Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BU8576

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
19-12-2011
Datum publicatie
20-12-2011
Zaaknummer
16/992014-11 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Onderzoek bankstel. Medeplegen valsheid in geschrift. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 120 uur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/992014-11 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 19 december 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1972] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

raadsman mr. C.C. Polat, advocaat te Breukelen.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzittingen van 14 november 2011,

16 november 2011 en 18 november 2011, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Het onderzoek ter terechtzitting is gesloten op 5 december 2011.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

samen met een ander of anderen valsheid in geschrift heeft gepleegd.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak en dat er geen reden is voor schorsing van de vervolging.

3.1 De ontvankelijkheid van de officier van justitie

De raadsman heeft aangevoerd dat de officier van justitie niet ontvankelijk is in de vervolging, omdat verdachte als feitelijke leidinggever van [bedrijf 1] ter zake van oplichting wordt vervolgd in het arrondissement Leeuwarden. Dit levert een doelbewuste en grote veronachtzaming van de belangen van verdachte op, waardoor de beginselen van een goede procesorde in ernstige mate zijn geschonden, aldus de raadsman.

De officier van justitie heeft aangevoerd dat de periode waarvoor verdachte wordt vervolgd in Leeuwarden een andere periode betreft dan de periode van onderhavig feit. Voorts heeft de officier van justitie aangevoerd dat de zaak in Leeuwarden een ander feitencomplex betreft en dat het de officier van justitie vrij staat om verdachte daarvoor te vervolgen. De officier van justitie ziet geen reden voor een niet-ontvankelijkverklaring.

De rechtbank is van oordeel dat hetgeen de raadsman heeft aangevoerd niet kan leiden tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in de vervolging, nu niet gebleken is dat ernstig inbreuk is gemaakt op de beginselen van een behoorlijke procesorde waarbij doelbewust of met grove veronachtzaming de belangen van verdachte, aan zijn recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak zijn geschonden. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte valsheid in geschrift heeft gepleegd en baseert zich daarbij op de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft ten aanzien van het bewijs geen verweer gevoerd.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

De vindplaatsvermeldingen die in de navolgende overwegingen voorkomen, verwijzen naar de schriftelijke stukken die als bijlage zijn opgenomen in het proces-verbaal van de FIOD, kantoor Utrecht, dossiernummer 46319, opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2].

Het bewijs

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het hem tenlastegelegde heeft begaan op grond van het navolgende.

In het dossier bevindt zich de overeenkomst getiteld ‘overdracht van directie en administratie van [bedrijf 2] aan de heer [verdachte]’ gedateerd van 30 juli 2008. Deze overeenkomst is – onder anderen – ondertekend door verdachte. Zijn handtekening en de andere handtekeningen onder deze overeenkomst zijn gezet in tegenwoordigheid van notaris mr. [notaris] te [plaats] op 30 juli 2008. Een kopie van het legitimatiebewijs van verdachte en van de medeverdachten [medeverdachte] en [medeverdachte 2] zijn als bijlagen bij de overeenkomst gevoegd.

In de overeenkomst is – onder meer – opgenomen dat verdachte feitelijke leiding heeft gehad over [bedrijf 2] vanaf 2 juli 2007. Tevens is in de overeenkomst opgenomen dat alleen verdachte met ingang van 2 juli 2007 de volledige inzage in de administratie van [bedrijf 2] heeft gehad.

Medeverdachte [medeverdachte] heeft verklaard dat hij de overeenkomst heeft opgemaakt. Hij heeft verklaard dat de tekst standaard in zijn computer staat en dat hij het contract steeds aanpast naar gelang de situatie. Hij heeft ook verklaard dat hij feitelijk leidinggevende was van [bedrijf 2] van 14 juni 2007 tot 1 juli 2008. Voorts heeft medeverdachte [medeverdachte 2] verklaard dat zij verdachte niet kent en hem alleen bij de notaris heeft ontmoet.

Verdachte heeft verklaard dat hij vijfhonderd euro heeft gekregen om [bedrijf 2] op zijn naam te zetten, dat hij één keer in [plaats] is geweest en dat hij geen werkzaamheden voor de BV wilde gaan verrichten of heeft verricht. Verder heeft hij verklaard dat hij niet weet op welk adres de administratie van [bedrijf 2] wordt gevoerd en dat hij geen administratie heeft gevoerd. Hij weet niet wie dat wel doet. Verdachte kent de namen [medeverdachte] en [medeverdachte 2] niet.

Overwegingen met betrekking tot het bewijs

Op grond van bovengenoemde feiten en omstandigheden - in onderling verband en samenhang bezien - komt de rechtbank tot het oordeel dat verdachte door het – met anderen – zetten van handtekeningen onder deze overeenkomst een valse overeenkomst heeft opgesteld. De tekst van de overeenkomst is opgesteld door medeverdachte [medeverdachte] en verdachte heeft door het zetten van zijn handtekening met de inhoud van de overeenkomst ingestemd en de onderhandse overeenkomst vervolmaakt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte hierdoor de overeenkomst mede opgemaakt.

Een dergelijk stuk is naar zijn aard bedoeld om te dienen tot het bewijs van hetgeen is overeengekomen door degenen die bij de overeenkomst zijn betrokken. Verdachte en zijn medeverdachten hadden het oogmerk die overeenkomst als echt en onvervalst te gebruiken en door anderen te doen gebruiken. De rechtbank overweegt dat de overeenkomst een onderhandse akte betreft.

Op grond van hiervoor genoemd bewijs is vast komen te staan dat verdachte niet de feitelijk leidinggever is geweest van [bedrijf 2] vanaf 2 juli 2007.

Gedeeltelijke vrijspraak

De rechtbank heeft op grond van vorenstaande niet kunnen vaststellen dat geen administratie is overgedragen aan verdachte. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij zich dit niet kan herinneren. Medeverdachte [medeverdachte] heeft verklaard dat de administratie is overgedragen aan de heer [medeverdachte 3]. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het onderdeel in de tenlastelegging waarin verdachte wordt verweten dat in de overeenkomst is opgenomen dat hij de beschikking had over de volledige administratie.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

in de periode van 1 juli 2008 tot en met 31 juli 2008 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, een geschrift, te weten

- de overeenkomst getiteld 'overdracht van directie en administratie van

[bedrijf 2] aan de heer [verdachte]' d.d. 30 juli

2008, zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk hebben opgemaakt, immers hebben hij, verdachte en zijn mededaders valselijk en in strijd met de waarheid in die overeenkomst opgenomen dat hij, verdachte, met ingang van 2 juli 2007 de feitelijk leidinggever was, terwijl in werkelijkheid [medeverdachte] feitelijk leidinggever was van [bedrijf 2], zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken en door anderen te doen gebruiken.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

Medeplegen van valsheid in geschrift.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een werkstraf voor de duur van 72 uren.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft ten aanzien van de strafoplegging geen verweer gevoerd.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift. Hiermee heeft verdachte misbruik gemaakt van het vertrouwen dat in het maatschappelijk verkeer pleegt te worden gesteld in schriftelijke stukken met bewijsbestemming. Dit rekent de rechtbank verdachte zwaar aan.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank rekening gehouden met een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 18 mei 2011, waaruit naar voren komt dat verdachte vele malen is veroordeeld voor verschillende strafbare feiten.

Bij de bepaling van de hierna te noemen straf heeft de rechtbank overeenkomstig het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht rekening gehouden met de omstandigheid, dat verdachte op 12 januari 2011 is veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 40 uren, geheel voorwaardelijk, in verband met een overtreding van artikel 7 van de Wegenverkeerswet 1994 en op 2 september 2009 is veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 40 uren en 4 maanden ontzegging van de rijbevoegdheid in verband met een overtreding van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994, en nu wordt schuldig verklaard aan een misdrijf dat vóór de hierboven genoemde data is gepleegd.

De rechtbank is van oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf onvoldoende recht doet aan de ernst van het feit en aan de persoon van de verdachte. De rechtbank acht noodzakelijk een zwaardere staf op te leggen dan de officier van justitie heeft gevorderd, omdat verdachte blijkens het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie onder meer is veroordeeld voor oplichting en flessentrekkerij.

Alles afwegend komt de rechtbank tot de conclusie dat een werkstraf van 120 uur een passende straf is voor het bewezen verklaarde feit.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 22c, 22d, 47, 63 en 225 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Voorvragen

- verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging van verdachte;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Medeplegen van valsheid in geschrift;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 120 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 60 dagen.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.P. den Otter, voorzitter, mr. J.M. Bruins en mr. M.S. Koppert, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R. Willemsen, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 19 december 2011.