Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BU8704

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
23-12-2011
Datum publicatie
27-12-2011
Zaaknummer
SBR 11-1968
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bouwleges. De Legesverordening wordt algeheel onverbindend verklaard en de legesnota wordt op nihil vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2012/94
V-N Vandaag 2012/310
FutD 2012-0015
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummer: SBR 11/1968

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] B.V.,

statutair gevestigd te [vestigingsplaats],

eiseres,

gemachtigden: mr. P.F. van der Muur en R. Froentjes,

en

de inspecteur van de gemeentelijke belastingen van de gemeente Amersfoort,

de verweerder,

gemachtigde: B.H.G. Jonker.

Inleiding

1.1 Bij beschikking van 21 april 2009 (factuurnummer 2009409393) heeft verweerder aan eiseres een aanslag gemeentelijke leges opgelegd van € 406.607,50. Verweerder heeft het door eiseres tegen deze beschikking gemaakte bezwaar bij uitspraak op bezwaar van 19 mei 2011 ongegrond verklaard. Eiseres heeft hiertegen beroep bij deze rechtbank ingesteld.

1.2 Het geding is behandeld ter zitting van 6 oktober 2011, waar eiseres en verweerder zijn vertegenwoordigd door hun gemachtigden.

Overwegingen

2.1 Aan eiseres is, op grond van de Verordening leges 2007 van de gemeente

Amersfoort en de daarbij behorende tarieventabel (hierna: de Legesverordening 2007), bij nota van 21 april 2009 een bedrag van € 406.607,50 aan leges in rekening gebracht wegens het in behandeling nemen van een door eiseres op 19 december 2007 ingediende aanvraag voor een reguliere bouwvergunning.

2.2 Uit de door verweerder overgelegde stukken, waaronder het verweerschrift en de zogeheten ‘Samenvatting Verordening Leges 2007, Gemeente Amersfoort’ (hierna: de Samenvatting Legesverordening), volgt dat verweerder de baten van de verschillende posten heeft geraamd. Blijkens het verweerschrift zijn de totaal geraamde baten begroot op

€ 6.799.522,-. De geraamde baten voor bouwvergunningen zijn gesteld op € 4.400.000,-. Als toelichting staat vermeld dat van elk product op begrotingsbasis de kostprijs is berekend en voor 100% is gedekt door de begrote inkomsten. Alleen de post, Dienstverlening, Informatie en Advies is slechts voor 87% gedekt door inkomsten en is geraamd op € 1.647.806,-.

Ter zitting heeft verweerder een toelichting op de begroting gegeven en verklaard dat de begrote kosten voor het jaar 2007 voor 100% zijn gedekt door de begrote baten. Weliswaar is de post Dienstverlening, Informatie en Advies voor 87% gedekt door de begrote baten, maar omdat bij andere onderdelen van de Legesverordening 2007 sprake is van een kostendekking van meer dan 100% is volgens verweerder het geheel 100% kostendekkend. De rechtbank zal dit tot uitgangspunt nemen.

2.3 In geschil is de verzonden legesnota. Het geschil spitst zich toe op de vraag of, en zo ja in hoeverre, de Legesverordening 2007 onverbindend is in verband met het bepaalde in artikel 229b van de Gemeentewet.

2.4 In artikel 229b, eerste lid, van de Gemeentewet is bepaald dat in verordeningen op grond waarvan rechten als bedoeld in artikel 229, eerste lid, onder a en b, van de Gemeentewet worden geheven, de tarieven zodanig worden vastgesteld dat de geraamde baten van de rechten niet uitgaan boven de geraamde lasten ter zake.

2.5 Bij de toetsing aan de opbrengstlimiet van artikel 229b van de Gemeentewet gaat het niet om het kostendekkingspercentage per dienst of groep van diensten maar om de baten en de lasten ter zake van alle diensten die in een verordening zijn geregeld. Voorts is niet vereist dat er een verband bestaat tussen de hoogte van de geheven leges enerzijds en de omvang van de verrichte werkzaamheden in verband met de geleverde dienst anderzijds.

2.6 Eiseres stelt primair dat de Legesverordening 2007 onverbindend is, omdat de geraamde baten in 2007 uitgaan boven de geraamde lasten. Volgens eiseres heeft de gemeente tal van kosten aan de Legesverordening 2007 toegerekend die hieraan niet mogen worden toegerekend. Als gevolg hiervan moet de uitspraak op bezwaar en de aanslag worden vernietigd.

Subsidiair stelt eiseres dat verweerder heeft gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Daarbij is gewezen op een bouwvergunning van het Meander Medisch Centrum. De daarbij verschuldigde leges van € 2,9 miljoen is verlaagd naar € 2 miljoen.

2.7 Eiseres heeft gesteld dat de geraamde opbrengsten met betrekking tot de posten genoemd in volgnummer 1 in de Samenvatting Legesverordening feitelijk onjuist zijn. Volgens eiseres bedragen deze baten niet, zoals hierin is vermeld

€ 4.400.000,--, maar 4.414.631,--. De rechtbank acht dit juist. Verweerder heeft op de zitting erkend dat bovengenoemde baten zijn geraamd op € 4.414.631,--. Deze baten zijn volgens verweerder in de begroting naar beneden afgerond tot € 4.400.000,-- . De rechtbank is van oordeel dat deze afronding naar beneden, op grond van artikel 229b van de Gemeentewet niet is toegestaan. De totaal geraamde baten dienen daarom te worden verhoogd met € 14.631,--.

2.8 Eiseres heeft gesteld dat een aantal met name genoemde posten niet kunnen worden aangemerkt als een “last ter zake”.

2.8.1 Volgens haar zijn de geraamde lasten bij bouwvergunningen voor een te hoog bedrag in de begroting opgenomen. Verweerder heeft niet onderbouwd hoe hij tot het aantal geraamde uren/werkzaamheden komt die zijn berekend bij de werkzaamheden aan een bouwvergunning. Uit de informatie van verweerder volgt dat de gemeente 34.062 uren heeft geraamd voor 1390 bouwvergunningen. Dat is 24,5 uur per bouwvergunning. Eiseres stelt dat deze raming buitensporig hoog is en dat verweerder uren aan deze kostenpost toerekent die in het geheel geen relatie hebben met de dienstverlening.

Eiseres stelt verder dat onder kostendrager 822.01 – waarin de kosten zijn opgenomen van de afdeling bouw- en woningtoezicht – kosten zijn opgenomen die niet allemaal zijn aan te merken als “kosten ter zake” bij bouwvergunningen. De uren die zijn gerekend voor handhaving, controle na de eerste controle en algemene werkzaamheden kunnen niet worden doorberekend.

Volgens eiseres dient daarom bij de post bouwvergunningen een bedrag van € 1.416.394,- (14.602 uren) uit de kostenberekening te worden geëlimineerd.

2.8.2.Verweerder geeft evenmin inzicht in de mate van doorbelasting van overheadkosten. Deze kosten moeten worden verlaagd met € 419.040,-.

2.8.3 Eiseres trekt tenslotte de aan de leges burgerzaken toegerekende kosten in twijfel. Volgens eiseres heeft de gemeente hierin tevens de kosten opgenomen voor het bijhouden van de Gemeentelijke Basisadministratie (GBA). Eiseres stelt zich op het standpunt dat dit niet is toegestaan omdat het een bij wet aan de gemeente opgedragen taak betreft. Deze kosten mogen daarom niet (volledig) worden verhaald op de individuele afnemers van de diensten uit de Legesverordening. Eiseres stelt dat de bij deze post geraamde lasten voor een te hoog bedrag in de begroting zijn opgenomen.

2.8.4 In totaal moeten volgens eiseres de geraamde kosten met € 1.835.434,- (€ 1.416.394,- en € 419.040,-) worden verlaagd.

2.9 Ingevolge het arrest van de Hoge Raad van 24 april 2009 (nr. 07/12961, LJN: BI1968) gelden (verzwaarde) eisen aan de motivering van de heffingsambtenaar indien gesteld wordt dat sprake is van een limietoverschrijding.

a. Indien een belanghebbende aan de orde stelt of de in artikel 229b, lid 1, van de

Gemeentewet bedoelde geraamde baten de in dat artikel bedoelde geraamde

“lasten ter zake” hebben overschreden, dient de heffingsambtenaar inzicht te verschaffen

in de desbetreffende ramingen.

b. Indien de belanghebbende ten aanzien van één of meer posten in de raming in twijfel

trekt of de post kan worden aangemerkt als een “last ter zake”, dient de

heffingsambtenaar nadere inlichtingen over deze post(en) te verstrekken, teneinde – naar

vermogen – deze twijfel weg te nemen.

c. Indien de belanghebbende niet stelt dat de in deze inlichtingen begrepen feitelijke

gegevens onjuist zijn, heeft de rechter slechts de rechtsvraag te beantwoorden of,

uitgaande van die feiten, de desbetreffende post kan worden aangemerkt als een “last ter

zake”. Bij ontkennende beantwoording van die vraag dient hij te beoordelen of daardoor

de opbrengstlimiet is overschreden.

d. Indien de belanghebbende wél stelt dat die feitelijke gegevens onjuist zijn, en de

heffingsambtenaar deze stelling van de belanghebbende betwist, komt bewijslevering

aan de orde. In dat geval draagt de belanghebbende de bewijslast van zijn stelling dat de

door de heffingsambtenaar verschafte feitelijke gegevens onjuist zijn, omdat die

onjuistheid een voorwaarde is voor het intreden van het rechtsgevolg dat hij inroept

(onverbindendheid van de verordening). Na bewijslevering dient de rechter, uitgaande

van de feiten die hij bewezen acht, de rechtsvraag te beantwoorden die hiervoor in c is

omschreven, en in het licht daarvan te beoordelen of de opbrengstlimiet is

overschreden.

2.10 De rechtbank overweegt dat van de gemeente in dit kader niet mag worden verlangd dat zij van alle in de Legesverordening 2007 en de daarbij behorende Tarieventabel opgenomen diensten afzonderlijk op controleerbare wijze vastlegt hoe zij de kosten ter zake heeft geraamd. Het vereiste inzicht in de ramingen kan worden verschaft op basis van de begroting of op basis van andere gegevens (Hoge Raad 16 april 2010, nr. 08/02001, LJN: BM1236). Zulks neemt niet weg dat, als het gaat om het wegnemen van twijfel, verweerder concreet op door eiseres genoemde posten dient in te gaan. In het licht van de hiervoor bedoelde bewijslastverdeling mag van verweerder meer worden verwacht om de gerezen twijfel weg te nemen dan het enkel naar voren brengen van stellingen omtrent de aard van de in twijfel getrokken posten. De rechtbank verwijst naar het arrest van het Hof Arnhem van 15 februari 2011, LJN:BP6699.

2.11 Ter zitting heeft verweerder verklaard dat hij niet weet of er bij de post burgerzaken wettelijke taken op grond van de GBA zijn doorberekend. Verweerder acht dit ook niet relevant, aangezien ten aanzien van het dienstonderdeel burgerzaken een kostendekking geldt van 87%. De rechtbank kan de verweerder hierin niet volgen, omdat deze uitleg strijdig is met de eerdere verklaring dat voor de Legesverordening 2007 als geheel sprake is van 100% kostendekking. Daarom valt niet in te zien dat het niet relevant is, of ten aanzien van de post burgerzaken kosten zijn toegerekend, die niet kunnen worden aangemerkt als “kosten ter zake”. Immers, indien zou blijken dat er kosten zijn toegerekend die niet als “kosten ter zake” kunnen worden aangemerkt dan dienen deze kosten te worden geëlimineerd. Het gevolg daarvan is, omdat sprake is van 100% kostendekking voor de Legesverordening 2007 als geheel, dat de begrote baten de begrote kosten overtreffen.

2.12 Ter zitting heeft verweerder bevestigd dat een deel van de onder bouwleges verantwoorde uren geen “kosten ter zake” zijn. Er werden onder de bouwleges uren verantwoord die feitelijk meer betrekking hadden op de overige vergunningen (€ 40.000) en op toezicht en inspectie (€ 76.900). Daarom is er voor een bedrag van € 116.900 uit de kostenbasis van de bouwleges overgeheveld naar de betreffende taken en geëlimineerd uit deze begroting. Verweerder heeft erop gewezen dat deze verantwoording ook is terug te vinden in de Samenvatting Verordening Leges 2007, die zich onder de stukken bevindt.

De rechtbank is gelet op deze uitleg van oordeel dat de verweerder met deze toelichting voldoende concreet is ingegaan op deze door eiseres in twijfel getrokken post. Ten aanzien van dit onderdeel heeft verweerder voldoende inzicht verschaft in de desbetreffende raming opgenomen kosten.

Eiseres heeft hierop ter zitting gereageerd en gesteld dat verweerder een groter bedrag dan

€ 116.900,-- had moeten elimineren, omdat er vanwege toezicht en handhaving meer niet-toerekenbare uren in de raming zijn opgenomen. Het is dan in beginsel aan eiseres om te bewijzen dat deze feitelijke gegevens onjuist zijn. Daarin is eiseres tot op heden niet geslaagd. Of aan eiseres de mogelijkheid geboden moet worden om hiervoor bewijs te leveren zal worden besproken in rechtsoverweging 2.17.

2.13 Ten aanzien van de geraamde uren (tijdbesteding) bij de bouwvergunningen en de overheadkosten is schriftelijk door verweerder geen inzicht verschaft. Ter zitting heeft verweerder desgevraagd verklaard dat de geraamde uren en de daarmee samenhangende kosten en de overheadkosten zijn berekend op basis van jarenlange ervaring met een complexe methodiek van toerekening die al jaren in de gemeente Amersfoort gangbaar is. Verweerder heeft geen verdere toelichting kunnen geven wat deze methodiek inhoudt. Ter zitting is door verweerder benadrukt dat hij niet meer informatie kan verstrekken dan hij nu heeft gedaan.

2.14 Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden gezegd dat de verweerder, met de verstrekte informatie over de geraamde uren bij bouwvergunningen en de geraamde overheadkosten, de bestaande twijfel naar vermogen heeft weggenomen. Verweerder heeft immers, met uitzondering van de gegeven toelichting genoemd in rechtsoverweging 2.12, geen enkel concreet gegeven overlegd om de twijfel weg te nemen over de vraag of het resterende door eiseres gestelde bedrag van € 1.718.534,- (€ 1.835.434,- minus € 116.900,-) kan worden aangemerkt als “lasten ter zake”. Nu verweerder geen nadere feitelijke gegevens heeft verstrekt kan in het onderhavige geval niet anders worden geconcludeerd dan dat de verweerder ten aanzien van de in genoemde posten niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van “lasten ter zake”. Daaruit volgt dat de opbrengstlimiet als bedoeld in artikel 229b, eerste lid, van de Gemeentewet is overschreden.

2.15 Vervolgens is de vraag of dit moet leiden tot een partiële of een algehele onverbindendheid van de Legesverordening 2007, (zie hiervoor Hoge Raad 10 april 2009, nr.43747,LJN:BC3691).

2.16 De rechtbank heeft geoordeeld dat verweerder niet aannemelijk heeft gemaakt dat tot het bedrag van € 1.718.534,- sprake was van “lasten ter zake”. Ook heeft verweerder niet gesteld op welke specifieke lasten de in dit bedrag begrepen posten bestrekking hebben en waarom dat “lasten ter zake” zouden zijn, althans het de gemeente(raad) niet op voorhand duidelijk moest zijn geweest dat de desbetreffende posten niet dienden ter dekking van de kosten waarvoor leges mochten worden geheven. Gelet op het vorenoverwogene acht de rechtbank aannemelijk dat het de gemeente(raad) op voorhand duidelijk moet zijn geweest dat de desbetreffende posten niet dienden ter dekking van de kosten waarvoor leges mochten worden geheven.

2.17 Het voorgaande betekent dat de geraamde baten moeten worden verhoogd met

€ 14.631,- en de geraamde kosten moeten worden verlaagd met € 1.718.534,-. Omdat hiermee de geraamde baten ook in betekende mate uitgaan boven het, voor dit beroep, gecorrigeerde bedrag van de geraamde lasten is de rechtbank van oordeel dat de Legesverordening 2007 in haar geheel onverbindend is. Daarmee komt de rechtbank niet meer toe aan bewijslevering door eiseres zoals overwogen in 2.12.

2.18 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de legesnota op nihil moet worden gesteld. De primaire beroepsgrond van eiseres slaagt. Het beroep is gegrond. De bestreden uitspraak op bezwaar zal worden vernietigd.

2.19 De subsidiaire beroepsgrond van eiseres kan gezien het voorgaande onbesproken blijven.

2.20 De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zelf in de zaak voorzien door de legesaanslag van 21 april 2009 te verminderen tot nihil en te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar.

2.21 Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, zal worden bepaald dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht ad € 302,-- vergoedt.

Daarnaast zal de rechtbank verweerder veroordelen in de door eiser in dit beroep en in bezwaar gemaakte proceskosten. Deze kosten zullen op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht forfaitair worden vastgesteld op € 1.748,--. (€ 437,-- per punt, beroepschrift

1 punt, verschijnen ter zitting 1 punt, bezwaarschrift 1 punt, verschijnen ter hoorzitting

1 punt, wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt de uitspraak op bezwaar van 19 mei 2011,

vermindert de legesaanslag van 21 april 2009 tot nihil en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde uitspraak op bezwaar,

bepaalt dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 302,-- vergoedt;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van dit beroep en het bezwaar ten bedrage van

€ 1.748,--, te betalen aan eiseres.

Aldus vastgesteld door mr. J.R. van Es- de Vries, als rechter, en in het openbaar uitgesproken op 23 december 2011.

De griffier: De rechter:

mr. B.H. van der Graaf mr. J.R. van Es- de Vries

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Arnhem (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.