Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BU8604

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
19-12-2011
Datum publicatie
20-12-2011
Zaaknummer
16/992016-11 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Onderzoek bankstel. Medeplegen valsheid in geschrift. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 60 uur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/992016-11 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 19 december 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1970] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

raadsman mr. K. Tunc, advocaat te Hardenberg.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 14 november 2011, 16 november 2011 en 18 november 2011, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten ter terechtzitting van 5 december 2011.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. De gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

samen met een ander of anderen valsheid in geschrift heeft gepleegd.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen reden is voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en baseert zich daarbij op de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte niet de overeenkomst getiteld ‘overdracht van directie en administratie van [bedrijf 1] aan de heer [verdachte] en mevrouw [medeverdachte 2]’ heeft ondertekend.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

De vindplaatsvermeldingen die in de navolgende overwegingen voorkomen, verwijzen naar de schriftelijke stukken die als bijlage zijn opgenomen in het proces-verbaal van de FIOD, dossiernummer 46319, kantoor Utrecht, opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2].

Het bewijs

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het hem tenlastegelegde feit heeft begaan op grond van het navolgende.

In het dossier bevindt zich de overeenkomst getiteld ‘overdracht van directie en administratie van [bedrijf 2] aan de heer [verdachte] en mevrouw [medeverdachte 2]’ gedateerd op 27 mei 2009. Deze overeenkomst is – onder anderen – ondertekend door verdachte. Zijn handtekening en de andere handtekeningen onder deze overeenkomst zijn gelegaliseerd door notaris mr. [notaris] te [plaats] op 27 mei 2009.

In de overeenkomst is opgenomen dat verdachte verklaart dat alleen hij en [medeverdachte 2] de feitelijke leiding hebben gehad over [bedrijf 2] vanaf 2 juli 2008. Tevens is in de overeenkomst opgenomen dat vanaf 2 juli 2008 alleen verdachte en [medeverdachte 2] de volledige inzage in de administratie van [bedrijf 2] hebben gehad. Verder is op de laatste (vierde) pagina van deze overeenkomst opgenomen dat de complete administratie door verdachte is ontvangen.

Medeverdachte [medeverdachte] heeft verklaard dat hij deze overeenkomst heeft opgemaakt. Hij heeft ook verklaard dat hij feitelijk leidinggevende was van [bedrijf 2] in de periode van 2 juli 2008 tot 27 mei 2009.

Verdachte heeft verklaard dat hij een keer bij de notaris is geweest voor [bedrijf 2] en daar heeft getekend. Verdachte heeft erkend dat hij het betreffende document heeft getekend. Hij verklaart ook dat hij heeft getekend voor het in ontvangst nemen van de boekhouding van [bedrijf 2], maar dat hij die boekhouding nooit heeft ontvangen.

Verdachte heeft ook verklaard dat hij nooit activiteiten heeft verricht in [bedrijf 3]

Overwegingen met betrekking tot het bewijs

Op grond van bovengenoemde feiten en omstandigheden - in onderling verband en samenhang bezien - komt de rechtbank tot het oordeel dat verdachte door het - met anderen - zetten van zijn parafen en handtekening onder deze overeenkomst een valse overeenkomst heeft opgesteld. De tekst van de overeenkomst is opgesteld door medeverdachte [medeverdachte] en verdachte heeft door het zetten van zijn handtekening met de inhoud van de overeenkomst ingestemd en de onderhandse overeenkomst vervolmaakt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte hierdoor de overeenkomst mede opgemaakt.

Verdachte heeft verklaard dat hij het stuk voor het zetten van zijn handtekeningen niet of nauwelijks heeft doorgelezen. Door op die manier te handelen heeft verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat het stuk dat hij tekende niet naar waarheid was opgesteld en was zijn opzet in voorwaardelijke vorm gericht op de valsheid. De rechtbank stelt dus vast dat verdachte opzettelijk heeft gehandeld.

De rechtbank overweegt dat de overeenkomst een onderhandse akte betreft. Een dergelijk stuk is naar zijn aard bedoeld om te dienen tot het bewijs van hetgeen is overeengekomen door degenen die bij de overeenkomst zijn betrokken. Verdachte en de medeverdachten hadden het oogmerk die overeenkomst als echt en onvervalst te gebruiken en door anderen te doen gebruiken.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

in de periode van 1 mei 2009 tot en met 31 mei 2009 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen een geschrift te weten

- de overeenkomst getiteld 'overdracht van directie en administratie van [bedrijf 2] aan de heer [verdachte] en mevrouw [medeverdachte 2]' d.d. 27 mei 2009 zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen valselijk heeft opgemaakt, immers hebben hij, verdachte en zijn mededaders, valselijk en in strijd met de waarheid in die overeenkomst opgenomen dat hij, verdachte, en [medeverdachte 2] met ingang van 2 juli 2008 de feitelijk leidinggevers waren en beschikking hadden over de volledige administratie van [bedrijf 2] terwijl in werkelijkheid [medeverdachte] feitelijk leidinggever was van [bedrijf 2] en hij, verdachte en [medeverdachte 2] niet de beschikking hadden over de volledige administratie van [bedrijf 2], zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op:

Medeplegen van valsheid in geschrift.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een werkstraf voor de duur van 72 uren.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft ten aanzien van de strafoplegging opgemerkt dat verdachte een eigen onderneming is gestart en dat een werkstraf niet te combineren is met zijn werkzaamheden.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift. Hiermee heeft verdachte misbruik gemaakt van het vertrouwen dat in het maatschappelijk verkeer pleegt te worden gesteld in schriftelijke stukken met bewijsbestemming. Dit rekent de rechtbank verdachte zwaar aan.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank rekening gehouden met een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 18 mei 2011, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten.

De rechtbank overweegt met betrekking tot de eis van de officier van justitie dat verdachte een transactievoorstel heeft gekregen van 60 uur. De rechtbank is van oordeel dat verdachte het recht heeft zijn zaak door een rechter te laten beoordelen zonder dat dit gevolgen heeft voor de hoogte van de op te leggen straf.

Alles afwegend komt de rechtbank tot de conclusie dat een werkstraf van 60 uur een passende straf is voor het bewezen verklaarde feit.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 22c, 22d, 47 en 225 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Medeplegen van valsheid in geschrift;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 60 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 30 dagen.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.P. den Otter, voorzitter, mr. J.M. Bruins en mr. M.S. Koppert, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R. Willemsen, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 19 december 2011.