Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BU8603

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
19-12-2011
Datum publicatie
20-12-2011
Zaaknummer
16/992010-11 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Onderzoek bankstel. De rechtbank acht verdachte schuldig aan het opzettelijk niet doen van belastingaangifte en medeplegen van valsheid in geschrift. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 150 uur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/992010-11 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 19 december 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1948] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

raadsman mr. F. van der Meij, advocaat te Amsterdam.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 14 november 2011, 15 november 2011, 16 november 2011 en 18 november 2011, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Het onderzoek ter terechtzitting is gesloten op 5 december 2011.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. De gewijzigde .tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: opdracht heeft gegeven tot dan wel feitelijke leiding heeft gegeven aan het opzettelijk niet doen van aangiften omzetbelasting door [bedrijf];

Feit 2: samen met een ander of anderen valsheid in geschrift heeft gepleegd.

3 De voorvragen

De geldigheid van de dagvaarding

De raadsman heeft ter terechtzitting nietigheid van de dagvaarding ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde feit bepleit, omdat dit feit een ‘obscuur libel’ zou bevatten of zou zijn. De raadsman heeft niet aangegeven waar deze onduidelijkheid – zoals de rechtbank dit verweer begrijpt – in bestaat. De rechtbank is van oordeel dat de ten laste legde feiten in de dagvaarding begrijpelijk en voldoende feitelijk zijn omschreven. De rechtbank acht de tenlastelegging dan ook geldig.

De rechtbank heeft verder vastgesteld dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen reden is voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte beide ten laste gelegde feiten heeft begaan en baseert dit standpunt op de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen omdat geen bewijs in het dossier is te vinden waaruit zou blijken dat verdachte gedurende zijn bestuurderschap van een beperkt aantal maanden op enigerlei wijze betrokken is geweest bij het geven van opdrachten ter zake van verboden gedragingen dan wel daaraan feitelijke leiding heeft gegeven.

Ten aanzien van feit 2 is er evenmin bewijs waardoor vrijspraak dient te volgen, aldus de raadsman.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

De vindplaatsvermeldingen die in de navolgende overwegingen voorkomen, verwijzen naar de schriftelijke stukken die als bijlage zijn opgenomen in het proces-verbaal van de FIOD, kantoor Utrecht, dossiernummer 46319, opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2].

Het bewijs ten aanzien van feit 1

De rechtbank acht op grond van het navolgende wettig en overtuigend bewezen dat [bedrijf] opzettelijk geen aangiften omzetbelasting heeft gedaan en dat verdachte daaraan feitelijke leiding heeft gegeven.

[bedrijf] is in de tenlastegelegde periode ingevolge artikel 6 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) door de inspecteur telkens uitgenodigd tot het doen van belastingaangifte. Ingevolge artikel 8 van de AWR is eenieder die is uitgenodigd tot het doen van aangifte, ook gehouden aangifte te doen. Op grond van het bovenstaande wordt [bedrijf] dan ook telkens als aangifteplichtige inzake de Wet op de omzetbelasting aangemerkt.

[bedrijf] was gevestigd in Nijmegen. [bedrijf] beschikte - onder meer- over ING-bankrekening [rekeningnummer]. In het eerste kwartaal 2010 werden op ING-bankrekening [rekeningnummer] bedragen bijgeschreven van in totaal € 1.743.062,--. In het tweede kwartaal 2010 werd op deze rekening een totaalbedrag bijgeschreven van € 1.629.187,--. Deze geldbedragen betreffen omzet, bestaande uit pintransacties, aan- en/of afbetalingen en contante stortingen.

Met betrekking tot het eerste en het tweede kwartaal 2010 is [bedrijf] uitgenodigd tot het doen van aangifte omzetbelasting, uiterlijk op 30 april 2010 respectievelijk 31 juli 2010.

[bedrijf] heeft met betrekking tot het eerste en tweede kwartaal 2010 geen aangifte omzetbelasting gedaan.

Verdachte is van 9 april 2010 tot en met 27 augustus 2010 bestuurder geweest van [bedrijf] Verdachte heeft verklaard dat hij zich als bestuurder van [bedrijf] heeft laten inschrijven bij de Kamer van Koophandel. Verdachte heeft verklaard dat dit een vriendendienst was voor [medeverdachte]. Verdachte wist dat hij in principe verantwoordelijk was voor het doen van aangifte van omzetbelasting in de periode dat hij bestuurder was.

Bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 1

Voor de beoordeling van de vraag of verdachte opdracht heeft gegeven tot dan wel dat hij feitelijke leiding heeft gegeven aan de aan [bedrijf] ten laste gelegde gedragingen, neemt de rechtbank de in de jurisprudentie van de Hoge Raad ontwikkelde criteria als uitgangspunt. Van feitelijk leidinggeven aan verboden gedragingen kan onder omstandigheden sprake zijn indien de desbetreffende functionaris - hoewel daartoe bevoegd en redelijkerwijs gehouden - maatregelen ter voorkoming van deze gedragingen achterwege laat en bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat de verboden gedragingen zich zullen voordoen. In deze situatie wordt de functionaris geacht opzettelijk de verboden gedragingen te bevorderen. Uit deze jurisprudentie kan voorts worden afgeleid dat de bewuste aanvaarding van de aanmerkelijke kans zich kan voordoen indien hetgeen de verdachte bekend was omtrent het begaan van strafbare feiten door de rechtspersoon rechtstreeks verband houdt met de ten laste gelegde feiten.

Verdachte was in de ten laste gelegde periode bestuurder van [bedrijf] en was derhalve in beginsel gehouden tot het doen van aangiften omzetbelasting, tenzij er omstandigheden waren waaruit blijkt dat verdachte daar niet toe gehouden was.

Verdachte heeft verklaard dat hij wist dat hij verantwoordelijk was voor het doen van aangiften van omzetbelasting door [bedrijf] In zoverre onderscheidt verdachte zich van andere medeverdachten in deze strafzaak. Verdachte heeft verklaard dat hij erop vertrouwde dat [medeverdachte] de belastingaangiften deed, maar heeft nooit gecontroleerd of dit daadwerkelijk gebeurde. De rechtbank is van oordeel dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zich de verboden gedraging zich zou voordoen. Verdachte heeft bewust maatregelen ter voorkoming van eventuele verboden gedragingen achterwege gelaten, terwijl hij wist dat de kans dat er zich verboden gedragingen zouden voordoen groot was, omdat verdachte fungeerde als bestuurder op papier om te verhullen dat [medeverdachte] de bestuurder van de BV was.

Het bewijs ten aanzien van feit 2

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte valsheid in geschrift heeft gepleegd en baseert zich daarbij op het navolgende.

In het dossier bevindt zich de overeenkomst getiteld ‘overdracht van directie en administratie van [bedrijf] aan de heer [medeverdachte 2]’ gedateerd op 17 augustus 2010. Deze overeenkomst is – onder anderen – ondertekend door verdachte. De handtekening van [medeverdachte 2] is op 20 augustus 2010 gelegaliseerd door notaris [notaris] te [plaats] en de handtekening van [verdachte] is op 17 augustus 2010 gelegaliseerd door notaris mr. K.J. van de Kamp te Arnhem.

In de overeenkomst is opgenomen dat [medeverdachte 2] feitelijke leiding heeft gehad over [bedrijf] vanaf 20 februari 2009. Tevens is in de overeenkomst opgenomen dat vanaf 20 februari 2009 alleen [medeverdachte 2] de volledige inzage in de administratie van [bedrijf] had. Verder is in deze overeenkomst opgenomen dat de complete administratie door [medeverdachte 2] is ontvangen van de voorgaande bestuurder [verdachte].

Medeverdachte [medeverdachte] heeft verklaard dat hij de overeenkomst heeft opgemaakt. Hij heeft ook verklaard dat hij feitelijk leidinggevende was van [bedrijf] in de periode van 20 februari 2009 tot 9 april 2010. Verdachte heeft verklaard dat hij bij de notaris iets moest tekenen voor [medeverdachte]. Medeverdachte [medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij niet weet welke activiteiten [bedrijf] verricht en dat hij geen werkzaamheden heeft verricht voor [bedrijf]

Bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 2

Op grond van bovengenoemde feiten en omstandigheden - in onderling verband en samenhang bezien - komt de rechtbank tot het oordeel dat verdachte samen met anderen een valse overeenkomst heeft opgesteld. De tekst van de overeenkomst is opgesteld door medeverdachte [medeverdachte] en verdachte heeft door het zetten van zijn handtekening met de inhoud van de overeenkomst ingestemd en de onderhandse overeenkomst vervolmaakt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte hierdoor de overeenkomst mede heeft opgemaakt.

De rechtbank overweegt dat de overeenkomst een onderhandse akte betreft. Een dergelijk stuk is naar zijn aard bedoeld om te dienen tot het bewijs van hetgeen is overeengekomen door degenen die bij de overeenkomst zijn betrokken. Verdachte en zijn medeverdachten hadden het oogmerk die overeenkomst als echt en onvervalst te gebruiken en door anderen te doen gebruiken.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

[bedrijf] op een tijdstip in de periode van 24 juni 2010 tot en met 7 september 2010 te Nijmegen en/of elders in Nederland opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene Wet op inzake rijksbelastingen, te weten een aangifte voor de Omzetbelasting over het tweede kwartaal 2010 ten name van [bedrijf] niet heeft gedaan, zulks terwijl dat feit ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven

aan welke verboden gedraging hij, verdachte, en zijn mededader feitelijke leiding hebben gegeven;

2.

in de periode van 1 augustus 2010 tot en met 30 augustus 2010 in Nederland tezamen en in vereniging met anderen een geschrift, te weten

- de overeenkomst getiteld 'overdracht van directie en administratie van [bedrijf] aan de heer [medeverdachte 2]' d.d. 17 augustus 2010 zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen valselijk hebben opgemaakt, immers hebben hij, verdachte en zijn mededaders valselijk en in strijd met de waarheid in die overeenkomst opgenomen dat [medeverdachte 2] met ingang van 20 februari 2009 de feitelijk leidinggever was en beschikking had over de volledige administratie van [bedrijf], terwijl in werkelijkheid hij, verdachte, en zijn mededader feitelijk leidinggevers waren van [bedrijf], zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken en door anderen te doen gebruiken.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Feit 1: Opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte niet doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging;

Feit 2: Medeplegen van valsheid in geschrift.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een werkstraf voor de duur van 240 uren en een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden voorwaardelijk.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat – in het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt – de eis van de officier van justitie niet begrijpelijk is, omdat onduidelijk is waarom de verkoop van de woning aan de [adres] aan de ouders van [medeverdachte] kan bijdragen aan de onderbouwing van de straf, en ditzelfde argument geldt ten aanzien van de leaseauto die aan verdachte beschikbaar is gesteld door [medeverdachte]. Voorts berust de nadeelberekening niet op een feitelijke grondslag, aldus de raadsman.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan belastingfraude. Doordat door [bedrijf] aan de belastingdienst geen aangifte omzetbelasting werd gedaan is te weinig omzetbelasting door deze vennootschap afgedragen en is de fiscus fors benadeeld. Verdachte heeft aan dit strafbare feit, gepleegd door de rechtspersoon waarvan hij bestuurder is geworden, feitelijk leidinggegeven en heeft naar aanleiding hiervan persoonlijk materieel voordeel genoten. Ter zitting heeft hij immers verklaard dat hij voor deze ‘vriendendienst’ enkele meubels heeft gekregen en voorts van zijn medeverdachte een auto ter beschikking kreeg. Verdachte heeft zich aldus verrijkt terwijl een strafbaar feit werd gepleegd dat ten koste ging van de gemeenschap.

Verdachte heeft zich tevens schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift. Hiermee heeft verdachte misbruik gemaakt van het vertrouwen dat in het maatschappelijk verkeer pleegt te worden gesteld in schriftelijke stukken met bewijsbestemming. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank rekening gehouden met een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 18 mei 2011 waaruit blijkt dat verdachte niet recentelijk voor soortgelijke feiten is veroordeeld.

Alles afwegende acht de rechtbank een werkstraf van 150 uren passend en geboden.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 22c, 22d, 47, 51, 57 en 225 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 68 en 69 uit de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Voorvragen

- verklaart de dagvaarding geldig;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Feit 1: Opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte niet doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging;

Feit 2: Medeplegen van valsheid in geschrift;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 150 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 75 dagen.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.P. den Otter, voorzitter, mr. J.M. Bruins en mr. M.S. Koppert, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R. Willemsen, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 19 december 2011.