Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BU8636

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
20-12-2011
Datum publicatie
21-12-2011
Zaaknummer
316174 / HARK 11-512
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wrakingszaak

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Zaaknummer / rekestnummer: 316174 / HARK 11-512

beslissing van de rechtbank Utrecht, meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingsverzoeken,

in de zaak van

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker, verder te noemen: [verzoeker],

tegen[X],

rechter in de sector bestuursrecht van deze rechtbank,

hierna te noemen: mr. [X].

1. De procedure

1.1 Onder registratienummer SBR 10/1248 is bij deze rechtbank, sector bestuursrecht,

een procedure aanhangig. De procedure betreft het door [verzoeker] ingestelde beroep tegen een besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente IJsselstein van 15 maart 2010, waarbij het primaire besluit tot het buiten behandeling stellen van de aanvraag van 6 november 2009 voor een uitkering ingevolge de Wet werk en Bijstand, is gehandhaafd.

1.2 Bij brief van 24 november 2011 heeft [verzoeker] een verzoek tot wraking ingediend, gericht tegen de rechter die zijn zaak ter zitting van 29 november 2011 zou gaan behandelen.

1.3 Mr. [X] heeft niet in de wraking berust. Zij heeft op 1 december 2011 schriftelijk op het wrakingsverzoek gereageerd.

1.4 Verzoeker en de rechter zijn door de griffier van deze rechtbank opgeroepen voor de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek op 6 december 2011.

1.5 Het verzoek tot wraking is behandeld op de openbare zitting van 6 december 2011.

[verzoeker] is niet ter zitting verschenen. Mr. [X] is niet verschenen, zoals zij in haar schriftelijke reactie heeft meegedeeld.

2. Het verzoek tot wraking

Het verzoek strekt tot wraking van de rechter die zich met de besluitvorming heeft

ingelaten ten aanzien van het niet verlenen van het door [verzoeker] gevraagde uitstel van de behandeling van het beroep op de zitting van 29 november 2011. Deze zittingsdatum is hem bij brief van 4 november 2011 meegedeeld. Met een dergelijke oproeptermijn van 25 dagen wordt afgeweken van de oproeptermijn van zes weken zoals vastgelegd in de Procesregeling Bestuursrecht. [verzoeker] is verhinderd op 29 november 2011 en bovendien acht hij de tijd tussen de schriftelijke oproep en de behandeling van zijn zaak te kort om de zitting voor te bereiden. Voorts is ten onrechte geen uitstel verleend, terwijl standaard tot uitstel wordt overgegaan indien daar binnen zeven dagen na kennisgeving van de zitting om is verzocht en dat was hier het geval. Met de van de regels afwijkende datumbepaling van 25 dagen voor de geplande zitting en de weigering tot standaard uitstel van de zitting terwijl binnen zeven dagen daarom is verzocht, is er goede grond de behandeld rechter te wraken wegens bevooroordeelde en subjectieve rechtspraak, aldus verzoeker.

3. Het standpunt van de rechter

Mr. [X] heeft niet berust in de wraking. Zij heeft erop gewezen dat op 3 november 2011 tussen een medewerker bij de sector Bestuursrecht van de rechtbank en de gemachtigde van [verzoeker], mr. Adank, telefonisch contact is geweest waarbij de datum voor de behandeling van het beroep is vastgesteld op 29 november 2011. Deze datum is bij brief van 4 november 2011 aan mr. Adank bevestigd. Het door mr. Adank bij fax van 14 november 2011 ingediende verzoek om uitstel van de zitting is afgewezen, gelet op de omstandigheid dat de datum van 29 november 2011 op 3 november 2011 in samenspraak met mr. Adank was bepaald en daarnaast niet is gebleken van uitzonderlijke omstandigheden. Daarmee is niet in strijd met de Procesregeling Bestuursrecht gehandeld. Evenmin kan deze handelwijze aanknopingspunt zijn om aan haar onpartijdigheid in deze zaak te twijfelen.,aldus mr. [X].

4. Beoordeling

4.1 De rechtbank overweegt dat voor de beoordeling van dit wrakingsverzoek de toepasselijke norm is gegeven in artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dat artikel bepaalt dat op verzoek van een partij de rechter die een zaak behandelt, kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

Voor de beoordeling van het wrakingsverzoek wordt de toepasselijke norm voorts gegeven door artikel 6 van het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens, dit alles in samenhang met de door de Hoge raad en door het Europese Hof voor de Rechten van de Mens ontwikkelde criteria. Van een gebrek aan onpartijdigheid kan, geheel afgezien van de persoonlijke instelling van de betrokken rechter, ook sprake zijn, indien objectief bepaalde feiten of omstandigheden de rechtzoekende grond geven te vrezen dat het de rechter in die omstandigheden aan onpartijdigheid ontbreekt.

4.2 Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de

rechter in de hiervoor bedoelde zin dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens de verdachte een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij de verdachte bestaande vrees dienaangaande objectief gerechtvaardigd is.

4.3 Er zijn geen feiten en/of omstandigheden gesteld dan wel gebleken op grond

waarvan thans geoordeeld dient te worden dat er sprake is van persoonlijke vooringenomenheid van mr. [X] jegens [verzoeker]. Te onderzoeken staat vervolgens of de aangevoerde of overigens naar voren gekomen omstandigheden, voor zover aannemelijk geworden, niettemin een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de bij [verzoeker] dienaangaande bestaande vrees dat mr. [X] jegens [verzoeker] een vooringenomenheid koestert - objectief - gerechtvaardigd is.

4.4 De rechtbank overweegt dat de beslissing om een zaak ter zitting te gaan behandelen dan wel de behandeling van een zaak (op verzoek) aan te houden een processuele beslissing is. Een als negatief ervaren procesbeslissing is in het algemeen geen grond voor toewijzing van een verzoek tot wraking van de rechter die de beslissing tot afwijzing van zijn verzoek tot uitstel heeft gegeven. Alleen indien die beslissing dermate onbegrijpelijk is dat deze een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat de rechter jegens verzoeker vooringenomenheid koestert, althans dat de bij verzoeker dienaangaande bestaande vrees voor een dergelijke vooringenomenheid naar objectieve maatstaven gerechtvaardigd is, kan dit tot een ander oordeel leiden.

4.5 Van een dergelijke onbegrijpelijkheid is geen sprake. Er zijn geen feiten of omstandigheden gesteld of gebleken waaruit kan worden geconcludeerd dat de afwijzing van het verzoek om uitstel van de zitting doet twijfelen aan de onpartijdigheid van mr. [X]. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat volgens de Procesregeling bestuursrecht van de oproepingstermijn van zes weken kan worden afgeweken en dat de datum waarop de zitting zou plaatsvinden, 29 november 2011, bovendien in overleg met de gemachtigde van [verzoeker] op 3 november 2011 is vastgesteld. Gelet op de Procesregeling bestuursrecht stemt de rechtbank in het geval een zittingsdatum is afgestemd met partijen, alleen met een verzoek tot uitstel in als sprake is van uitzonderlijke omstandigheden. [verzoeker] heeft geen argumenten aangedragen waaruit volgt dat de beslissing van mr. [X] dat de door [verzoeker] genoemde omstandigheden niet kunnen worden aangemerkt als uitzonderlijke omstandigheden, getuigt van vooringenomenheid.

4.6 De wraking is mitsdien ongegrond. Het verzoek wordt afgewezen.

5. Beslissing

De rechtbank

5.1. wijst het verzoek tot wraking van mr. [X] af.

5.2. draagt de griffier op deze beslissing aan [verzoeker], mr. Adank en mr. [X] toe te zenden, alsmede aan de sectorvoorzitter van de sector bestuursrecht en de president van deze rechtbank.

Deze beslissing is gegeven door mr. J. Sap, voorzitter, mr. M. ter Brugge en

mr. P.S. Elkhuizen-Koopmans, leden van de wrakingskamer, en in het openbaar uitgesproken op 20 december 2011, in het bijzijn van de griffier mr. M.S.D. de Weerd.