Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BU9076

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
21-12-2011
Datum publicatie
22-12-2011
Zaaknummer
306782 - HA ZA 11-990
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Niet versturen creditfactuur door schuldeiser is voor schuldenaar op zichzelf reden om betalingsverplichtingen op te schorten. Schuldeiser heeft nagelaten te stellen dat opschorting in dit geval een disproportionele maatregel was.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handel en kanton

Handelskamer

zaaknummer / rolnummer: 306782 / HA ZA 11-990

Vonnis van 21 december 2011

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

A1 PERSONEELSDIENSTEN BV,

gevestigd te Arnhem,

eiseres,

advocaat: mr. P.A.C. de Vries,

tegen

[gedaagde],

h.o.d.n. Loodgietersbedrijf [naam],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat: mr. R. Bagasrawalla.

Partijen zullen hierna A1 Personeelsdiensten en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 10 augustus 2011;

- het proces-verbaal van comparitie van 25 oktober 2011;

- de akte na comparitie met producties van A1 Personeelsdiensten;

- de antwoordakte na comparitie van [gedaagde].

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. Feiten

2.1. A1 Personeelsdiensten is een franchiseorganisatie en houdt zich onder andere bezig met het uitlenen van personeel. In de periode van april 2008 tot en met augustus 2008 heeft zij personeel uitgeleend aan [gedaagde] waarvoor zij [gedaagde] heeft gefactureerd voor een bedrag van in totaal EUR 15.700,47 (inclusief BTW).

2.2. Bij mail van 5 juni 2009 aan [gedaagde] schrijft [A] van Atradius Collections (hierna: Atradius), het door A1 Personeelsdiensten ingeschakelde incassobureau:

“Refererend aan het gesprek d.d. 4 juni jl. bij ons op kantoor, bevestigen wij u hierbij het volgende.

Er is een bedrag overeengekomen tussen partijen groot EUR 15.000,00 ter finale kwijting heen en weer. Genoemd bedrag zult u voldoen op:

08-06-2009 EUR 5000.00

22-06-2009 EUR 5000.00

06-07-2009 EUR 5000.00

(…)”

2.3. In zijn mail van 16 juni 2009 aan [B] (controller van A1 Personeelsdiensten) schrijft [gedaagde]:

“Hierbij bericht ik je dat we de afspraak hebben dat het totale bedrag voor de bouwvak a.s. geregeld is.

Dit gaat ook gebeuren.

De termijnen die gesteld zijn zijn niet in ons overleg gebezigd.

Ik doe er alles aan om voor de bouwvak met jullie rond te zijn.”

2.4. Bij mail van 3 juli 2009 aan [gedaagde] schrijft [A]:

“Na overleg te hebben gehad met cliënt, de heer [C], doen wij u het volgende doen bevestigen.

Uiterlijk 24 juli a.s. dient het schikkingsbedrag groot EUR 15.000,00 bij ons binnen te zijn, indien dit niet het geval is zullen wij zonder tegenbericht overgaan tot uw faillissementsaanvraag.”

2.5. Op 24 juli 2009 betaalt [gedaagde] een bedrag van EUR 7.000,- aan A1 Personeelsdiensten.

2.6. In zijn mail van 14 september 2009 aan [gedaagde] schrijft [B]:

“Nu ik terug ben van vakantie constateer ik dat de laatste termijn van € 8.000,- die, na eerder uitstel, uiterlijk in de laatste week van de bouwvakantie plaats zou vinden, nog steeds niet is betaald.

Graag deze met spoed over maken om te vermijden dat we deze opnieuw uit handen moeten geven. (…)”

2.7. Medio september/oktober 2009 heeft een emailwisseling plaatsgevonden tussen [gedaagde] en [B]. Op 29 september 2009 schrijft [gedaagde] onder meer:

“Als je voor mij de terugcrediteren verzorgt voor het afgesproken (…)” (de rest van de tekst is weggevallen, toevoeging rechtbank).

In zijn antwoord van 1 oktober 2009 mailt [B]:

“De creditering wordt geregeld na betaling van de € 8.000,-. (…)”

In zijn antwoord daarop (de datum van de mail blijkt niet uit de processtukken) schrijft [gedaagde] aan [B] onder meer:

“Crediteer terug naar het overeengekomen bedrag, en je hebt per ommegaand het restant!”

Hoe sneller de creditnota’s in mijn bezit zijn hoe eerder we glad zijn!”

2.8. Op 28 november 2009 betaalt [gedaagde] een bedrag van EUR 1.500,- aan A1 Personeelsdiensten.

2.9. Op 10 november 2011 stuurt A1 Personeelsdiensten een creditfactuur aan [gedaagde]. In deze factuur wordt een bedrag van EUR 700,47 (inclusief BTW) gecrediteerd.

3. Het geschil

3.1. A1 Personeelsdiensten vordert veroordeling van [gedaagde] tot betaling van EUR 6.500,-, vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf 14 augustus 2008, buitengerechtelijke incassokosten van EUR 700,- en (na)kosten.

3.2. A1 Personeelsdiensten legt aan haar vorderingen ten grondslag dat zij met [gedaagde], nadat hij haar facturen niet had betaald, tijdens een bespreking op 5 juni 2009 in Ommen overeen is gekomen dat hij ter finale kwijting een bedrag van EUR 15.000,- in drie gedeelten zou betalen. Ter onderbouwing hiervan verwijst zij naar het mailbericht van Atradius van die datum (zie r.o. 2.2). [gedaagde] heeft zich niet aan deze regeling gehouden, aldus A1 Personeelsdiensten, omdat hij een bedrag van EUR 6.500,- (EUR 15.000,- minus EUR 7.000,- minus EUR 1.500,-) onbetaald heeft gelaten.

3.3. [gedaagde] voert verweer en concludeert tot het niet-ontvankelijk verklaren van A1 Personeelsdiensten althans tot het afwijzen van haar vorderingen.

3.4. Volgens [gedaagde] resteert een bedrag van EUR 3.233,31. Hij voert daartoe aan dat hij op 30 maart 2009 een bedrag van EUR 3.266,69 heeft betaald en verwijst daarvoor naar een bankafschrift en een (door hem als productie 4 in het geding gebracht) overzicht van Atradius van de vordering van A1 Personeelsdiensten. Tijdens de comparitie heeft [gedaagde] toegelicht dat op 5 juni 2009 een bedrag van EUR 15.000,- overeen is gekomen, maar dat hij heeft meegedeeld dat daarop het bedrag van EUR 3.233,69 in mindering zou worden gebracht. Atradius is daarmee akkoord gegaan, aldus [gedaagde]. Verder heeft [gedaagde] toegelicht dat hij tijdens de bespreking ook heeft meegedeeld dat hij niet wist of hij in drie termijnen zou kunnen betalen.

Tot slot stelt [gedaagde] dat hij betaling van het restantbedrag heeft achtergehouden, omdat A1 Personeelsdiensten hem geen creditfactuur heeft gestuurd (zie r.o. 2.7).

3.5. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Tussen partijen staat vast dat op 5 juni 2009 een regeling is getroffen over het bedrag dat [gedaagde] aan A1 Personeelsdiensten moest betalen. Zij twisten over de inhoud van de overeenkomst, namelijk over de hoogte van het te betalen bedrag. A1 Personeelsdiensten stelt dat afgesproken is dat [gedaagde] een bedrag van EUR 15.000,- zou betalen, waarbij al rekening is gehouden met zijn betaling van EUR 3.266,69 op 30 maart 2009.

Volgens [gedaagde] is overeengekomen dat deze betaling nog in mindering gebracht moet worden op het bedrag van EUR 15.000,-.

4.2. De rechtbank is van oordeel dat het op de weg van [gedaagde] had gelegen zijn verweer nader te onderbouwen, inhoudende dat partijen op 5 juni 2009 hebben afgesproken dat de betaling van EUR 3.266,69 in mindering zou worden gebracht op het bedrag van EUR 15.000,-. Bij dit oordeel betrekt zij in het bijzonder de niet nader door [gedaagde] weersproken stelling van A1 Personeelsdiensten dat het door [gedaagde] als productie 4 in het geding gebrachte overzicht al voor de bespreking aan [gedaagde] ter hand is gesteld. In dit overzicht is al rekening gehouden met de betaling van EUR 3.266,69 door [gedaagde].

Verder wijst de rechtbank erop dat het voor de hand had gelegen dat [gedaagde] gereageerd had op de mail van 5 juni 2010 van Atradius waarin de door A1 Personeelsdiensten gestelde afspraak is bevestigd dat hij een bedrag van EUR 15.000,- in drie termijnen zou betalen (zie r.o. 2.2) alsmede op het mailbericht van 3 juli 2009 waarin dit bedrag nog eens wordt genoemd (zie r.o. 2.4). Gesteld noch gebleken is dat [gedaagde] op enig moment te kennen heeft gegeven dat de hoofdsom van EUR 15.000,- niet juist is. Sterker: in zijn mail van 16 juni 2009 maakt [gedaagde] alleen bezwaar tegen de drie betalingstermijnen, maar niet tegen de hoogte van het bedrag (zie r.o. 2.3). In dit licht wijst de rechtbank er verder op dat ook de andere door [gedaagde] in het geding gebrachte mailcorrespondentie (zie r.o. 2.7) geen aanknopingspunten biedt voor zijn verweer. Deze mails hebben enkel betrekking op de door A1 Personeelsdiensten te versturen creditfactuur.

Tot slot betrekt de rechtbank bij haar oordeel de omstandigheid dat [gedaagde] na de bespreking van 5 juni 2009 nog tweemaal een betaling van in totaal EUR 8.500,- heeft gedaan (zie r.o. 2.5 en r.o. 2.8), zonder dat gesteld of gebleken is dat hij zich op het standpunt stelde dat de verschuldigde hoofdsom geen EUR 15.000,- maar EUR 11.733,31 bedraagt.

Het verweer van [gedaagde] wordt dan ook als onvoldoende onderbouwd verworpen. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen.

4.3. Dit leidt ertoe dat de rechtbank als juist aanneemt dat partijen overeen zijn gekomen dat [gedaagde] een bedrag van EUR 15.000,- aan A1 Personeelsdiensten zou betalen, bij welk bedrag al rekening is gehouden met de betaling door [gedaagde] van EUR 3.266,69. Dit oordeel brengt mee dat de vordering tot betaling van het restantbedrag van EUR 6.500,- in beginsel voor toewijzing in aanmerking komt.

4.4. [gedaagde] stelt ook als verweer dat hij gerechtigd is betaling van het restant op te schorten zolang A1 Personeelsdiensten hem geen creditfactuur stuurt. Hij voert daartoe aan dat hij vanuit fiscaal oogpunt gerechtigd is een dergelijke factuur te ontvangen. Tijdens de zitting heeft [gedaagde] toegelicht dat hij een creditfactuur nodig heeft voor het terugkrijgen van een deel van de door hem afgedragen omzetbelasting (BTW). Kennelijk heeft [gedaagde] met zijn verweer het oog op het bepaalde in artikel 19 van de Wet op de omzetbelasting 1968.

4.5. Voor het terugkrijgen van een deel van de afgedragen BTW is het nodig dat [gedaagde] redelijkerwijs kan aantonen dat de door hem betaalde vergoeding voor aan hem geleverde goederen of diensten verminderd is. In de regel volstaat daarvoor het aan de fiscus kunnen tonen van een creditfactuur. Zonder een dergelijke factuur is [gedaagde] genoodzaakt zelf of via zijn boekhouder of accountant contact met de fiscus op te nemen om aan de hand van de correspondentie tussen partijen aannemelijk te maken dat hij recht heeft op gedeeltelijke teruggave van door hem afgedragen omzetbelasting. Nog daargelaten dat niet vaststaat dat de fiscus in dat geval zou besluiten tot gedeeltelijke teruggave van de BTW, brengt dit onnodige kosten voor [gedaagde] mee. Onder deze omstandigheden was [gedaagde] op zichzelf gerechtigd zijn betalingsverplichtingen op te schorten, zoals hij medio september/oktober 2009 heeft gedaan (zie r.o. 2.7).

In dit licht wijst de rechtbank erop dat A1 Personeelsdiensten niet het verweer heeft gevoerd dat de opschorting door [gedaagde], gelet op het te crediteren bedrag, een disproportionele reactie is.

4.6. Na de comparitie heeft A1 Personeelsdiensten evenwel een creditfactuur aan [gedaagde] gestuurd (zie r.o. 2.9). Dit leidt ertoe dat de grondslag aan de opschorting door [gedaagde] is komen te ontvallen, zodat hij gehouden is het restantbedrag van EUR 6.500,- te betalen. De vordering van A1 Personeelsdiensten zal dan ook in zoverre worden toegewezen.

4.7. A1 Personeelsdiensten vordert de wettelijke handelsrente vanaf 14 augustus 2008. Volgens [gedaagde] is voor toewijzing van de handelsrente geen plaats, omdat A1 Personeelsdiensten drie jaren heeft gewacht met het instellen van haar vordering. Hiermee miskent [gedaagde] dat het de schuldeiser in beginsel vrij staat het moment te bepalen waarop zij de schuldenaar in rechte betrekt.

4.8. Tot slot stelt [gedaagde] zich op het standpunt dat A1 Personeelsdiensten de ingangsdatum van de rente onvoldoende heeft onderbouwd. Dit verweer slaagt. Nog daargelaten dat [gedaagde] ingevolge artikel 6:119a lid 4 in samenhang met artikel 6:59 van het Burgerlijk Wetboek (BW) vanaf het moment dat hij zijn betalingsverplichtingen gerechtvaardigd had opgeschort, geen wettelijke handelsrente verschuldigd is, heeft A1 Personeelsdiensten de datum van 14 augustus 2008 ook niet nader toegelicht.

4.9. Ingevolge artikel 6:119a lid 1 BW geldt als hoofdregel dat deze rente verschuldigd is met ingang van de dag volgend op de dag die is overeengekomen als de uiterste dag van betaling. Uitgaande van de juistheid van de stelling van A1 Personeelsdiensten dat [gedaagde] het bedrag van EUR 15.000,- in drie termijnen zou betalen (namelijk op respectievelijk 8 juni, 22 juni en 6 juli 2009), gaat de rechtbank ervan uit dat zij wilsovereenstemming hebben bereikt dat deze data hebben te gelden als uiterste termijn van betaling.

In haar mail van 3 juli 2009 schrijft Atradis namens A1 Personeelsdiensten evenwel dat het openstaande bedrag uiterlijk 24 juli 2009 moet zijn betaald (zie r.o. 2.4). Uit de mailcorrespondentie tussen partijen (zie r.o. 2.6 en r.o. 2.7) nadien blijkt dat ook aan deze datum niet de hand wordt gehouden. Onder deze omstandigheden is het fatale karakter van de (mogelijk) overeengekomen betaaltermijnen komen te vervallen. Omdat gesteld noch gebleken is dat partijen nadien op enig moment een fatale betalingstermijn overeen zijn gekomen, zal de wettelijke handelsrente worden toegewezen vanaf de dag van de dagvaarding (zijnde 10 mei 2011).

4.10. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke (incasso)kosten zal – mede gelet op de door deze rechtbank gevolgde aanbevelingen van het Rapport Voorwerk II – worden afgewezen. A1 Personeelsdiensten heeft namelijk niet gesteld dat kosten zijn gemaakt die betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een (niet aanvaard) schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De kosten waarvan A1 Personeelsdiensten vergoeding vordert, moeten dan ook worden aangemerkt als betrekking hebbend op verrichtingen waarvoor de proceskostenveroordeling wordt geacht een vergoeding in te sluiten.

4.11. Omdat elk van partijen op enig punt in het ongelijk is gesteld, zullen de proceskosten worden gecompenseerd op de hierna te vermelden wijze.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. veroordeelt [gedaagde] aan A1 Personeelsdiensten te betalen een bedrag van EUR 6.500,00 (zesduizend vijfhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119a BW over dit bedrag vanaf 10 mei 2011 tot de dag van volledige betaling,

5.2. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.3. compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.4. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.E. Heinemann en in het openbaar uitgesproken op 21 december 2011.?