staat.

De verdediging heeft aangevoerd dat de overdracht van certificaten aan [A], de echtgenote van [medeverdachte 1], een garantstelling betrof voor de lening die is afgesloten ten behoeve van het kapitaal dat benodigd was voor de oprichting van [bedrijf 4] en dat de certificaten enkele dagen later, toen de garantstelling niet meer nodig was, door [A] zijn overgedragen aan [medeverdachte 3].

Gelet op bovenstaande bevindingen acht de rechtbank de door de verdediging geschetste gang van zaken omtrent de teruglevering van de certificaten door [A] aan [medeverdachte 3] niet aannemelijk. De enige aanwijzing voor een dergelijke gang van zaken (naast de verklaringen van verdachten) is de onderhandse akte maar daaraan kan de rechtbank, gezien vorenstaande overwegingen over die akte, onvoldoende waarde hechten. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat de certificaten in eigendom van [A] zijn gebleven.

4.3.1.2.3. De betrokkenheid van verdachten in [bedrijf 4]

Om vast te stellen wat de betrokkenheid van de verschillende verdachten was bij de oprichting en de activiteiten van [bedrijf 4] en wie (feitelijk) leiding geven aan [bedrijf 4], slaat de rechtbank acht op de volgende verklaringen en documenten.

Blijkens de uittreksels uit het handelsregister van de Kamers van Koophandel d.d. 7 mei 2010 betreffende [bedrijf 4] was [medeverdachte 3] vanaf de oprichting op 30 september 2005 algemeen directeur en alleen/zelfstandig bevoegd .

Over de oprichting van [bedrijf 4] wordt door de directeur, [medeverdachte 3], het volgende verklaard:

"Ik ben niet bij de oprichtingsplannen van de Stichting en [bedrijf 4] aanwezig geweest. [verdachte], [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 2] = [medeverdachte 2]) hebben dit gepland. Ik moest directeur worden, omdat [verdachte] geen zaken zou mogen doen met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2]. Dit was vanwege de geldstromen van [stichting 1] naar [naam] en van [naam] naar [bedrijf 4] [medeverdachte 1] was toen al directeur bij [stichting 1] en [medeverdachte 2] kon geen directeur zijn omdat zij de zus van [medeverdachte 1] is en [medeverdachte 1] de directeur van [stichting 1]. Het is mij door [medeverdachte 2] uitgelegd dat zij geen directeur konden worden en ik wel. Ik verdiende veel geld waar ik niets voor hoefde doen.”

Vanaf 20 november 2008 wordt [verdachte] eveneens zelfstandig bevoegd als algemeen directeur. [medeverdachte 3] verklaart dat het feit dat [verdachte] op dat moment directeur werd van [bedrijf 4], alles te maken had met het aangekondigde bezoek van de belastingdienst. Vlak voor dit bezoek van de belastingdienst in 2008 heeft zij een stuk of tien briefjes geschreven tussen [naam] en [bedrijf 4] Zij verklaart dat de datum van die briefjes moest kloppen met de projecten die in de mappen aan de [project 4] te [woonplaats] zaten. Volgens [medeverdachte 3] heeft [medeverdachte 1] haar daar deze briefjes gedicteerd met een tekst als “hoi [verdachte], hierbij de tekening of stukken van… Ik heb gekeken naar project dat niet haalbaar is. Groetjes [medeverdachte 3]”

Zij verklaart dat deze briefjes met een foutieve datum in de projectmappen zijn gedaan en dat een kopie daarvan is gegeven aan [verdachte], die ook bij het onderhoud aanwezig was. Zij verklaart voorts vaker haar handtekening te hebben gezet onder dingen die niet klopten .

Ook [medeverdachte 2] was volgens haar bij het onderhoud aanwezig. [medeverdachte 2] heeft tijdens haar verhoor door de VROM IOD bevestigd dat [medeverdachte 1] heeft geholpen met administratieve taken in [bedrijf 4]

De verdediging heeft aangevoerd dat de verklaringen van [medeverdachte 3] niet voor het bewijs mogen worden gebezigd, omdat zij gemakkelijk te beïnvloeden is en mede door onjuiste informatieverschaffing door de verbalisanten tijdens de verhoren, in strijd met de waarheid heeft verklaard.

De rechtbank overweegt dat [medeverdachte 3] tijdens de verhoren door de VROM-IOD de mogelijkheid heeft gehad om haar advocaat te raadplegen. Zij heeft consequent verklaard en de inhoud van haar verklaringen herhaald ten overstaan van de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank ten tijde van de inbewaringstelling. De rechtbank is niet van het voorhouden van onjuiste omstandigheden tijdens haar verhoren gebleken. De rechtbank is dan ook van oordeel dat er geen reden is om de verklaringen van [medeverdachte 3] van het bewijs uit te sluiten en verwerpt het verweer.

[medeverdachte 2] verklaart dat zij de betalingen verzorgde voor [bedrijf 4] en dat ze alles weet van de administratie van [bedrijf 4] Zij verklaart dat zij de werkzaamheden heeft verricht en de adviezen heeft gegeven waarvan in de verschillende documenten wordt gesproken en waarvan [medeverdachte 3] verklaart dat zij die niet heeft verricht respectievelijk gegeven. Zij verklaart dat ze deze werkzaamheden en projecten aan [naam] heeft gefactureerd. Over de rol van [medeverdachte 3] in [bedrijf 4] verklaart ze dat ze aanvankelijk dacht dat [medeverdachte 3] wel werkzaamheden zou gaan verrichten, maar dat duidelijk werd dat zij het niet leuk vond.

In een emailbericht d.d. 1 september 2005 van [medeverdachte 2] aan [medeverdachte 1] vraagt [medeverdachte 2] of [medeverdachte 1] “ze zo netjes vind”. Het emailbericht vermeldt als onderwerp ‘Briefpapier en factuur [naam]’ en bij dit bericht zijn twee documenten gevoegd, te weten een blanco (concept) brief en een blanco (concept) factuur op briefpapier van [bedrijf 4]

[bedrijf 6] stuurt [bedrijf 4] op 31 januari 2007 een factuur ten behoeve van Juridisch advies inzake diverse projecten. Deze factuur wordt in de woning van [medeverdachte 1] aangetroffen. In de woning van [medeverdachte 1] is bij de doorzoeking ter inbeslagname d.d. 19 mei 2010 ook gevonden een uitdraai van een verrekenstaat waarop onder andere een kolom staat met de titel [naam] (zie ook hierna onder “4.3.1.2.4 Geldstromen”).

En voorts werd in de woning van [medeverdachte 1] aangetroffen een lijst met daarop de aandelenportefeuille van [bedrijf 4] . Hierover heeft [medeverdachte 2] het volgende verklaard : ‘[bedrijf 4] heeft een beleggingsportefeuille van in totaal ongeveer € 870.000,-.’

Op 19 september 2005 stuurt [B] aan [bedrijf 7], t.a.v. de heer [medeverdachte 1] een factuur voor verleende diensten tot en met augustus 2005. Op de specificatie van de factuur staat onder meer de post ‘oprichten rechtspersonen’. Op een overzicht dat later door [B] wordt verstrekt staat bij deze post vermeld ”10-08-2005 H&S (=[naam]) inz. [naam]”

Uit bovenstaande verklaringen en bevindingen leidt de rechtbank af dat [medeverdachte 1] naast [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] feitelijk opdracht en/of leiding heeft geven aan [bedrijf 4]

4.3.1.2.4. De geldstromen van en naar [bedrijf 4]

Om vast te stellen hoe de geldstromen liepen van en naar deze BV slaat de rechtbank acht op het volgende.

Verrekenstaat en handgeschreven notities

Op de computers in de woningen van respectievelijk [verdachte], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] en in het bedrijfspand aan de [adres] is een verrekenstaat aangetroffen waarin onder meer een kolom is opgenomen met de titel [naam]. In de woning van [medeverdachte 1] is een (eerdere) uitdraai van deze verrekenstaat gevonden. In de kolom met de titel [naam] staan uiteenlopende bedragen in euro’s opgenomen onder diverse projectnamen.

Daarnaast zijn in de woning van [medeverdachte 1] handgeschreven overzichten (B 5 264 , B 5 265 en B 5 266 ) aangetroffen. Op deze documenten staan allerlei bedragen, plaatsnamen, projecten en verwijzingen naar facturen geschreven. Deze documenten zijn van de hand van [medeverdachte 2].

Op grond van deze verrekenstaat en de handgeschreven notities concludeert de rechtbank dat bedragen, afkomstig uit de opbrengsten van diverse projecten, ten goede zouden komen aan [bedrijf 4]

De verdediging heeft aangevoerd dat de aanwezigheid, herkomst en/of bedoeling van de -digitaal dan wel fysiek- aangetroffen verrekenstaten en handgeschreven notities niet bekend waren bij de verschillende verdachten en dat uit de enkele vondst van deze documenten geen conclusies mogen worden getrokken met betrekking tot hun wetenschap van de inhoud van deze documenten. De rechtbank acht dit niet aannemelijk. De verrekenstaten en/of handgeschreven notities zijn bij de verschillende verdachten thuis en/of op de bij hen in gebruik zijnde computers aangetroffen. Zij vermelden projecten waarbij zij allemaal op de een of andere wijze betrokken zijn geweest en maken voorts melding van bedragen die verdachten niet onbekend kunnen zijn gelet op deze betrokkenheid.

Voor de beantwoording van de vraag of en hoe de geldstromen vanuit de projecten naar [bedrijf 4] liepen overweegt de rechtbank het volgende.

Het indienen van declaraties door [bedrijf 4] aan o.a. [naam]

[bedrijf 4] heeft diverse (hierna afzonderlijk te noemen onder de verschillende ten laste gelegde feiten) facturen verzonden aan onder andere [naam]. Deze facturen gingen vergezeld met een begeleidend schrijven, waarin de reden van de facturatie stond vermeld. In dit begeleidend schrijven werd ofwel verwezen naar de afkoop van een project waarvoor [bedrijf 4] mede risico zou hebben gedragen, ofwel naar werkzaamheden die door [bedrijf 4] in een bepaald project zouden zijn verricht. Het begeleidend schrijven werd ondertekend door [medeverdachte 3], als directeur van de BV.

In de tenlastelegging wordt een aantal facturen genoemd die vals zouden zijn opgemaakt. Bij de afzonderlijk tenlastegelegde facturen zal de rechtbank vaststellen of naar haar oordeel het aannemelijk is dat de omschreven werkzaamheden daadwerkelijk zijn verricht en of het in de factuur beschreven risico daadwerkelijk is gedragen door [bedrijf 4] Voor de leesbaarheid van dit vonnis vermeldt de rechtbank hierop vooruitlopend alvast haar conclusie dat naar haar oordeel dit niet het geval is.

Voor de onderbouwing van deze conclusie verwijst de rechtbank naar de paragrafen 4.3.2.1.3, 4.3.2.2.2 en 4.3.2.3.2 van dit vonnis.

De rechtbank concludeert dat de verkregen opbrengsten uit de projecten via het indienen van facturen bij onder andere [naam] naar het vermogen van [bedrijf 4] zijn gevloeid.

Voor de beantwoording van de vraag hoe de geldstromen vanuit [bedrijf 4] naar de verdachten zijn gegaan, slaat de rechtbank acht op het volgende:

Certificaten

De certificaten van [bedrijf 4] die door [medeverdachte 2] zijn overgedragen aan [A] belichamen de economische rechten. Het meest in het oog springende economische recht is het recht op dividend.

[A] bezat 45/55e deel en [medeverdachte 2] 10/55e deel van de certificaten van [bedrijf 4] Daarmee vallen de opbrengsten van de door het [stichting 2] te beheren aandelen voor respectievelijk 45/55e en 10/55e deel in hun vermogen.

[A] is in gemeenschap van goederen getrouwd met [medeverdachte 1]. Dit impliceert dat de certificaten van [A] in de huwelijksgoederengemeenschap vallen en dat het op de aandelen van [bedrijf 4] uit te keren dividend voor 45/55e deel in het vermogen van [medeverdachte 1] valt. Voorts gaat de rechtbank er vanuit dat -gelet op bovenvermelde verdeling van de certificaten- 10/55e deel van het op de aandelen van [bedrijf 4] uit te keren dividend in het vermogen van [medeverdachte 2] valt.

Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat er daadwerkelijk gelden vanuit [bedrijf 4] naar [medeverdachte 1] en andere verdachten zijn gevloeid.

4.3.1.2.5. Conclusie

Gelet op bovengenoemde feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat [bedrijf 4] –mede- is opgericht om gelden afkomstig uit misdrijf wit te wassen.

4.3.1.3. [C] en [naam]

Op 10 november 1997 is [bedrijf 2] (hierna te noemen: [C]) opgericht. Van deze vennootschap, gevestigd op de [adres] te [woonplaats], heeft de voormalige echtgenote van [verdachte] sinds de oprichting alle aandelen en is ze enig bestuurder. In de loop van 2010 is dat laatste gewijzigd en is [verdachte] enig bestuurder geworden. De voormalige echtgenote van [verdachte] bleef wel enig aandeelhouder.

[C] houdt alle aandelen van [bedrijf 3] (handelend onder de naam [naam]). Van deze vennootschap is [C] sedert 22 maart 2002 directeur en daarnaast is [verdachte] sedert 4 april 2005 algemeen directeur.

Ook is [C] enig aandeelhouder van [bedrijf 8] is opgericht op 14 november 2001 en houdt alle aandelen en is tevens directeur van

[bedrijf 8] [medeverdachte 2] was in dienst bij deze laatste rechtspersoon.

De voormalige echtgenote van [verdachte] heeft over haar rol binnen deze ondernemingen verklaard dat zij weliswaar aandeelhouder en (mede)directeur was maar dat [verdachte] de feitelijke leiding over deze ondernemingen had. De reden dat alles op haar naam is gezet was enkel gelegen in het feit dat de ondernemingen niet op naam van [verdachte] gezet konden worden in verband met zijn eerdere, nog niet afgeronde, faillissement. Zij heeft verklaard geen enkele bemoeienis met de inhoudelijke gang van zaken van deze ondernemingen te hebben gehad en enkel documenten op verzoek van [verdachte] te hebben ondertekend. Wel heeft zij aangegeven de administratie van de ondernemingen te hebben gedaan. Zij boekte in de administratie in, hetgeen [verdachte] haar daartoe gaf.

[verdachte] heeft over zijn rol binnen deze ondernemingen verklaard dat hij de dagelijkse leiding heeft in deze vennootschappen. Hij is degene die alles beslist en regelt en alle verantwoordelijkheden had. Dat is ook altijd zo geweest, verklaart hij verder. Zijn voormalige echtgenote deed enkel wat administratieve handelingen die hij haar opgaf maar had geen inhoudelijke bemoeienis met de inhoudelijke gang van zaken van de ondernemingen.

Uit bovenstaande verklaringen en bevindingen leidt de rechtbank af dat [verdachte] feitelijk opdracht en/of leiding heeft geven aan [bedrijf 3] h.o.d.n. [naam] en [C].

4.3.1.4. De gang van zaken binnen [stichting 1]

[stichting 1], gevestigd te [vestigingsplaats], is een zogenaamde toegelaten instelling: een instelling die werkzaam is in het belang van de volkshuisvesting . [stichting 1] wordt bestuurd door een directeur bestuurder die onder toezicht valt van de Raad van Toezicht. Ten aanzien van de taken van de directie is in de statuten o.a. vastgelegd dat de directie alleen na verkregen toestemming van de Raad van Toezicht bevoegd is te besluiten tot het aangaan van overeenkomsten tot verkrijging, vervreemding of bezwaring van registergoederen, en tot het aangaan van overeenkomsten waarbij de stichting zich als borg of hoofdelijke medeschuldenaar verbindt, zich voor een derde sterk maakt of zich tot zekerheidsstelling voor een schuld van een ander verbindt. De taken van de directie en de relatie tussen Raad van Toezicht en directie is nader uitgewerkt in het Directiereglement / Bestuursstatuut , waarin onder meer is opgenomen dat het aan de directie is om initiatieven te ontwikkelen die in het belang geacht worden van de Stichting en de volkshuisvesting, daarbij ondersteund door het managementteam en de coördinatoren. Daarnaast is opgenomen dat de directie dient zorg te dragen voor de vastlegging van de vergaderingen van het Managementteam. De voorgenomen directiebesluiten, welke conform de statuten de goedkeuring van de Raad van Toezicht behoeven, worden door de directie tijdig aan de Raad van Toezicht voorgelegd, zodat een weloverwogen besluit kan worden genomen. De directie heeft de bevoegdheid tot het doen van alle uitgaven voor zover deze binnen de vastgestelde begroting vallen of waarvoor door de Raad van Toezicht in een vergadering goedkeuring verleend is.

Volgens de (voormalig) voorzitter van de Raad van Toezicht, [D], bestaat tussen de directeur van [stichting 1] en de Raad van Toezicht een sterke vertrouwensrelatie. De aankoop en verkoop van onroerend goed heeft altijd, ongeacht het bedrag, toestemming nodig van de Raad van Toezicht. Als deze eenmaal is verleend mag de directeur zelf het project uitvoeren. Hij mag het budget niet overschrijden zonder toestemming van de Raad van Toezicht. [D] verklaart dat bij de beoordeling van de inhoud van de voorgelegde stukken vertrouwd wordt op de deskundigheid en integriteit van de directie/bestuurders als het gaat om de juistheid en volledigheid van de inhoud. Als een investeringsvoorstel akkoord werd bevonden door de Raad van Toezicht dan moest het project ook zo worden uitgevoerd. Als er belangrijke afwijkingen waren moest er een nader aanvullend voorstel gedaan worden welke dan moest worden goedgekeurd.

De rechtbank merkt op dat zij bij de behandeling van de verschillende projecten de chronologische volgorde aanhoudt en daarmee afwijkt van de volgorde, zoals die in de tenlastelegging wordt gehanteerd.

4.3.2. De projecten

4.3.2.1. Het [project 1]

4.3.2.1.1. Algemeen

Op 3 oktober 2005 wordt door [naam] aan [stichting 1] het perceel [adres] in [adres] geleverd voor een bedrag van € 7.451.270,- .

4.3.2.1.2. Oplichting

De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of sprake is geweest van oplichting van [stichting 1] door [verdachte] en [medeverdachte 1] bij het aanbieden van het [project 1].

Voor het vaststellen van de feiten zal de rechtbank de volgorde van de gedachtestreepjes in de tenlastelegging aanhouden en per onderdeel aangeven wat zij daarvan al dan niet bewezen acht.

Gedachtestreepje 1

De rechtbank acht niet bewezen dat is verheimelijkt, verdoezeld, verzwegen of weggelaten dat de verwerving van [adres]van [stichting 3] noodzakelijk was voor de verwezenlijking van de overeengekomen ontwikkeling van [adres] en [adres] te [adres]. De rechtbank slaat daarbij acht op het volgende:

? de intentieovereenkomst d.d. 8 mei 2005 tussen [naam], [stichting 1], [stichting 3] en [stichting 4] ziet niet alleen op de percelen [adres] en 3a, maar ook op dat van de [adres], dat in handen is van [stichting 3];

? de aanbiedingsbrief d.d. 7 juli 2005 van [verdachte] aan [stichting 1] bevat een (bijlage)verwijzing naar voornoemde intentieovereenkomst. De investeringsaanvraag d.d. 13 september 2005 van de directeur-bestuurder aan de Raad van Toezicht is opgemaakt aan de hand van genoemde aanbiedingsbrief;

? de klokkenluidersbrief bevat de volgende passage betreffende het [project 1]: Een en ander zoals overeengekomen in de mondelinge koopovereenkomst van 23 mei 2005 en vastgelegd in de aanbiedingsbrief van 7 juli 2005.

Gezien de inhoud en samenhang tussen voorgaande documenten acht de rechtbank het niet onaannemelijk dat het managementteam (MT) kennis heeft genomen van de intentieovereenkomst en daaruit heeft kunnen afleiden dat de verwerving van de [adres] van [stichting 3] noodzakelijk was voor de verwezenlijking van de overeengekomen ontwikkeling. De rechtbank kan dan ook niet vaststellen dat sprake is geweest van het opzettelijk achterhouden van informatie en spreekt verdachte van dit onderdeel vrij.

Gedachtestreepje 2

De rechtbank spreekt verdachte eveneens vrij van het opzettelijk achterhouden van informatie met betrekking tot de aanspraken die [stichting 3] heeft in het te realiseren project. In voornoemde intentieovereenkomst staat dat [stichting 3] middels [adres] aan [stichting 1] zal leveren in ruil voor een dagbestedingcentrum en de aanspraak op zes nog te realiseren woningen (met groepsruimte en steunpunt). Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat het MT door middel van de verwijzing in de aanbiedingsbrief naar de intentieovereenkomst hiervan kennis heeft kunnen nemen.

Gedachtestreepje 3

De rechtbank acht bewezen dat verdachte en zijn medeverdachte in de door hen ten behoeve van de beoordeling van het project te verschaffen informatie hebben weggelaten dat [naam] het perceel grond [adres] op 10 mei 2005 had gekocht (en geleverd zou krijgen op 3 oktober 2005) voor een bedrag van 2 miljoen euro, terwijl [stichting 1] hetzelfde perceel zou gaan kopen (en geleverd zou krijgen op 3 oktober 2005) voor een bedrag van € 7.451.270,-.

De rechtbank slaat daarbij acht op het volgende:

? de koopovereenkomst d.d. 10 mei 2005, waarin het perceel [adres] door [bedrijf 10] aan [naam] wordt verkocht voor een koopprijs van 2 miljoen euro ;

? de akte tot levering d.d. 3 oktober 2005, waarin het perceel [adres] te [adres] door [bedrijf 10] voor een bedrag van 2 miljoen euro wordt geleverd aan [naam]

? de akte tot levering d.d. 3 oktober 2005, waarin het perceel [adres] te [adres] door [naam] geleverd wordt aan [stichting 1] voor een koopprijs van € 7.451.270,-

? de aanbiedingsbrief van [verdachte] namens [naam] d.d. 7 juli 2005 , de investeringsaanvraag d.d. 13 september 2005 en het uittreksel van de notulen van de vergadering met de Raad van Toezicht d.d. 21 september 2005 die allen geen melding maken van de oorspronkelijke koopsom van 2 miljoen euro.

De rechtbank overweegt dat noch uit deze stukken, noch uit het verhandelde ter terechtzitting aannemelijk is geworden dat de oorspronkelijke koopsom van 2 miljoen euro door verdachte en/ of zijn medeverdachte bekend is gemaakt in genoemde investeringsaanvraag, genoemde vergadering van de Raad van Toezicht of in genoemde aanbiedingsbrief.

Gedachtestreepje 4

De rechtbank acht bewezen dat [medeverdachte 1] en/of [verdachte] hebben verdoezeld dat [stichting 1] het risico voor het [project 1]alleen zou dragen, door in het investeringsvoorstel te vermelden dat het risico slechts voor 2/3e deel voor haar rekening kwam en voor 1/3e werd gedragen door [stichting 4], terwijl in werkelijkheid [stichting 4] alleen appartementen zou afnemen.

De rechtbank slaat daarbij acht op het volgende:

? het uittreksel uit de notulen van de vergadering van de Raad van Toezicht d.d. 21 september 2005 vermeldt dat de totale stichtingskosten voor de aankoop van het [project 1] voor [stichting 1] € 17.963.920,- bedragen ;

? de passage in de investeringsaanvraag, inhoudende de investeringskosten en bijkomende kosten, die wat hoogte betreft overeenkomen met de stichtingskosten genoemd in het voornoemde uittreksel uit de notulen, te weten tezamen een bedrag van € 17.963.920,- ;

? de passage in de aanbiedingsbrief van [verdachte] aan [stichting 1] d.d. 7 juli 2005, inhoudende: [naam] wonen is bereid om onder deze uitgangspunten de verdere ontwikkeling te doen in een nader te bepalen bouwteam, maar dit is geen voorwaarde om het plan te realiseren

? de verklaring van de heer [G] van [stichting 4] dat [stichting 4] geen risico meer droeg bij de ontwikkeling van het [project 1] .

Voor de beantwoording van de vraag bij wie het risico voor het [project 1] feitelijk lag, overweegt de rechtbank het volgende.

In de intentieovereenkomst d.d. 23 mei 2005 is niets opgenomen over de verdeling van het risico en derhalve ook niet over een gedeeld risico met [stichting 4].

De heer [G] van [stichting 4] verklaart dat de Stichting geen enkel risico draagt en dat de zinsnede over het “gezamenlijk risico” zoals vermeld in het investeringsvoorstel derhalve niet klopt . Op grond hiervan stelt de rechtbank vast dat [stichting 4] niet (deels) het risico droeg voor het [project 1].

Door het Openbaar Ministerie is betoogd dat in het investeringsvoorstel staat vermeld dat [stichting 1] wonen slechts 2/3 van het risico zou dragen en [stichting 4] 1/3 van het risico. De rechtbank stelt daaromtrent vast dat in bedoelde investeringsaanvraag van 13 september 2005 van de directeur-bestuurder aan de Raad van Toezicht de volgende passage is opgenomen:

“We doen het project samen met onze samenwerkingspartner in de regio [stichting 5]. De verhouding is 2/3 [stichting 1] (104 huurwoningen) en 1/3 [stichting 4] (52 huurwoningen). De koopwoningen ontwikkelen we samen voor gezamenlijk risico in dezelfde verhouding.”

Uit bovengenoemde bewoordingen valt volgens de rechtbank niet zonder meer ondubbelzinnig af te leiden dat het investeringsvoorstel beoogt aan te geven dat het risico voor het gehele project (huurwoningen en koopwoningen) wordt gedragen in de verhouding 2/3 [stichting 1] en 1/3 [stichting 4].

Wel valt uit de verklaringen van leden van de Raad van Toezicht af te leiden hoe deze tekst door de Raad van Toezicht is geïnterpreteerd. Zo verklaart de heer [F] dat hij het zo heeft begrepen ‘dat het risico ook verdeeld werd in de verhouding 2/3 tegen 1/3.’ De voorzitter van de Raad van Toezicht, [D], verklaart dat hij nog weet dat bij de besluitvorming doorslaggevend is geweest dat een andere corporatie, te weten de [stichting 4], in Koedijk meedeed voor 1/3e van het risico .

Dat de leden van de Raad van Toezicht met betrekking tot het [project 1][adres] uitgingen van een risicoverdeling in de verhouding 2/3 [stichting 1] en 1/3 [stichting 4] valt ook af te leiden uit voornoemd uittreksel uit de notulen van de vergadering van de Raad van Toezicht d.d. 21 september 2005 inhoudend dat met de totale stichtingskosten voor de aankoop van het [project 1] voor [stichting 1] een bedrag van € 17.963.920,- was gemoeid.

Uit (voornoem)de stukken dan wel het verhandelde ter terechtzitting blijkt evenmin dat [naam] het risico droeg voor het [project 1], zoals door de verdediging is gesteld.

Op basis van deze verklaringen en op basis van de inhoud van voornoemde stukken concludeert de rechtbank dat aan de Raad van Toezicht kennelijk informatie is verstrekt dat het risico voor het gehele project voor 2/3e bij [stichting 1] lag en voor 1/3e bij [stichting 4].

De rechtbank overweegt voorts dat uit de stukken volgt dat [medeverdachte 1] bij de vergadering d.d. 21 september 2005 een toelichting heeft gegeven op het investeringsvoorstel en deze opvatting niet heeft gecorrigeerd. De rechtbank is van oordeel dat [medeverdachte 1] daarmee verantwoordelijk is voor de onjuiste informatieverstrekking aan de Raad van Toezicht. De rechtbank kan echter niet vaststellen dat de bedragen genoemd in de tenlastelegging een (direct) gevolg daarvan zijn en zal verdachte daarom van dat onderdeel van dit gedachtestreepje vrijspreken.

Gedachtestreepjes 5 en 6

De rechtbank acht bewezen dat verdachte samen met zijn medeverdachte heeft verheimelijkt dat de in het [project 1] te behalen winst of opbrengsten van [naam] uit de aan- en verkoop van [adres] door verdachte en zijn medeverdachte onderling zou worden verdeeld en dat [medeverdachte 1] via [bedrijf 4] een geldbedrag heeft ontvangen van [naam].

De rechtbank overweegt daarover het volgende:

De prijs waarvoor [stichting 1] het vastgoed betreffende het [project 1] heeft aangekocht van [naam] was € 7.451.270,--. Daarvan heeft [stichting 1] € 5.041.939,08 bij de levering overgemaakt aan de notaris . Het notariskantoor heeft van dit bedrag betaald het aankoopbedrag voor de [adres] en 3A (€ 2.000.000,-), de door [naam] te betalen notariskosten en de gemeentelijke belastingen en het restant ter grootte van € 3 034 025,43 aan [naam] overgemaakt. Na ontvangst van voornoemd bedrag heeft [naam] op 10 oktober 2005 een bedrag ter grootte van € 1.061.274,58 overgemaakt aan [bedrijf 4]

[bedrijf 4] zijn 4 facturen van ieder € 265.000,- gestuurd aan [naam], in het totaal voor een bedrag van € 1.060.000,- ex BTW. Deze facturen zijn verwerkt in de administratie van [naam].

De facturen zijn vergezeld van een brief waarin o.a. staat: “Verder factureer ik je hierbij de 1 termijn afkoop project [project 10] [project 1][adres]conform onze afspraak 30 september 2005”. Door [medeverdachte 2] en [verdachte] wordt verklaard dat deze bedragen te maken hadden met het afkopen van de koop- en ontwikkelovereenkomst die zij hadden gesloten met betrekking tot het [project 1]. Deze overeenkomst was onder meer gesloten omdat [verdachte] het risico voor dit project niet alleen wilde dragen als hij het niet verkocht zou krijgen .

De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of [bedrijf 4] daadwerkelijk risico heeft gedragen voor het [project 1], dan wel of dit bedrag de winst of opbrengst van [naam] betreft die via valse facturen is doorgesluisd naar [bedrijf 4]

De rechtbank slaat daarbij acht op het volgende:

- op 10 mei 2005 wordt de koopovereenkomst tussen [bedrijf 10] en [naam] gesloten. Deze koopovereenkomst vermeldt de mogelijkheid van een concerngarantie, af te geven door [stichting 1], vertegenwoordigd door [medeverdachte 1].

- in de intentieovereenkomst d.d. 23 mei 2005 tussen [stichting 5], [naam], [stichting 3] en [stichting 1] betreffende de [adres] staat vermeld dat [stichting 1] de ontwikkeling van het terrein [adres] zal overnemen en realiseren ;

- op 15 september 2005 wordt er tussen [bedrijf 4], vertegenwoordigd door [medeverdachte 3], die ook als privépersoon voor nakoming garant staat, en [naam] een koop- en ontwikkelovereenkomst gesloten met betrekking tot de [adres], waarin wordt afgesproken dat partijen zullen samenwerken aan de risicodragende ontwikkeling van het project en het risico, de kosten en opbrengsten van het project gelijkelijk zullen dragen .

De rechtbank overweegt dat uit de hierboven genoemde koopovereenkomst en intentieovereenkomst volgt dat het risico voor [naam] minimaal was. Immers, uit de koopovereenkomst blijkt dat [stichting 1] kennelijk al voor 10 mei 2005 als mogelijke koper in beeld was bij [naam]. Dit wordt bevestigd in genoemde intentieovereenkomst waaruit blijkt dat [stichting 1] op 23 mei 2005 de intentie had uitgesproken om tot koop en ontwikkeling van het project over te gaan. Daar komt nog bij dat [bedrijf 4] in werkelijkheid financieel niet in staat was om dit risico te dragen. [verdachte] heeft namelijk via zijn bedrijf [bedrijf 5] een lening moeten verstrekken van € 19.000,- om de oprichting van [bedrijf 4] mogelijk te maken. [bedrijf 4] was voor, noch na de oprichting financieel in staat om risico’s op te vangen.

Ook [medeverdachte 3] was niet vermogend en kon in die zin noch voor zichzelf als privépersoon noch voor [bedrijf 4] financiële risico’s dekken. De lening ten behoeve van de oprichting van [bedrijf 4] kon dan ook kennelijk pas worden terugbetaald nadat [naam] voornoemd bedrag ad € 1.061.274,58 aan [bedrijf 4] had overgemaakt .

Daarnaast is uit de stukken niet gebleken, noch is uit het verhandelde ter terechtzitting aannemelijk geworden dat er werkzaamheden zijn verricht door [bedrijf 4]

[H], die namens [bedrijf 10] optrad verklaart dat hij [medeverdachte 2] nooit als zakenpartner heeft beschouwd, maar als een assistent van [verdachte] . Dit beeld past bij de functie die [medeverdachte 2] had bij [bedrijf 17]. De rechtbank overweegt dat niet gebleken is van enige betrokkenheid van [medeverdachte 2] bij het project. Zo er al werkzaamheden zouden zijn verricht door [medeverdachte 2], dan zijn deze verricht uit hoofde van haar functie bij [bedrijf 17] en niet vanuit [bedrijf 4]

De rechtbank gaat er dan ook op grond van het bovenstaande vanuit dat de door [naam] aan [bedrijf 4] gedane betaling van € 1.061.274,58 niet ziet op door [bedrijf 4] ten behoeve van het [project 1] verrichte werkzaamheden, doch is bedoeld voor [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2].

Met betrekking tot de oplichting concludeert de rechtbank als volgt.

Op 21 september 2005 is de Raad van Toezicht akkoord gegaan met het investeringsvoorstel van 13 september 2005 voor de [adres] te [adres]. Daarmee is toestemming gegeven om voor [stichting 1] het pand aan de [adres] aan te kopen van [naam]. Op dat moment was de Raad van Toezicht niet, niet volledig c.q. onjuist geïnformeerd, zoals hiervoor onder de verschillende “gedachtestreepjes” omschreven.

De leden van de Raad van Toezicht [D] , [E] en [F] hebben allen verklaard dat zij verkeerd voorgelicht zijn met betrekking tot het [project 1] en dat zij geen toestemming voor de aankoop van het project zouden hebben gegeven als zij wel volledig geïnformeerd waren geweest over bovenstaande punten. Gelet op de hiervoor geschetste feiten en omstandigheden acht de rechtbank bewezen dat verdachte en zijn medeverdachte met het oogmerk zich wederrechtelijk te bevoordelen [stichting 1] hebben bewogen tot afgifte van enig geldbedrag.

4.3.2.1.3. Valsheid in geschrift en witwassen

De rechtbank heeft hiervoor onder gedachtestreepjes 5 en 6 van paragraaf 4.3.2.1.2 vastgesteld dat de werkzaamheden waarop de facturen betrekking hebben niet zijn verricht door [bedrijf 4] en dat de afkoopsom vanwege onder meer het dragen van risico niet verschuldigd was omdat er geen risico is gedragen door [naam] en dat er ook geen werkzaamheden door [bedrijf 4] zijn verricht ten behoeve van het [project 1].

Dit maakt de facturen tot valse facturen.

De prijs waarvoor [stichting 1] het vastgoed betreffende het [project 1] heeft aangekocht van [naam] was € 7 451 270,-. Een gedeelte ter grootte van € 5.443.356,35 is door [stichting 1] aan de notaris overgemaakt . Het notariskantoor heeft van dit bedrag betaald aan [bedrijf 10] het aankoopbedrag voor de [adres] en 3A (€ 2.000.000,-) , de door [naam] te betalen notariskosten en de gemeentelijke belastingen en derhalve

€ 3 034 025,43 aan [naam] overgemaakt. Na ontvangst van voornoemd bedrag heeft [naam] op 10 oktober 2005 een bedrag ter grootte van € 1.061.274,58 overgemaakt aan [bedrijf 4] .

Door verdachte en zijn medeverdachten is voor de ontvangst van € 1.061.274,58 door [bedrijf 4] geen aannemelijke verklaring gegeven. Van een mogelijk legale herkomst van het geld is ook overigens niet gebleken. De rechtbank leidt uit de omstandigheden waaronder het geld is overgemaakt en de overige feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, af dat het niet anders kan zijn dan dat het aangetroffen geld van enig misdrijf afkomstig is en dat verdachte hiervan wetenschap heeft gehad.

Hiermee acht de rechtbank ook het witwassen van het totaalbedrag van de facturen € 1.061.274,58 bewezen.

De rechtbank heeft hiervoor onder paragraaf 4.3.1.3 reeds bepaald dat [verdachte] feitelijk opdracht en/of leiding heeft gegeven aan [naam].

De rechtbank acht derhalve bewezen dat verdachte ook aan deze concrete verboden gedragingen (valsheid in geschrift en witwassen) leiding heeft gegeven.

4.3.2.2. Het [project 2]

4.3.2.2.1. Oplichting

Vervolgens dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of sprake is geweest van oplichting van SGGB door [verdachte] en [medeverdachte 1] bij het aanbieden van het [project 2].

Voor het vaststellen van de feiten zal de rechtbank de volgorde van de gedachtestreepjes in de tenlastelegging aanhouden en per onderdeel aangeven wat zij daarvan al dan niet bewezen acht.

De rechtbank slaat daarbij acht op het volgende:

? de aanbiedingsbrief d.d. 12 januari 2007 van [naam] aan [stichting 1], [medeverdachte 1] en [I] waarin [naam] [stichting 1] aanbiedt in het kader van de ontwikkeling op het perceel [adres] en naastgelegen strook grond te Amsterdam, kadastraal bekend sectie [nummer] een 74 tal appartementsrechten en het bijbehorende aantal parkeerplaatsen en eventueel een ontmoetingsruimte. De aanbiedingsbrief maakt melding van 2 bijlagen, te weten Projecttekeningen en Brief gemeente, waarmee vermoedelijk wordt bedoeld de op 20 december 2005 opgestelde brief van de gemeente (voor de leesbaarheid hierna te noemen: de brief van 20 december 2005) . In de kop van deze aanbiedingsbrief van [naam] wordt bij [naam]genoemd “74 woningen & [naam] te [woonplaats]”;

? om het project te realiseren had [stichting 1] de naastgelegen strook grond nodig. Voor het bepalen van de grondprijs van de -in erfpacht- van de gemeente te verkrijgen grond geeft de gemeente in de brief van 20 december 2005 twee varianten die worden uitgewerkt op pagina 2 van deze brief. Een van de varianten betreft een programma van 19 sociale huurwoningen en 45 marktwoningen en de andere variant betreft een programma van uitsluitend marktwoningen met een maximum van 74

? in de brief van 20 december 2005 vermeldt de gemeente Amsterdam aan welke 3 eisen de zelfrealisering door de Stichting uiterlijk per 31 maart 2006 moet voldoen om aan onteigening te ontkomen. Deze brief bestaat uit 3 pagina’s en 2 bijlagen. De conclusie dat de gemeente zich het recht voorbehoudt de onteigeningsprocedure te starten wanneer zij constateert dat op 31 maart 2006 niet aan de 3 geformuleerde eisen is voldaan staat op pagina 3 van de brief . Op deze pagina (pagina 3) vermeldt de gemeente ook dat één van de drie eisen voor zelfrealisering is dat het indienen van het bouwplan moet passen binnen de bandbreedte van het uitwerkingsplan [plan] (19 sociale huur en 45 marktwoningen) en het maximaal door de Raad geaccordeerde programma van 74 marktwoningen;

? [verdachte] verklaart dat [medeverdachte 1] op de hoogte was van de mogelijkheid tot onteigening, omdat hij hem de gehele brief van de gemeente d.d. 20 december 2005 had gegeven ;

? [J] , lid van het MT van [stichting 1], en [K] , projectleider bij [stichting 1], verklaren beide dat achter de aanbiedingsbrief d.d. 12 januari 2007 zich slechts 1 pagina bevond als bijlage , te weten één A4 met paginanummer 2 waarin onder meer de grondprijzen vermeld staan van het project, maar niets over een eventuele onteigening. [K] verklaart bovendien dat hij (later) bij navraag bij [verdachte] naar de gehele brief te horen kreeg dat [verdachte] niet meer pagina’s had ;

? in de bedrijfsadministratie van [stichting 1] is slechts 1 pagina (pagina 2) aangetroffen van de brief van 20 december 2005 ;

? in de brief van de gemeente d.d. 13 april 2006 aan [L] wijst de gemeente [L] erop dat de gestelde termijn van 31 maart 2006 is verstreken zonder dat [L] aan de voorwaarden van de gemeente heeft voldaan, hetgeen betekent dat de gemeente de onteigeningsprocedure nu daadwerkelijk zal gaan opstarten.

? [L] verklaart over de ontwikkeling van het perceel [adres] als volgt: “Ikzelf heb [verdachte] in ieder geval op alle mogelijke slangenkuilen gewezen, zoals de dreigende onteigening, moeizame onderhandelingen met ambtenaren, het wijzigen van de woningen van marktconforme - naar seniorenwoningen, kortom alle punten die wij hiervoor hebben besproken. Door al deze veranderingen plus de dreiging van een mogelijke onteigening, dat ik als een soort zwaard van Damocles continue boven mij heb voelen hangen, heb ik er expliciet op toegezien dat de informatie over de dreigende onteigening onderdeel uitmaakt van de koopovereenkomst tussen mij en [verdachte]. Omdat ik de koopovereenkomst tussen [bedrijf 3] en [stichting 1] niet heb gezien, weet ik niet of deze bepaling integraal is overgenomen in de overeenkomst tussen hen ;

? het investeringsvoorstel d.d. 9 maart 2007 betreffende het [project 2] wordt op 9 maart 2007 door [medeverdachte 1] voorgelegd aan de Raad van Toezicht ;

? [D] van de Raad van Toezicht van [stichting 1] verklaart dat [medeverdachte 1] een toelichting heeft gegeven op het investeringsvoorstel betreffende het perceel [adres] en de naastgelegen strook en dat daarbij niet is besproken hoe [stichting 1] de beschikking zou krijgen over die naastgelegen strook grond. Ook is niet besproken of huursubsidiabele seniorenwoningen pasten binnen het bestemmingsplan van de gemeente. [E] van de Raad van Toezicht verklaart dat hij negatief geadviseerd zou hebben ten aanzien van het investeringsvoorstel [adres] indien hij had geweten dat er een onteigeningsprocedure was gestart voor het nog benodigde stuk grond. [M] van de Raad van Toezicht verklaart dat hij niets wist van de onteigeningsprocedure terwijl het essentiële informatie betrof voor de Raad van Toezicht die ook indien pas later vernomen, alsnog aan de Raad van Toezicht gemeld had moeten worden door de directeur.

? de Raad van Toezicht heeft in de vergadering d.d. 28 maart 2007 ingestemd met het investeringsvoorstel betreffende de [adres] ;

Gedachtestreepjes 1 en 2:

De rechtbank constateert dat weliswaar in de aanbiedingsbrief d.d. 12 januari 2007 melding wordt gemaakt van het feit dat een naastgelegen strook grond nodig was voor het realiseren van het [project 2], maar dat uit pagina 2 van de brief van de gemeente van 20 december 2005 niet ondubbelzinnig blijkt dat de erfpachtaanbieding voor dit stuk grond door de gemeente Amsterdam in beginsel slechts tot 31 maart 2006 geldig was. Dit blijkt wel uit pagina 3 van deze brief van de gemeente, maar daarvan wordt door [J] en door [K] gezegd dat deze pagina niet bij de aanbiedingsbrief was gevoegd. [K] verklaart zelfs dat [verdachte] hem heeft gezegd dat hij zelf niet meer dan pagina 2 van de brief in zijn bezit had. De rechtbank acht dan ook bewezen dat [verdachte] opzettelijk alleen pagina 2 van de brief van de gemeente van 20 december 2005 bij de aanbiedingsbrief heeft gevoegd. De rechtbank is van oordeel dat [verdachte] de informatie over het voornemen van de gemeente om te onteigenen indien niet voor 31 maart 2006 was voldaan aan de gestelde voorwaarden voor de zelfrealisatie had moeten melden. Deze informatie was namelijk een zeer relevant gegeven bij de vraag of in dit project geïnvesteerd moest worden. Dat het voornemen van de gemeente niet slechts een ‘papieren tijger’ was, maar daadwerkelijk geëffectueerd zou kunnen worden blijkt wel uit het feit dat [L] uitdrukkelijk heeft verklaard de dreigende onteigening in de bepalingen van zijn koopovereenkomst met [naam] te hebben opgenomen.

Uit de verklaring van [verdachte] blijkt dat ook [medeverdachte 1] op de hoogte was van het voornemen van de onteigening . De ontkenning door [medeverdachte 1] komt de rechtbank ongeloofwaardig voor omdat hij van begin af aan betrokken is geweest bij dit project en hierover overleg heeft gevoerd met [verdachte]. Dit blijkt onder meer uit de mede door [medeverdachte 1] ondertekende brief van [naam] aan [L][bedrijf 11] gedateerd 11 december 2006 waarin [naam] onder andere vraagt om de erfpachtaanbieding voor de appartementen . Ook heeft [medeverdachte 1] de aanbiedingsbrief van [naam] van 12 januari 2007 voor akkoord getekend. Daar komt bij dat hij als directeur van [stichting 1] verantwoordelijk was voor de inhoud van het investeringsvoorstel aan de Raad van Toezicht en de verdediging daarvan in de vergadering van de Raad van Toezicht. Desondanks heeft [medeverdachte 1] geen melding gemaakt van een dreigende onteigening in de vergadering van de Raad van Toezicht of nadien, na ontvangst van de brief van 13 april 2006, van het daadwerkelijke besluit van de gemeente om tot onteigening over te gaan.

De rechtbank acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat [medeverdachte 1] en [verdachte] hebben verzwegen dat de gemeente Amsterdam ten aanzien van het perceel [adres] een voornemen tot onteigening had.

De vraag of de Raad van Toezicht uit de aanbiedingsbrief van [naam] van 12 januari 2007 en het investeringsvoorstel van 9 maart 2007 had kunnen opmaken dat de naastgelegen strook grond noodzakelijk was voor de realisering van het project beantwoordt de rechtbank als volgt. In deze stukken wordt weliswaar vermeld dat het de ontwikkeling betreft op het perceel [adres] en naast gelegen strook grond maar op grond van deze stukken, ook na kennisneming van de als bijlage meegestuurde pagina 2 van de brief van de gemeente van 20 december 2005, is niet duidelijk dat de gemeente voorwaarden had gesteld, aan welke voorwaarden in beginsel op uiterlijk 31 maart 2006 zou moeten zijn voldaan. Ook was niet duidelijk dat de gemeente bij niet voldoen aan de voorwaarden niet de strook grond in erfpacht zou leveren en de [adres] onteigend zou worden.

De rechtbank acht daarom bewezen dat [medeverdachte 1] en [verdachte] hebben verdoezeld dat de realisatie van de geplande 74 appartementen, een ontmoetingsruimte en parkeerplaatsen op het perceel [adres] niet mogelijk was, aangezien voor het realiseren daarvan een naastgelegen stuk grond nodig was dat niet meer verworven kon worden, omdat de erfpachtaanbieding van de gemeente Amsterdam verstreken was en/of het project niet voldeed aan de voorwaarden die de gemeente stelde voor de erfpachtaanbieding.

Gedachtestreepje 3:

De rechtbank overweegt dat uit de beschreven varianten van programma’s op pagina 2 van de brief van 20 december 2005 kan worden afgeleid dat de gemeente Amsterdam overwegend vrije sector huur of koopwoningen wilde in de [plan] waarin de [adres] gelegen is. Pas uit het gestelde op pagina 3 van deze brief blijkt dat de gemeente Amsterdam dit als een van de drie voorwaarden stelt voor zelfrealisatie waaraan vóór 31 maart 2006 moest worden voldaan. De rechtbank acht dan ook bewezen dat [verdachte] dit gegeven heeft verdoezeld, door pagina 3 van de brief niet te verstrekken bij de aanbiedingsbrief van [naam] en dat [medeverdachte 1] dit gegeven ook heeft verdoezeld door daarover niets te vermelden in het investeringsvoorstel en de vergadering van de Raad van Toezicht.

Gedachtestreepje 4:

De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte en/of zijn medeverdachte hebben verheimelijkt, verdoezeld, verzwegen of weggelaten dat [stichting 1] niet het onverdeelde eigendom zou krijgen van het recht op erfpacht op het perceel [adres] maar dat een deel in eigendom zou blijven van de [stichting 6] ten behoeve van het realiseren van een [naam]. De rechtbank overweegt dat dit gegeven weliswaar niet in het investeringsvoorstel d.d. 9 maart 2007 staat vermeld, maar dat de aanbiedingsbrief d.d. 12 januari 2007 op twee plaatsen melding maakt van de aanwezigheid en eigendom van de [naam].

De rechtbank zal verdachte daarom van dit onderdeel vrijspreken.

Gedachtestreepje 5:

De rechtbank acht voorts bewezen dat is voorgewend dat de wijkwethouder zich positief had uitgelaten over het project.

De rechtbank slaat daarbij acht op het volgende:

? in het investeringsvoorstel d.d. 9 maart 2007 van [medeverdachte 1] aan de Raad van Toezicht van [stichting 1] komt de zin voor: de wijkwethouder staat positief tegenover het plan en tegenover [stichting 1] ;

? [J] verklaart over deze zinsnede dat [medeverdachte 1] bij het gereedmaken van de stukken voor de vergadering had gezegd dat de wijkwethouder positief stond tegenover het plan en dat op diens instigatie deze zinsnede werd opgenomen in het investeringsvoorstel ;

? [R] verklaart ook dat deze zinssnede is toegevoegd aan het oordeel van het managementteam door [medeverdachte 1] die deze mededeling deed ;

? [medeverdachte 1] verklaart dat deze informatie gebaseerd was op een gesprek met een wijkwethouder . Hij kan zich de naam van die wijkwethouder niet meer herinneren;

? Toenmalige wijkwethouders [S] en [T] verklaren van niets te weten.

Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat [medeverdachte 1] heeft voorgewend dat de wijkwethouder zich positief had uitgelaten over het project. Hij heeft weliswaar gesteld dat er nog andere wijkwethouders waren met wie hij gesproken zou kunnen hebben, maar deze stelling niet onderbouwd. Bovendien blijkt uit de brieven van de gemeente niets van positieve uitlatingen ten aanzien van het project, maar veeleer van een waarschuwende houding richting [L] om rekening te houden met de aan het realiseren van het project verbonden voorwaarden.

Dit verweer van [medeverdachte 1] wordt dan ook door de rechtbank verworpen.

Gedachtestreepjes 6 en 7:

De rechtbank acht bewezen dat [medeverdachte 1] en [verdachte] hebben verheimelijkt dat de in het project te behalen winst en/of opbrengst van [naam] uit de aan- en verkoop van de [adres] tussen hen onderling zou worden verdeeld en dat zij hebben verzwegen dat [medeverdachte 1] (via [naam]) enig geldbedrag zou ontvangen van [naam].

De rechtbank slaat daarbij acht op:

? de akte van levering d.d. 1 juni 2007 tussen [bedrijf 11] en [naam] wonen betreffende het perceel grond sectie [nummer] bekend [adres], voor een bedrag van € 1.500.000 ;

? de akte van levering d.d. 11 juni 2007 tussen [naam] wonen en [stichting 1] betreffende het perceel grond sectie [nummer] bekend [adres], voor een bedrag van € 2.450.000.

? het verschil tussen de koopprijs voor het perceel [adres] betaald door [naam] op 1 juni 2007 en de koopprijs betaald door [stichting 1] op 11 juni 2007 betreft een bedrag van € 950.000,-

? een handgeschreven notitie die is gevonden in de woning van [medeverdachte 1] waarop staat geschreven: [adres] € 950.000,- . Achter dit bedrag staat vermeld: x 55/100. Dit document is van de hand van [medeverdachte 2] ;

? een Exceloverzicht dat is aangetroffen op de computers in de woningen van respectievelijk [verdachte], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] en in het bedrijfspand aan de [adres] waarop een verrekenstaat is aangetroffen waarin onder meer een kolom is opgenomen met de titel te ontvangen Totaal ex Btw en een kolom met de titel [naam]. In de woning van [medeverdachte 1] is een uitdraai van deze verrekenstaat gevonden. Onder de projectnaam [adres] is in de kolom met de titel te ontvangen Totaal ex Btw een bedrag opgenomen van € 950.000,- en in de kolom met de titel [naam] is een bedrag van € 522.500,- opgenomen.

Op grond hiervan concludeert de rechtbank het volgende. Uit bovengenoemde handgeschreven notitie en het Exceloverzicht blijkt dat verdachten vooraf afspraken hebben gemaakt over de verdeling van de winst en/of opbrengst die zou voortvloeien uit de koop en verkoop van de [adres]. Het bedrag van € 522.500,- dat in het Excelbestand wordt toebedeeld aan [naam] zou via de hierboven onder paragraaf 4.3.1.2.4 beschreven constructie worden ontvangen door [medeverdachte 1]. Volgens de hierboven onder paragraaf 4.3.1.2.4 beschreven wijze zou, naar het oordeel van de rechtbank, een onderlinge verdeling plaatsvinden van dit bedrag tussen [medeverdachte 1] en zijn medeverdachten.

Met betrekking tot de oplichting concludeert de rechtbank als volgt.

[D], destijds voorzitter van de Raad van Toezicht, heeft verklaard dat hij nooit toestemming voor de aankoop van het project zou hebben gegeven als hij had geweten dat [medeverdachte 1] persoonlijk financieel gewin zou hebben van de aankoop van het project. Dit is namelijk niet toegestaan. [E] en [M], leden van de Raad van Toezicht, hebben verklaard dat de informatie met betrekking tot de onteigeningsprocedure essentieel was met betrekking tot het besluitvormingsproces rond de koop van de [adres]. [M] verklaart dat de Raad van Toezicht onvolledig geïnformeerd is en dat hij zich misleid voelt. [E] verklaart dat de Raad van Toezicht door [medeverdachte 1] omtrent het [project 2] te Amsterdam onjuist en/of onvolledig is geïnformeerd. Wanneer [medeverdachte 1] op de juiste wijze de juiste informatie had verstrekt, zou hij, dan wel de Raad van Toezicht, niet hebben ingestemd met het voorstel zoals gerelateerd in het investeringsvoorstel d.d. 9 maart 2007. De rechtbank concludeert hieruit dat de Raad van Toezicht op 28 maart 2007 heeft ingestemd met aankoop van [adres][naam] door [stichting 1], omdat zij niets wist van bovenstaande punten. Gelet op de hiervoor geschetste feiten en omstandigheden acht de rechtbank bewezen dat verdachte en zijn medeverdachte -in nauwe en bewuste samenwerking- met het oogmerk zich wederrechtelijk te bevoordelen de Raad van Toezicht hebben bewogen tot afgifte van enig geldbedrag.

4.3.2.2.2. Valsheid in geschrift en witwassen

Door het Openbaar Ministerie is gesteld dat de facturen genoemd in de tenlastelegging betrekking hebben op het [project 2]. De koppeling tussen deze facturen en het [project 2] zou moeten blijken uit de inhoud van de handgeschreven notities die bij [medeverdachte 1] zijn gevonden.

De rechtbank acht deze koppeling tussen het [project 2] en de in feit 2 genoemde facturen niet aanwezig. Weliswaar ziet zij daarvoor wel een aanwijzing in de inhoud van boven genoemde notities, maar dit is onvoldoende om tot een bewezenverklaring van dit verband te komen.

De rechtbank dient vervolgens de vraag te beantwoorden of de facturen die in de tenlastelegging zijn opgenomen al dan niet vals zijn.

[bedrijf 4] zijn diverse facturen, elk ten bedrage van € 35.700,-, verzonden aan [naam], namelijk:

? op 27-02-2007 de factuur 07/001 met de omschrijving Adviezen en projectmanagement februari en voorzien van een begeleidend schrijven waarin wordt verwezen naar projectmanagement en adviezen betreffende de projecten [project 5][woonplaats] ter grootte van een bedrag van € 5.000,- en [project 6]/[woonplaats] ter grootte van een bedrag van

€ 25.000,-;

? op 09-03-2007 de factuur 07/004 met de omschrijving Adviezen en projectmanagement maart en voorzien van een begeleidend schrijven waarin wordt verwezen naar projectmanagement en adviezen betreffende de projecten [project 5][woonplaats] ter grootte van een bedrag van € 5.000,- en de 1e termijn voorschot op risico/winst van het project [project 8] ter grootte van een bedrag van € 25.000,-;

? op 05-07-2007 de facturen 07/006, 07/007en 07/008 met de omschrijving Adviezen en projectmanagement april, Adviezen en projectmanagement mei , respectievelijk Adviezen en projectmanagement juni en voorzien van een begeleidend schrijven , , waarin wordt verwezen naar projectmanagement en adviezen betreffende de projecten [project 5][woonplaats] ter grootte van een bedrag van € 5.000,- en de 2e termijn voorschot op risico/winst van het project [project 8] ter grootte van een bedrag van € 25.000,-, naar projectmanagement en adviezen betreffende de projecten [project 5][woonplaats] ter grootte van een bedrag van € 5.000,- , werkzaamheden [naam] [woonplaats] ter grootte van een bedrag van € 2.500,- en projectmanagement en adviezen voor de [adres] [woonplaats] ter grootte van een bedrag van € 22.500, respectievelijk naar projectmanagement en adviezen betreffende de projecten [project 5][woonplaats] ter grootte van een bedrag van € 5.000,-, werkzaamheden [naam] [woonplaats] ter grootte van een bedrag van € 2.500,- en projectmanagement en adviezen voor de [adres] [woonplaats] ter grootte van een bedrag van € 22.500,-;

? op 03-09-2007 de factuur 07/010 met de omschrijving Adviezen en projectmanagement juli en voorzien van een begeleidend schrijven waarin wordt verwezen naar projectmanagement en adviezen betreffende de projecten [project 5][woonplaats] ter grootte van een bedrag van € 12.500,- en de 1e termijn voorschot op risico/winst van het project [project 6] te [woonplaats] ter grootte van een bedrag van € 17.500,-;

? op 11-09-2007 de factuur 07/011 met de omschrijving Adviezen en projectmanagement augustus en voorzien van een begeleidend schrijven waarin wordt verwezen naar projectmanagement en adviezen betreffende het project [project 8] en een derde termijn afkoop risico/winst tezamen ter grootte van een bedrag van € 12.500,- en de 2e termijn voorschot op risico/winst van het project [project 6] te [woonplaats] ter grootte van een bedrag van € 17.500,-.

De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of [bedrijf 4] daadwerkelijk adviezen, projectmanagement en werkzaamheden heeft verricht dan wel risico heeft gedragen met betrekking tot de in de begeleidende brieven omschreven projecten. De verdediging heeft gesteld dat deze werkzaamheden daadwerkelijk zijn verricht en risico is gedragen en zij heeft ter onderbouwing van deze stelling projectmappen in het geding gebracht.

De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat deze werkzaamheden zijn verricht en dat ten aanzien van genoemde projecten risico is gedragen door [bedrijf 4] Weliswaar heeft de verdediging enkele projectmappen in het geding gebracht waaruit kan worden afgeleid dat in deze projecten (enige) werkzaamheden zijn verricht, maar noch in deze mappen, noch in de overige stukken van het dossier kan bevestiging worden gevonden voor de stelling van de verdediging dat deze werkzaamheden door [bedrijf 4] zijn verricht. Ook voor de stelling dat [bedrijf 4] voor deze projecten enig risico heeft gelopen kan geen onderbouwing worden gevonden. De rechtbank sluit niet uit dat [medeverdachte 2] in bovengenoemde projecten enige werkzaamheden heeft verricht, maar nergens blijkt dat zij deze werkzaamheden voor [bedrijf 4] heeft verricht en niet in haar hoedanigheid van werkneemster van [bedrijf 17], een van de vennootschappen van [verdachte] waar zij in dienst was. Nu in de facturen is opgenomen dat de werkzaamheden zijn verricht door, en het risico is gedragen door [bedrijf 4], concludeert de rechtbank dat de facturen vals zijn.

Nu deze facturen, in opdracht van [verdachte], in de administratie van [naam] zijn opgenomen is ook die administratie vals.

Door [naam] is op 29 juni 2001 een geldbedrag ter grootte van € 350.000,-, overgemaakt aan [bedrijf 4] onder vermelding van Voorschot termijnnota’s. Door verdachte en zijn/haar medeverdachten is voor de ontvangst van € 350.000,- door [bedrijf 4] geen enkele aannemelijke verklaring gegeven. Van een mogelijk legale herkomst van het geld is ook overigens niet gebleken. De rechtbank leidt uit de omstandigheden waaronder het geld is overgemaakt en de overige feiten en omstandigheden, zoals deze onder 4.3.1.2 met betrekking tot [bedrijf 4] staan beschreven, in onderlinge samenhang bezien, af dat het niet anders kan zijn dan dat het geld van enig misdrijf afkomstig is en dat verdachte hiervan wetenschap heeft gehad. Hiermee acht de rechtbank ook het witwassen van € 350.000,- bewezen.

4.3.2.3. Het [project 3]

4.3.2.3.1. Oplichting

Vervolgens richt de rechtbank zich op de vraag of sprake is geweest van oplichting van [stichting 1] door [verdachte] en [medeverdachte 1] bij het aanbieden van het [project 3].

Voor het vaststellen van de feiten zal de rechtbank opnieuw de volgorde van de gedachtestreepjes in de tenlastelegging aanhouden en per onderdeel aangeven wat zij daarvan al dan niet bewezen acht.

Gedachtestreepje 1

De rechtbank acht niet bewezen dat is verheimelijkt, verdoezeld, verzwegen of weggelaten dat de bij de koop betrokken partijen onderling hebben afgesproken dat de oorspronkelijk betaalde verkoopprijs van € 10.000.000,- zou worden verhoogd met een minimum van € 5.000.000,- en dat [stichting 1] als potentieel kopende partij deze verkoopprijs zou betalen. De rechtbank stelt vast dat er weliswaar afspraken zijn gemaakt tussen [bedrijf 12], [bedrijf 13] en [naam] met een dergelijke inhoud, maar dat deze afspraken uiteindelijk niet meer relevant waren omdat nadien andere, afwijkende afspraken zijn gemaakt. De rechtbank zal verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging dan ook vrijspreken.

Gedachtestreepje 2

De rechtbank acht bewezen dat aan [stichting 1] is verzwegen dat [naam] per brief d.d. 22 april 2007 het perceel [adres] heeft aangeboden aan [stichting 1] voor € 13.500.000,-.

De rechtbank slaat daarbij acht op het volgende:

? bij de doorzoeking aan de [adres] te [woonplaats] is een document aangetroffen, inhoudende een aanbod d.d. 22 april 2007 van [naam] aan [stichting 1] om het perceel [adres] te kopen voor een grondprijs van € 13.500.000,-. ;

? [medeverdachte 1] heeft verklaard dat [verdachte] een eerder aanbod heeft gedaan aan [stichting 1] ;

? op 24 mei 2007 wordt er een investeringsvoorstel gedaan door [medeverdachte 1] aan de Raad van Toezicht van [stichting 1]. In dit investeringsvoorstel staat niets vermeld over een eerder aanbod van dit project door [naam];

? uit de notulen van de vergadering van de Raad van Toezicht d.d. 31 mei 2007 waarin de Raad van Toezicht akkoord gaat met het investeringsvoorstel van 24 mei 2007 blijkt niet dat [medeverdachte 1] heeft gemeld dat het project eerder voor een prijs van € 13.500.000,- is aangeboden door [naam] .

Op grond hiervan wordt geconcludeerd dat verdachte en zijn medeverdachte het eerdere aanbod van [naam] aan [stichting 1] bewust hebben verzwegen.

Gedachtestreepje 3

De rechtbank acht bewezen dat verdachte en zijn medeverdachte hebben verheimelijkt dat niet [naam] maar een andere partij, namelijk [bedrijf 18], het [project 3] zou gaan ontwikkelen.

De rechtbank slaat daarbij acht op het volgende:

? in het investeringsvoorstel van 24 mei 2007 staat vermeld dat het project aan [stichting 1] wordt aangeboden door [naam] en dat het de bedoeling is dat [stichting 1] samen met [naam] het complex verder zal definiëren en ontwikkelen. [naam] zal het project turnkey ontwikkelen met inachtneming van het programma van eisen van [stichting 1] ;

? uit de notulen van de vergadering van de Raad van Toezicht d.d. 31 mei 2007, waarin de Raad van Toezicht akkoord gaat met het investeringsvoorstel, blijkt niet dat [medeverdachte 1] heeft gemeld dat het project -in afwijking van het gestelde in het investeringsvoorstel- zou worden ontwikkeld door een ander dan [naam] ;

? de heer [Q] verklaart dat hij voorafgaand aan deze vergadering in Kerkenbosch/Zeist een door [N] en [O] getekend convenant heeft afgegeven aan [medeverdachte 1];

? in dit convenant is opgenomen dat partijen op 30 mei 2007 zijn overeengekomen dat de ontwikkelkosten van het [project 3] voor rekening en risico van [N] en [O] komen;

? [Q] verklaart voorts dat [medeverdachte 1] hem op 1 juni 2007 telefonisch heeft medegedeeld dat de Raad van Toezicht definitieve goedkeuring had gegeven voor het aangaan van de samenwerkingsovereenkomst; de overeenkomst die hij die avond daarvoor naar [medeverdachte 1] had gebracht ;

? [F] van de Raad van Toezicht verklaart dat [medeverdachte 1] dit gegeven had moeten melden aan de Raad van Toezicht, zodat ze het project goed hadden kunnen beoordelen .

De rechtbank concludeert hieruit dat [medeverdachte 1] voorafgaand aan de vergadering op de hoogte was van het feit dat de ontwikkeling van het [project 3] niet door [naam] zou worden gedaan maar door een ander en dat hij daarover bewust niets heeft gemeld aan de Raad van Toezicht.

Gedachtestreepje 4

De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte en zijn medeverdachte hebben verheimelijkt, verdoezeld, verzwegen en/of weggelaten dat een deel van de koopprijs die door [stichting 1] werd betaald moest worden betaald als afkoopsom aan [naam] en niet ten goede zou komen aan de verkoper [bedrijf 18][bedrijf 14] valt af te leiden uit de betaling bij de overdracht van het perceel [adres] dat een bedrag van € 2.250.000,- als afkoopsom werd betaald, maar niet bewezen kan worden dat vooraf door partijen was afgesproken dat de afkoopsom betaald zou worden uit een deel van de koopprijs. Van dit deel van de tenlastelegging zal verdachte worden vrijgesproken.

Gedachtestreepjes 5 en 6

De rechtbank acht bewezen dat verdachte en zijn medeverdachte hebben verheimelijkt dat de met de transactie van de [adres] te behalen opbrengst, die zou bestaan uit het ontvangen van een afkoopsom bij de koop van de [adres], onderling zou worden verdeeld en [medeverdachte 1], via [bedrijf 4], een geldbedrag van [naam] zou ontvangen.

De rechtbank slaat daarbij acht op het volgende:

? op 31 mei 2007 wordt een samenwerkingsovereenkomst gesloten tussen [stichting 1], [bedrijf 18] en [bedrijf 13] met betrekking tot dit perceel, waarin onder meer is opgenomen:

‘Op datum van de overdracht van de grond aan het [stichting 1] zal de combinatie [N]/[O] als afkoopsom aan [naam] een bedrag voldoen ten bedrage van €2.250.000, = exclusief BTW zegge; tweemiljoen tweehonderd vijftigduizend Euro.’ ;

? op 6 juli 2007 vindt de overdracht plaats van het perceel [adres] door [bedrijf 15] aan [stichting 1] voor een bedrag van € 14.600.000,- ;

? door de notaris wordt een deel van de koopsom, ter grootte van € 2.677.500,- overgeboekt naar [naam] en dit wordt op 11 juli 2007 door [naam] ontvangen ;

? op 16 juli 2007 wordt door [naam] een bedrag van € 1.367.905,- overgemaakt aan [bedrijf 4] welk bedrag op 17 juli 2007 door [bedrijf 4] wordt ontvangen ;

? op 23 juli 2007 stuurt [bedrijf 4] een factuur naar [naam] ter grootte van een bedrag van € 1.149.500,- exclusief BTW met de omschrijving ‘Afkoopsom zoals overeengekomen’ ;

? in een begeleidend schrijven bij deze factuur staat vermeld dat de factuur betrekking heeft op het projectmanagement en de adviezen voor het plan [adres] voor een bedrag van € 30.000,- en op de totale afkoop ontwikkeling en risico voor het [project 3][adres] ter grootte van een bedrag van € 1.119.500,- ;

? de heer [P], asset-manager bij ING ten tijde van de verkoop van het perceel aan de [adres], verklaart dat bij de plannen om het perceel [adres] te verkopen door [O] werd gezocht naar een grote partij die risicodragend kon participeren en dat zodoende [bedrijf 15] werd aangesproken. [N] wilde echter niet op risico kopen maar meteen doorverkopen en daarbij werd [stichting 1] en voor deze als exclusief acquisiteur [naam] in de persoon van [verdachte], naar voren geschoven;

? [Q], bemiddelaar in het conflict tussen [bedrijf 15] en [naam], verklaart dat [stichting 1] het project van [N] wilde afnemen op de voorwaarde, zo zei [medeverdachte 1] tegen hem, dat [naam] genoegdoening zou krijgen.

De rechtbank dient in dit kader de vraag te beantwoorden of [naam] voor het [project 3] daadwerkelijk risico heeft gedragen dat door haar (gedeeltelijk) aan [bedrijf 4] is overgedragen. Ook dient de vraag te worden beantwoord of [bedrijf 4] projectmanagement en adviezen heeft verricht in het [project 3].

Met betrekking tot het risico overweegt de rechtbank het volgende. Vanaf de eerste tot de laatste besprekingen tussen de verschillende partijen is het de opzet geweest en hebben de afspraken ingehouden dat [stichting 1] het [project 3] uiteindelijk zou afnemen. Daaruit kan enig door [naam] te dragen afnamerisico dan ook niet worden afgeleid. Ook in de overige stukken in het dossier kan de rechtbank voor het bestaan van dat risico, of voor enig ander risico geen enkele ondersteuning vinden.

Nu niet aannemelijk is gemaakt dat [naam] enig risico heeft gelopen kan evenmin sprake zijn van de overdracht van enig risico door [naam] aan [bedrijf 4] Dat [naam] een bedrag ter grootte van € 1.119.500,- aan [bedrijf 4] betaalt enkel voor de afkoop van ontwikkeling (zoals op de begeleidende brief bij de factuur nog vermeld) is door de verdediging niet gesteld maar ook op geen enkele andere wijze aannemelijk geworden. Overigens wordt het bestaan van de door de verdediging gestelde afspraken des te onaannemelijker nu deze niet op papier zijn gezet maar enkel mondeling zouden zijn gemaakt. Los van het feit dat het zeer ongebruikelijk is dat dergelijke afspraken niet schriftelijk worden vastgelegd, betekent dit ook dat voor het daadwerkelijk bestaan van deze afspraken in geen enkel destijds opgesteld document bevestiging kan worden gevonden.

Tenslotte overweegt de rechtbank dat niet is gebleken van werkzaamheden in de zin van projectmanagement en adviezen verricht door [bedrijf 4] binnen het [project 3]. Op geen enkele wijze blijkt uit het dossier of is door de verdediging aannemelijk gemaakt dat door [bedrijf 4] voor dit project voor een bedrag van EUR 30.000,- genoemde werkzaamheden zijn verricht.

De rechtbank concludeert dan ook dat verdachte en zijn medeverdachte hebben verheimelijkt dat zij de met de transactie van de [adres] te behalen opbrengst, die zou bestaan uit het ontvangen van een afkoopsom, onderling zouden verdelen en dat het bedrag van € 1.149.500,- door [naam] is betaald aan [bedrijf 4] met de bedoeling dit bedrag onder verdachten te verdelen.

Met betrekking tot de oplichting concludeert de rechtbank als volgt.

Op 31 mei 2007 is de Raad van Toezicht akkoord gegaan met het investeringsvoorstel van 24 september 2005 van de [adres] te [adres] en daarmee is toestemming gegeven om voor [stichting 1] het perceel [adres] aan te kopen van [bedrijf 18] . Op dat moment was de Raad van Toezicht niet, maar waren [medeverdachte 1] en [verdachte] wel bekend met de hiervoor bij de verschillende gedachtestreepjes genoemde punten. De Raad van Toezicht is op die punten dan ook niet, niet volledig c.q. onjuist geïnformeerd.

De leden van de Raad van Toezicht [F] , [D] en [E] hebben allen verklaard dat zij verkeerd voorgelicht zijn met betrekking tot de het [project 3] en dat zij geen toestemming voor de aankoop van het project zouden hebben gegeven als zij wel volledig geïnformeerd waren geweest over bovenstaande punten. Gelet op de hiervoor geschetste feiten en omstandigheden acht de rechtbank bewezen dat verdachte en zijn medeverdachte met het oogmerk zich wederrechtelijk te bevoordelen [stichting 1] hebben bewogen tot afgifte van enig geldbedrag.

4.3.2.3.2. Valsheid in geschrift en witwassen

[bedrijf 4] is aan [naam] een factuur d.d. 23 juli 2007 verzonden ten bedrage van € 1.149.500,- exclusief BTW . De rechtbank heeft hiervoor onder 4.3.2.3.1 vastgesteld dat de werkzaamheden waarop de factuur betrekking heeft niet zijn verricht door [bedrijf 4] en dat de afkoopsom vanwege het dragen van ontwikkeling en risico in strijd met de waarheid op deze factuur zijn vermeld. Dit maakt de factuur tot een valse factuur.

[verdachte] heeft verklaard dat hij opdracht aan zijn toenmalige echtgenote gaf om facturen in te boeken, hetgeen zij vervolgens deed. Op deze manier is ook deze valse factuur in de bedrijfsadministratie van [naam] opgenomen met de bedoeling deze als echt en onvervalst te gebruiken. Aan deze verboden gedraging heeft [verdachte] opdracht gegeven.

Het op deze factuur vermelde bedrag is vervolgens door [naam] ook betaald aan [bedrijf 4] Door deze betaling is het criminele geld -te weten het geld dat door oplichting uit het [project 3] is verkregen- overgegaan van [naam] naar [bedrijf 4] Door verdachte en zijn medeverdachten is voor de ontvangst van € 1.149.500,- door [bedrijf 4] geen enkele aannemelijke verklaring gegeven en van een mogelijk legale herkomst van het geld is ook overigens niet gebleken. De rechtbank leidt uit de omstandigheden waaronder het geld is overgemaakt en de overige feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, af dat het niet anders kan zijn dan dat dit geld van enig misdrijf afkomstig is en dat verdachte hiervan wetenschap heeft gehad.

Hiermee acht de rechtbank ook het witwassen van het bedrag van € 1.149.500,- door [naam], aan welke gedraging verdachte feitelijk leiding heeft gegeven, bewezen.

4.3.3. Criminele organisatie

Om te kunnen vaststellen of verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie dient de rechtbank te bezien of sprake is geweest van een gestructureerd samenwerkingsverband, waarin de deelnemers in een zekere duurzame onderlinge samenwerking participeerden. Vervolgens dient de rechtbank vast te stellen of verdachte tot dit samenwerkingsverband behoorde, daar een aandeel in heeft gehad dan wel de criminele organisatie heeft ondersteund met gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. Niet vereist is dat een deelnemer, indien het oogmerk - zoals in casu tenlastegelegd - het plegen van misdrijven van verschillende soort is, betrokken is geweest bij de verwezenlijking van elk soort van de beoogde misdrijven.

De organisatie waaraan wordt deelgenomen dient het plegen van misdrijven tot oogmerk te hebben, dat wil zeggen dat de feitelijke werkzaamheden van de organisatie op het plegen van misdrijven gericht dienen te zijn.

Het oogmerk is niet gekoppeld aan een bepaalde gedraging, maar moet aanwezig zijn bij de organisatie waaraan wordt deelgenomen. Het gaat daarbij naar het oordeel van de rechtbank niet om het oogmerk bij de afzonderlijke leden van de organisatie, maar om het oogmerk van het samenwerkingsverband als geheel.

De voor strafbaarheid op grond van artikel 140 Sr vereiste opzet bij de deelnemers moet naar het oordeel van de rechtbank gericht zijn geweest op het criminele oogmerk van de organisatie. Daarvoor is voldoende dat de deelnemer in zijn algemeenheid weet (in de zin van onvoorwaardelijk opzet) dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

Gelet op de in de aanhef van dit onderdeel geformuleerde uitgangspunten en de bovenstaande bewijsmiddelen betekent het voorgaande tezamen genomen en in onderling verband bezien dat naar het oordeel van de rechtbank sprake is van een gestructureerd samenwerkingsverband, waarin de deelnemers in een zekere duurzame onderlinge samenwerking participeren. Voorts is in het bewezen verklaarde samenwerkingsverband sprake geweest van het oprichten en in stand houden van meerdere rechtspersonen en kunnen de verdachten die bij die afzonderlijke rechtspersonen werkzaam waren tot genoemd samenwerkingsverband worden gerekend. De desbetreffende rechtspersonen en de daarbij werkzame personen hebben naar het oordeel van de rechtbank een aandeel gehad in dan wel gedragingen ondersteund die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het criminele oogmerk van de criminele organisatie.

Tevens is de rechtbank van oordeel dat de organisatie waaraan wordt deelgenomen het plegen van misdrijven tot oogmerk had, immers de feitelijke werkzaamheden van de organisatie waren gericht op het onttrekken van gelden aan het vermogen van [stichting 1] door middel van oplichting en het verdelen van deze gelden onder verdachten door middel van valsheid in geschrift en witwassen. Dat gebeurde in de periode 2005 tot en met 2010 volgens een vast patroon. Voor een onderbouwing van deze bewezenverklaring verwijst de rechtbank naar hetgeen hierboven ten aanzien van de oplichting, de valsheid in geschrift en het witwassen is opgemerkt. De rechtbank acht bewezen dat sprake is geweest van een organisatie, in de zin van een samenwerkingsverband tussen natuurlijke personen en rechtspersonen.

Niet bewezen acht de rechtbank dat de organisatie het plegen van verduistering in dienstbetrekking tot oogmerk had. [medeverdachte 1] heeft het uit misdrijf verkregen geld niet onder zich gehouden, noch over dit geld kunnen beschikken, omdat hij eerst toestemming van de Raad van Toezicht nodig had voordat er geldstromen vrijkwamen. Niet is gebleken dat [medeverdachte 1] meer geld heeft overgemaakt dan het geld waarvoor hij door de Raad van Toezicht toestemming had gekregen. De rechtbank zal verdachten daarom van dit onderdeel vrijspreken. De rechtbank acht evenmin bewezen dat de organisatie niet-ambtelijke omkoping beoogde. Uit het misdrijf van oplichting vloeit voort dat er gelden zijn verschaft, aangenomen en verdeeld. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen deze gelden niet meer worden aangemerkt als giften bedoeld om een ander om te kopen, nu vaststaat dat over deze gelden vooraf verdeelafspraken zijn gemaakt. Voor omkoping is bovendien vereist dat het initiatief uitgaat van degene die probeert om te kopen, waardoor de omgekochte bewogen wordt om iets te doen of na te laten. Niet gebleken is hier dat het initiatief voor de fraude van [verdachte] is uitgegaan en dat hij met het aanbieden van gelden [medeverdachte 1] daartoe heeft bewogen. De rechtbank zal verdachten daarom ook van dit onderdeel vrijspreken.

Naar het oordeel van de rechtbank behoorde verdachte tot de organisatie en is hij betrokken geweest bij de gedragingen die strekken tot, of rechtstreeks verband houden met, de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie.

Uit voorgaande bewijsmiddelen vloeit bovendien voort dat verdachte wetenschap had van het criminele oogmerk van de organisatie.

De rechtbank acht voorts bewezen dat [medeverdachte 1] en [verdachte] zijn aan te merken als de oprichters van de criminele organisatie, omdat uit bovengenoemde bewijsmiddelen blijkt dat zij gezamenlijk de oplichting hebben uitgevoerd en een constructie in het leven hebben geroepen om de daarmee verworven gelden te kunnen witwassen en te kunnen verdelen onder de verschillende verdachten.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat

1.

[project 2]

hij op tijdstippen in de periode van 19 september 2006 tot en met 30 juni 2007 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich of anderen wederrechtelijk te bevoordelen,

door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels,

[stichting 1] ("[stichting 1]") heeft bewogen tot de middellijke en/of onmiddellijke afgifte van enig geldbedrag aan [bedrijf 3]

(h.o.d.n. [naam]), hebbende verdachte en/of zijn mededader toen aldaar (telkens) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven – valselijk en listiglijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid jegens [stichting 1] en de Raad van Toezicht (RvT) van [stichting 1], onder meer in een investeringsvoorstel d.d. 9 maart 2007 (B.5.141) over het project "[project 2]" dat werd voorgelegd aan (de RvT van) [stichting 1] en in een vergadering met de RvT van [stichting 1] d.d. 28 maart 2007 en/of in een aanbiedingsbrief d.d. 12 januari 2007 (B5.144)

-verzwegen dat de gemeente Amsterdam op 13 april 2006 ten aanzien van het perceel [adres] (kadastraal bekend Sectie [nummer]) een onteigeningsprocedure was gestart

(B.5.570), terwijl verdachte en zijn mededader op de hoogte waren van de voorgenomen onteigening

en

-verdoezeld dat op het perceel [adres] (groot 429 m2), de realisatie van de geplande 74 appartementen, een ontmoetingsruimte en parkeerplaatsen ("het Project") niet

mogelijk was, aangezien voor het realiseren van het Project verwerving van de

naastgelegen strook grond (kadastraal bekend sectie [nummer], groot 1876m2)

noodzakelijk, maar niet mogelijk was, omdat de erfpachtaanbieding (gedaan

door de Gemeente Amsterdam in haar ongedateerde, maar vermoedelijk op 20

december 2005 opgestelde brief, B5.147) voor deze naastgelegen strook grond

per 31 maart 2006 verlopen was en/of omdat het [adres] niet voldeed aan de

door de Gemeente Amsterdam gestelde voorwaarden voor die erfpachtaanbieding

en

-verdoezeld dat de Gemeente Amsterdam in de [plan], waarin de [adres] is gelegen, overwegend vrije sector huur of koopwoningen wilde, en niet overwegend

huursubsidiabele (senioren)woningen

en

-voorgewend dat de wijkwethouder zich positief had uitgelaten over het Project

en

-verheimelijkt dat de in het Project te behalen winst en/of opbrengst van [bedrijf 3] (h.o.d.n. [naam]) die zou gaan voortvloeien uit de aan- en verkoop van

[adres] door [bedrijf 3] (h.o.d.n. [naam]), tussen verdachte

en zijn mededader onderling zou worden verdeeld

en

-verzwegen dat de directeur van [stichting 1], [medeverdachte 1], al dan niet middels [bedrijf 4] (vanaf 31-05-2007 genaamd [bedrijf 4]) enig geldbedrag zou ontvangen van [bedrijf 3] (h.o.d.n. [naam]),

waarna op 28 maart 2007 instemming werd verkregen van de RvT van [stichting 1] met het

investeringsvoorstel d.d. 9 maart 2007 en (daaruit voortvloeiend) toestemming

om voor [stichting 1] het perceel [adres] aan te kopen van [bedrijf 3]

BV (h.o.d.n. [naam] wonen)

waardoor [stichting 1] werd bewogen tot bovengenoemde afgifte aan [bedrijf 3]

(h.o.d.n. [naam])

2.

[bedrijf 3] (h.o.d.n. [naam]) op tijdstippen in de periode van 27 februari 2007 tot en met 11 september 2007 in Nederland, haar bedrijfsadministratie, zijnde een samenstel van geschriften dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk

heeft opgemaakt, immers heeft [bedrijf 3] (h.o.d.n. [naam])

valselijk en in strijd met de waarheid in haar bedrijfsadministratie (onder meer) de navolgende (valse) facturen opgenomen:

- de factuur 07/001 d.d. 27-02-2007 van [bedrijf 4] aan [naam] ter

grootte van EURO 35.700,- ex BTW, en

- de factuur 07/004 d.d. 09-03-2007 van [bedrijf 4] aan [naam] ter

grootte van EURO 35.700,- ex BTW, en

- de factuur 07/006 d.d. 05-07-2007 van [bedrijf 4] aan [naam] ter

grootte van EURO 35.700,- ex BTW, en

- de factuur 07/007 d.d. 05-07-2007 van [bedrijf 4] aan [naam] ter

grootte van EURO 35.700,- ex BTW, en

- de factuur 07/008 d.d. 05-07-2007 van [bedrijf 4] aan [naam] ter

grootte van EURO 35.700,- ex BTW, en

- de factuur 07/010 d.d. 03-09-2007 van [bedrijf 4] aan [naam] ter

grootte van EURO 35.700,- ex BTW,-, en

- de factuur 07/011 d.d. 11-09-2007 van [bedrijf 4] aan [naam] ter

grootte van EURO 35.700,- ex BTW

bestaande de valsheid van die facturen (telkens) hieruit dat de door [bedrijf 4]

(vanaf 31-05-2007 genaamd [bedrijf 4]) omschreven werkzaamheden (adviezen

en projectmanagement) ten behoeve van [bedrijf 3] (h.o.d.n. [naam])

in werkelijkheid niet zijn verricht,

zulks met het oogmerk om deze bedrijfsadministratie als echt en onvervalst te

gebruiken aan welke bovenomschreven verboden gedragingen verdachte telkens feitelijk leiding heeft gegeven

3.

[bedrijf 3] (h.o.d.n. [naam]) op tijdstippen in de periode van 1 juni 2007 tot en met 11 september 2007 in Nederland van een voorwerp, te weten een geldbedrag van EURO 350.000,-

de werkelijke aard heeft verhuld en heeft verborgen wie de rechthebbende op het voorwerp

was door voor te wenden dat dit geldbedrag werd overgemaakt aan [bedrijf 4] (vanaf

31-05-2007 genaamd [bedrijf 4]) vanwege een voorschot op door [bedrijf 4]

(vanaf 31-05-2007 genaamd [bedrijf 4]) te versturen termijnnota's voor

werkzaamheden die [bedrijf 4] (vanaf 31-05-2007 genaamd [bedrijf 4]) voor

[bedrijf 3] (h.o.d.n. [naam]) had verricht of zou gaan verrichten,

terwijl [bedrijf 3] (h.o.d.n. [naam]) wist dat bovenomschreven

voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf

aan welke bovenomschreven verboden gedraging verdachte feitelijk leiding heeft gegeven

4.

[project 1]

hij op tijdstippen in de periode van 1 mei 2005 tot en met 31 december 2006 te Badhoevedorp en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander met

het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen, door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels,

[stichting 1] ("[stichting 1]") heeft bewogen tot de middellijke dan wel onmiddellijke afgifte van geldbedragen tot een totaal van ongeveer EURO1.061.274,58, in elk geval enig geldbedrag aan [bedrijf 3] (h.o.d.n. [naam]) hebbende verdachte en/of zijn mededader toen aldaar met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en listiglijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid jegens [stichting 1] en de Raad van Toezicht (RvT) van [stichting 1], onder meer in een investeringsvoorstel d.d. 13 september 2005 over het project "[project 1]" (B.5.113) dat werd voorgelegd aan de RvT van [stichting 1] en in een vergadering met de RvT van [stichting 1] d.d. 21 september 2005 en/of in een aanbiedingsbrief d.d. 7 juli 2005 (B5.103)

- weggelaten dat [bedrijf 3] (h.o.d.n. [naam]) het perceel grond [adres], op 10 mei 2005 had gekocht en (uiteindelijk op 3 oktober 2005) geleverd zou krijgen voor een bedrag van EURO 2.000.000,-, terwijl [stichting 1] hetzelfde perceel zou gaan kopen (en uiteindelijk op 3 oktober geleverd zou krijgen) voor een bedrag van EURO 7.451.270,-,

en

- verdoezeld dat [stichting 1] het risico voor het [project 1] alleen zou dragen (omdat [stichting 4] alleen appartementen zou gaan afnemen, B.5.102 en B.5.1173), terwijl volgens het investeringsvoorstel d.d. 13 september 2005 (B 5.103) het risico

voor 2/3 zal worden gedragen door [stichting 1] en voor 1/3 door [stichting 4],

en

-verheimelijkt dat de in het project "[project 1]" te behalen winst en/of opbrengst(en) van [bedrijf 3] (h.o.d.n. [naam]) die zou gaan voortvloeien uit de aan- en

verkoop van [adres] door [bedrijf 3] (h.o.d.n. [naam]),

tussen verdachte en zijn mededader onderling zou worden verdeeld

en

-verzwegen dat de directeur van [stichting 1], [medeverdachte 1], al dan niet middels [bedrijf 4] (vanaf 31-05-2007 genaamd [bedrijf 4]), enig geldbedrag, zou ontvangen van [bedrijf 3] (h.o.d.n. [naam]),

waardoor op 21 september 2005 instemming werd verkregen van de RvT van [stichting 1]

met het investeringsvoorstel d.d. 13 september 2005 en (daaruit voortvloeiend)

toestemming om voor [stichting 1] het perceel [adres] aan te kopen van

[bedrijf 3] (h.o.d.n. [naam] wonen)

waardoor [stichting 1] werd bewogen tot bovengenoemde afgifte(n) aan [bedrijf 3] (h.o.d.n. [naam])

5.

[bedrijf 3] h.o.d.n. [naam] op tijdstippen in de periode van 17 oktober 2005 tot en met 17 januari 2006 in Nederland, haar bedrijfsadministratie, zijnde een samenstel van geschriften dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt, immers heeft [bedrijf 3] (h.o.d.n. [naam]) valselijk en in strijd met de waarheid in haar bedrijfsadministratie (onder meer) de navolgende (valse) facturen opgenomen:

-een factuur van [bedrijf 4] aan [naam] d.d. 17 oktober 2005 ten bedrage van

EURO 265.000,- ex BTW (B.5.912), en

-een factuur van [bedrijf 4] aan [naam] d.d. 17 november 2005 ten bedrage van

EURO 265.000,- ex BTW (B.5.909), en

-een factuur van [bedrijf 4] aan [naam] d.d. 17 december 2005 ten bedrage van

EURO 265.000,- ex BTW (B.5.908), en

-een factuur van [bedrijf 4] aan [naam] d.d. 17 januari 2006 ten bedrage van

EURO 265.000,- ex BTW (B.5.917)

bestaande de valsheid van die facturen (telkens) hieruit dat de door [bedrijf 4]

(vanf 31-05-2007 genaamd [bedrijf 4]) omschreven werkzaamheden (adviezen

en projectmanagement) ten behoeve van [bedrijf 3] (h.o.d.n. [naam])

in werkelijkheid niet zijn verricht en de afkoopsom niet verschuldigd was,

zulks met het oogmerk om deze bedrijfsadministratie als echt en onvervalst te

gebruiken

tot het plegen van welke bovengenoemd strafbaar feit verdachte opdracht heeft gegeven.

6.

[bedrijf 3] (h.o.d.n. [naam]) op een tijdstip in de periode van 1 oktober 2005 tot en met 31 oktober 2005 in Nederland van een voorwerp, te weten van een geldbedrag van EURO 1.061.274,58 de werkelijke aard heeft verhuld en heeft verborgen wie de rechthebbende op het geldbedrag was door voor te wenden dat dit geldbedrag werd overgemaakt aan [bedrijf 4] voor werkzaamheden die [bedrijf 4] (vanaf 31-05-2007 genaamd [bedrijf 4]) voor [bedrijf 3] (h.o.d.n. [naam]) had verricht of zou gaan verrichten en wegens een afkoopsom voor het [project 1]

terwijl [bedrijf 3] (h.o.d.n. [naam]) wist dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf

tot het plegen van welk bovengenoemd strafbare feit verdachte opdracht heeft gegeven.

7.

[project 3]

hij op tijdstippen in de periode van 1 januari 2007 tot en met 31 juli 2007 te Badhoevedorp en elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, met

het oogmerk om zich of ander wederrechtelijk te bevoordelen,

door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels,

[stichting 1] ("[stichting 1]") heeft bewogen tot de afgifte van enig geldbedrag, hebbende verdachte en

zijn mededader toen aldaar (telkens) met vorenomschreven oogmerk -

zakelijk weergegeven - valselijk en listiglijk en bedrieglijk en in

strijd met de waarheid, jegens [stichting 1] en de Raad van Toezicht (RvT) van [stichting 1], onder meer in een investeringsvoorstel d.d. 24 mei 2007 over het perceel [adres]

[adres] (B.5.248) dat werd voorgelegd aan de RvT van [stichting 1] en in

een vergadering met de RvT van [stichting 1] d.d. 31 mei 2007

-verzwegen dat [bedrijf 3] (h.o.d.n. [naam]) per brief d.d. 22 april 2007 het perceel [adres] heeft aangeboden aan [stichting 1] voor EURO 13.500.000,- (B.5.625)

en

-verheimelijkt dat niet [bedrijf 3] (h.o.d.n. [naam]), maar een andere partij ([bedrijf 18]) het project zou gaan ontwikkelen

en

-verheimelijkt dat de met de transactie van de [adres] te behalen opbrengsten van [bedrijf 3] (h.o.d.n. [naam]), die zou bestaan

uit het ontvangen van een afkoopsom bij de aan- en verkoop van [adres]

[adres], tussen verdachte en zijn mededader onderling zou worden verdeeld

en

-verzwegen dat de directeur van [stichting 1], [medeverdachte 1], al dan niet middels [bedrijf 4] (vanaf 31-05-2007 genaamd [bedrijf 4]) enig geldbedrag zou ontvangen van [bedrijf 3] (h.o.d.n. [naam] wonen)

waarna op 31 mei 2007 instemming werd verkregen van de RvT van [stichting 1] met het

investeringsvoorstel d.d. 24 mei 2007 en (daaruit voortvloeiend)

toestemming om voor [stichting 1] het perceel [adres] aan te kopen

van [bedrijf 18], waarna d.d. 11 juli 2007 een afkoopsom van

2.250.000,- (ex BTW) werd betaald (aan [bedrijf 3] (h.o.d.n. [naam]

[naam])) (B.5.243)

waardoor [stichting 1] werd bewogen tot bovengenoemde afgifte aan [bedrijf 18] en [bedrijf 3] (h.o.d.n. [naam]))

8.

[bedrijf 3] (h.o.d.n. [naam]) op tijdstippen in de periode van 1 juli 2007 tot en met 31 juli 2007 in Nederland haar bedrijfsadministratie, zijnde een samenstel van geschriften dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft

opgemaakt, immers heeft zij, verdachte valselijk en in strijd met de waarheid

in haar bedrijfsadministratie (onder meer) de navolgende (valse) factuur

opgenomen:

- de factuur 07-009 d.d. 23-07-2007 van [bedrijf 4] aan [naam] ter

grootte van 1.149.500,- ex BTW (B5.041)

bestaande de valsheid van die factuur hieruit dat [bedrijf 3]

(h.o.d.n. [naam]) in werkelijkheid geen afkoopsom verschuldigd was,

aangezien [bedrijf 4] niet betrokken is geweest bij het project

[project 9] en de genoemde werkzaamheden in project [project 9]

niet heeft verricht

zulks met het oogmerk om deze bedrijfsadministratie als echt en onvervalst te

gebruiken

aan welke bovenomschreven verboden gedraging verdachte feitelijk leiding heeft gegeven

9.

[bedrijf 3] (h.o.d.n. [naam]) op tijdstippen in de periode van 1 juli 2007 tot en met 31 juli 2007 in Nederland, van een voorwerp, te weten van een geldbedrag van EURO 1.149.500,- ex BTW de werkelijke aard heeft verborgen en heeft verborgen wie de rechthebbende op het voorwerp was

door voor te wenden dat dit geldbedrag werd overgemaakt aan [bedrijf 4]

wegens een afkoopsom (voor het [project 3]),

terwijl [bedrijf 3] (h.o.d.n. [naam]) wist dat bovenomschreven

voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf

aan welke bovenomschreven verboden gedraging verdachte feitelijk leiding heeft gegeven

10.

hij in de periode van 1 januari 2005 tot en met 6 mei 2010 te Badhoevedorp en/of Amsterdam en/of elders in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een

samenwerkingsverband van natuurlijke personen en rechtspersonen, bestaande

uit hem, verdachte, en [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en C.

[gemachtigde 2] en [C][bedrijf 2] en [bedrijf 3] h.o.d.n. [naam]

en [bedrijf 4] (tot 31-05-2007 genaamd [bedrijf 4]),

welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk onder

meer:

-oplichting (art. 326 WvSr)

-valsheid in geschrift (art. 225 WvSr)

-witwassen (art. 420bis WvSr)

terwijl hij, verdachte, oprichter van de organisatie was.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Feit 1 primair, 4 primair, 7 primair, telkens: Medeplegen van oplichting

Feit 2 en 5, telkens: Valsheid in geschrift, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd

Feit 8: Valsheid in geschrift, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging

Feit 3, 6 en 9, telkens: witwassen, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging

Feit 10: Als oprichter deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officieren van justitie hebben op grond van hetgeen zij bewezen hebben geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van vier jaar.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte zowel zakelijk, als privé negatieve gevolgen heeft ondervonden van de strafrechtelijke vervolging. Er ligt beslag op zijn vermogen en op dat van de hem toebehorende rechtspersonen, [C][bedrijf 2] en [naam]. Daarnaast zijn verdachte en zijn echtgenote als gevolg van de vervolging inmiddels gescheiden.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Wat betreft de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich tezamen met de directeur bestuurder van [stichting 1] meermalen schuldig gemaakt aan oplichting van [stichting 1], meermalen opdracht en feitelijk leiding gegeven aan valsheid in geschrift en aan het witwassen van de middels de oplichting verkregen gelden Daarnaast acht de rechtbank verdachte schuldig aan het oprichten en besturen van een criminele organisatie. Aangenomen mag worden dat verdachte bij het plegen van deze feiten heeft gehandeld puur uit eigen financieel gewin.

[stichting 1] is een instelling werkzaam in het belang van de volkshuisvesting en daarmee in het belang van de publieke sector. Door [stichting 1] op te lichten heeft verdachte het vertrouwen dat de samenleving in de integriteit van de publieke sector mag hebben geschaad.

Het witwassen van gelden heeft een ontwrichtende werking op het economisch verkeer.

Daarnaast hebben verdachte en zijn medeverdachten gedurende een aantal jaren deelgenomen aan een samenwerkingsverband gericht op het systematisch en professioneel plegen van delicten als oplichting, valsheid in geschrift en witwassen. Dit samenwerkingsverband is mede door verdachte opgericht en bestuurd.

Ten gunste van verdachte houdt de rechtbank er rekening mee dat verdachte, in tegenstelling tot zijn medeverdachten, met betrekking tot de diverse projecten wel (in meer of mindere mate) werkzaamheden heeft verricht. En hem derhalve een deel van de opbrengst van de projecten ook rechtmatig toekwam.

Wat betreft de persoon van verdachte heeft de rechtbank voorts gelet op de inhoud van een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 30 mei 2011, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder voor strafbare feiten is veroordeeld.

De rechtbank houdt daarnaast rekening met het feit dat de maatschappelijke en financiële positie van verdachte door de strafrechtelijke vervolging ernstig is aangetast. Verdachte staat bloot aan diverse verhaalsacties, waarbij het om aanzienlijke bedragen gaat. Tevens houdt de rechtbank rekening met de gevolgen die verdachte en zijn gezin inmiddels van de strafzaak hebben ondervonden.

De officier van justitie heeft een gevangenisstraf van 4 jaar gevorderd. Daarbij gaat de officier van justitie er kennelijk vanuit dat het met de drie tenlastegelegde projecten geleden nadeel het totaalbedrag van de aanschafprijs van die projecten beslaat. De rechtbank sluit echter niet uit dat dit bedrag lager ligt.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op bovenstaande feiten en omstandigheden en gezien hetgeen in soortgelijke zaken wordt opgelegd, alsmede de persoon van de verdachte, de aan verdachte op te leggen gevangenisstraf lager dient te zijn dan door de officier justitie is gevorderd.

Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaar en zes maanden passend en geboden is.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 47, 51, 57, 140, 225, 326 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Feit 1 primair, 4 primair, 7 primair, telkens: Medeplegen van oplichting

Feit 2 en 5, telkens: Valsheid in geschrift, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd

Feit 8: Valsheid in geschrift, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging

Feit 3, 6 en 9, telkens: witwassen, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging

Feit 10: Als oprichter deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 2 jaar en 6 maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Voorlopige hechtenis

heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van de dag dat dit vonnis onherroepelijk is geworden.

Dit vonnis is gewezen door mr. Y.M.J.I. Baauw-de Bruijn, voorzitter, mr. G. Perrick en mr. A. van Maanen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.M. Scheffer, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 22 december 2011.