Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BU8573

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
19-12-2011
Datum publicatie
20-12-2011
Zaaknummer
16/994023-10 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Onderzoek bankstel. Medeplegen valsheid in geschrift. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 100 uur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/994023-10 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 19 december 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1984] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

raadsman mr. M.J. Lamers, advocaat te Utrecht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzittingen van 14 november 2011, 16 november 2011 en 18 november 2011, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Het onderzoek ter terechtzitting is gesloten op 5 december 2011.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. De gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Ten aanzien van feit 1:

opdracht heeft gegeven tot dan wel feitelijke leiding heeft gegeven aan het opzettelijk onjuist doen van aangiften omzetbelasting door [bedrijf 1];

Ten aanzien van feit 3:

opdracht heeft gegeven tot dan wel feitelijke leiding heeft gegeven aan het opzettelijk niet doen van aangiften omzetbelasting door [bedrijf 2];

Ten aanzien van feit 2 en feit 4:

samen met een ander of anderen valsheid in geschrift heeft gepleegd.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan en baseert zich daarbij op de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen en wijst daarbij op het volgende.

- In het dossier bevindt zich geen bewijs waaruit blijkt dat verdachte feitelijk leidinggever is geweest van [bedrijf 1] en [bedrijf 2]

- [medeverdachte] is de enige feitelijk leidinggever van de BV’s.

- In het dossier bevindt zich geen bewijs waaruit blijkt dat verdachte bemoeienis heeft gehad met de gedane aangifte omzetbelasting ten aanzien van [bedrijf 1]

- In het dossier bevindt zich geen bewijs waaruit blijkt dat verdachte bemoeienis heeft gehad met het doen van aangiften omzetbelasting ten aanzien van [bedrijf 2]

- Verdachte ging er vanuit dat [medeverdachte] de administratie en belastingverplichtingen correct af zou wikkelen.

- In het dossier zijn geen omstandigheden aan te wijzen waaruit volgt dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaardde dat geen aangifte werd gedaan;

- In het dossier zijn geen aanwijzingen te vinden waaruit blijkt dat verdachte nauw en bewust heeft samengewerkt met [medeverdachte] ter zake van de ten laste gelegde gedragingen onder 1 en 3.

- Verdachte heeft de overeenkomsten getekend op verzoek van [medeverdachte]. Hij mocht erop vertrouwen dat de overeenkomsten betrouwbaar waren, mede gelet op het feit dat het tekenen bij de notaris plaatsvond.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

De vindplaatsvermeldingen die in de navolgende overwegingen voorkomen, verwijzen naar de schriftelijke stukken die als bijlage zijn opgenomen in het proces-verbaal van de FIOD, kantoor Utrecht, dossiernummer 46319, opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2].

4.3.1 Vrijspraken

Vrijspraak ten aanzien van feit 1

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte opdracht heeft gegeven tot dan wel feitelijk leiding heeft gegeven aan het opzettelijk onjuist doen van aangiften omzetbelasting door [bedrijf 1] en zal hem daarvan vrijspreken. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

De rechtbank stelt vast dat [bedrijf 1] in de ten laste gelegde periode ingevolge artikel 6 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) door de inspecteur telkens is uitgenodigd tot het doen van belastingaangifte. Ingevolge artikel 8 van de AWR is eenieder die is uitgenodigd tot het doen van aangifte, gehouden aangifte te doen. Op grond hiervan wordt [bedrijf 1] telkens als aangifteplichtige inzake de Wet op de omzetbelasting aangemerkt.

De rechtbank stelt vervolgens vast dat [bedrijf 1] over het eerste en tweede kwartaal van 2009 onjuiste aangiften omzetbelasting, te weten nihil-aangiften, heeft ingediend bij de Belastingdienst, terwijl de BV wel omzet genereerde.

[bedrijf 1] heeft naar het oordeel van de rechtbank in de ten laste gelegde periode derhalve niet aan haar verplichtingen voldaan en opzettelijk geen aangiften omzetbelasting gedaan over de betreffende periodes, terwijl die feiten ertoe strekten dat te weinig belasting werd geheven.

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of verdachte opdracht heeft gegeven tot deze gedragingen van [bedrijf 1] dan wel daaraan feitelijke leiding heeft gegeven.

De rechtbank is van oordeel dat de gedragingen van medeverdachte [medeverdachte] kunnen worden toegerekend aan de rechtspersoon en dat medeverdachte [medeverdachte] tevens feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedragingen van de rechtspersoon. [medeverdachte] heeft verklaard dat hij nalatig is geweest in het doen van aangiften bij de Belastingdienst, maar dat hij degenen die hij bestuurder maakte van een BV – zoals in dit geval verdachte bestuurder werd van [bedrijf 1] – niet op de hoogte stelde van de wijze van het voeren van zijn administratie noch van het nalaten van het doen van aangifte omzetbelasting. Verdachte heeft tijdens het opsporingsonderzoek en ter terechtzitting aangegeven geen kennis te dragen van de wijze waarop [medeverdachte] zijn administratie voerde.

Op grond van deze feitelijke gang van zaken dient naar het oordeel van de rechtbank de vraag of verdachte als opdrachtgever of feitelijk leidinggever kan worden aangemerkt, ontkennend te worden beantwoord. De rechtbank stelt vast dat uit het dossier geen verdere feiten en omstandigheden naar voren komen die leiden tot de conclusie dat verdachte bevoegd en redelijkerwijs gehouden was tot het nemen van maatregelen ter voorkoming van de verboden gedragingen van de BV en dat ook niet blijkt van feiten en omstandigheden die leiden tot de vaststelling dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de verboden gedragingen zich zouden voordoen.

De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het onder feit 1 tenlastegelegde.

Vrijspraak ten aanzien van feit 3

De rechtbank acht evenmin wettig en overtuigend bewezen dat verdachte opdracht heeft gegeven tot dan wel feitelijk leiding heeft gegeven aan het opzettelijk niet doen van aangiften omzetbelasting door [bedrijf 2] en zal hem daar ook van vrijspreken. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

De rechtbank stelt vast dat [bedrijf 2] in de ten laste gelegde periode ingevolge artikel 6 van de AWR door de inspecteur telkens is uitgenodigd tot het doen van belastingaangifte. Ingevolge artikel 8 van de AWR is eenieder die is uitgenodigd tot het doen van aangifte, gehouden aangifte te doen. Op grond hiervan wordt [bedrijf 2] telkens als aangifteplichtige inzake de Wet op de omzetbelasting aangemerkt.

De rechtbank stelt vervolgens vast dat [bedrijf 2] over het vierde kwartaal van 2009 en het eerste en tweede kwartaal van 2010 geen aangiften omzetbelasting heeft ingediend bij de Belastingdienst, terwijl de BV wel omzet genereerde.

[bedrijf 2] heeft naar het oordeel van de rechtbank in de ten laste gelegde periode derhalve niet aan haar verplichtingen voldaan en opzettelijk geen aangiften omzetbelasting gedaan over bovengenoemde periodes, terwijl die feiten ertoe strekten dat te weinig belasting werd geheven.

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of verdachte opdracht heeft gegeven tot deze gedragingen van [bedrijf 2] dan wel daaraan feitelijke leiding heeft gegeven. De rechtbank is van oordeel dat de gedragingen van medeverdachte [medeverdachte] kunnen worden toegerekend aan de rechtspersoon en dat medeverdachte [medeverdachte] tevens feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedragingen van de rechtspersoon. [medeverdachte] heeft verklaard dat hij nalatig is geweest in het doen van aangiften bij de Belastingdienst, maar dat hij degenen die hij bestuurder maakte van een BV – zoals in dit geval verdachte bestuurder werd van [bedrijf 2] – niet op de hoogte stelde van de wijze van het voeren van zijn administratie noch van het nalaten van het doen van aangifte omzetbelasting. Verdachte heeft tijdens het opsporingsonderzoek en ter terechtzitting aangegeven geen kennis te dragen van de wijze waarop [medeverdachte] zijn administratie voerde.

Op grond van deze feitelijke gang van zaken dient naar het oordeel van de rechtbank de vraag of verdachte als van opdrachtgever of feitelijke leidinggever kan worden aangemerkt ontkennend te worden beantwoord. De rechtbank stelt vast dat uit het dossier geen verdere feiten en omstandigheden naar voren komen die leiden tot de concludie dat verdachte bevoegd en redelijkerwijs gehouden was tot het nemen van maatregelen ter voorkoming van de verboden gedragingen van de BV en dat ook niet blijkt van feiten en omstandigheden die leiden tot de vaststelling dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de verboden gedragingen zich zouden voordoen.

De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het onder feit 3 tenlastegelegde.

4.3.2 Bewezenverklaringen

De vindplaatsvermeldingen die in de navolgende overwegingen voorkomen, verwijzen naar de schriftelijke stukken die als bijlage zijn opgenomen in het proces-verbaal van de FIOD, kantoor Utrecht, dossiernummer 46319, opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2].

Het bewijs ten aanzien van feit 2

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte valsheid in geschrift heeft gepleegd en baseert zich daarbij op het navolgende.

In het dossier bevindt zich de overeenkomst getiteld ‘overdracht van directie en administratie van [bedrijf 1] aan de heer [medeverdachte 4]’ gedateerd op 15 mei 2009. Deze overeenkomst is – onder anderen – ondertekend door verdachte. Zijn handtekening en de andere handtekeningen onder deze overeenkomst zijn gelegaliseerd door [waarnemend notaris], waarnemer van notaris mr. [notaris] te [plaats] op 15 mei 2009.

In de overeenkomst is opgenomen dat [medeverdachte 4] verklaart dat alleen hij de feitelijke leiding heeft gehad over [bedrijf 1] vanaf 2 juli 2008. Tevens is in de overeenkomst opgenomen dat vanaf 2 juli 2008 alleen [medeverdachte 4] de volledige inzage in de administratie van [bedrijf 1] heeft gehad. Verder is op de derde pagina van deze overeenkomst opgenomen dat de complete administratie door [medeverdachte 4] is ontvangen.

Medeverdachte [medeverdachte 4] heeft verklaard dat hij heel weinig werkzaamheden heeft gedaan voor [bedrijf 1] in de periode dat hij daar bestuurder was, alleen wat telefonisch werk. Medeverdachte [medeverdachte] heeft verklaard dat hij deze overeenkomst heeft opgemaakt. Hij heeft ook verklaard dat hij feitelijk leidinggevende was van [bedrijf 1] in de periode van 2 juli 2008 tot 15 mei 2009.

Verdachte heeft verklaard dat hij het document heeft getekend op verzoek van [medeverdachte].

Gedeeltelijke vrijspraak

De rechtbank heeft niet kunnen vaststellen dat de administratie niet is overgedragen aan medeverdachte [medeverdachte 4]. De inhoud van de telefoongesprekken die zich in het dossier bevinden en hierop betrekking hebben, kan verschillend worden uitgelegd. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het onderdeel in de tenlastelegging waarin verdachte wordt verweten dat in de overeenkomst in strijd met de waarheid is opgenomen dat [medeverdachte 4] de beschikking had over de volledige administratie.

Het bewijs ten aanzien van feit 4

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte valsheid in geschrift heeft gepleegd en baseert zich daarbij op het navolgende.

In het dossier bevindt zich de overeenkomst getiteld ‘overdracht van directie en administratie van [bedrijf 3] aan de heer [medeverdachte 2] en mevrouw [medeverdachte 3]’ gedateerd op 27 mei 2009. Deze overeenkomst is – onder anderen – ondertekend door verdachte. Zijn handtekening en de andere handtekeningen onder deze overeenkomst zijn gelegaliseerd door notaris mr. [notaris] te [plaats] op 27 mei 2009.

In de overeenkomst is opgenomen dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] verklaren dat alleen zij de feitelijke leiding hebben gehad over [bedrijf 3] vanaf 2 juli 2008. Tevens is in de overeenkomst opgenomen dat vanaf 2 juli 2008 alleen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] de volledige inzage in de administratie van [bedrijf 3] hadden. Verder is op de laatste (vierde) pagina van deze overeenkomst opgenomen dat de complete administratie door [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] is ontvangen.

Medeverdachte [medeverdachte] heeft verklaard dat hij deze overeenkomst heeft opgemaakt. Hij heeft ook verklaard dat hij feitelijk leidinggevende was van [bedrijf 3] in de periode van 2 juli 2008 tot 27 mei 2009. Medeverdachte [medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij heeft getekend voor het in ontvangst nemen van de boekhouding van [bedrijf 3], maar dat hij die boekhouding nooit heeft ontvangen. [medeverdachte 2] heeft ook verklaard dat hij nooit activiteiten heeft verricht in [bedrijf 4]

Verdachte heeft verklaard dat hij de overeenkomst heeft getekend op verzoek van [medeverdachte].

Overwegingen met betrekking tot het bewijs van de feiten 2 en 4

Op grond van bovengenoemde feiten en omstandigheden - in onderling verband en samenhang bezien - komt de rechtbank tot het oordeel dat verdachte door het - met anderen - zetten van zijn parafen en handtekening onder deze overeenkomsten valse overeenkomsten heeft opgesteld. De tekst van de overeenkomsten is opgesteld door medeverdachte [medeverdachte] en verdachte heeft door het zetten van zijn handtekening met de inhoud van de overeenkomsten ingestemd en de onderhandse overeenkomsten vervolmaakt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte hierdoor de overeenkomsten mede opgemaakt.

Verdachte heeft verklaard dat hij de betreffende stukken voor het zetten van zijn handtekening niet heeft doorgelezen. Door op die manier te handelen heeft verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat de stukken die hij tekende niet naar waarheid waren opgesteld en was zijn opzet in voorwaardelijke vorm gericht op de valsheid. De rechtbank stelt dus vast dat verdachte opzettelijk heeft gehandeld.

De rechtbank overweegt dat de overeenkomsten een onderhandse akte betreffen. Een dergelijk stuk is naar zijn aard bedoeld om te dienen tot het bewijs van hetgeen is overeengekomen door degenen die bij de overeenkomst zijn betrokken. Verdachte en zijn medeverdachten hadden het oogmerk de overeenkomsten als echt en onvervalst te gebruiken en door anderen te doen gebruiken.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

2.

in de periode van 1 mei 2009 tot en met 31 mei 2009 in Nederland,tezamen en in vereniging met anderen een geschrift te weten

- de overeenkomst getiteld 'overdracht van directie en administratie van [bedrijf 1] aan de heer [medeverdachte 4]' d.d. 15 mei 2009 zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen valselijk heeft opgemaakt, immers hebben hij, verdachte en zijn mededaders valselijk en in strijd met de waarheid in die overeenkomst opgenomen dat [medeverdachte 4] met ingang van 2 juli 2008 de feitelijk leidinggever was terwijl in werkelijkheid zijn mededader feitelijk leidinggever was van [bedrijf 1], zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken.

4.

in de periode van 1 mei 2009 tot en met 31 mei 2009 in Nederland tezamen en in vereniging met anderen een geschrift te weten

- de overeenkomst getiteld 'overdracht van directie en administratie van [bedrijf 3] aan de heer [medeverdachte 2] en mevrouw [medeverdachte 3]' d.d. 27 mei 2009 zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen valselijk heeft opgemaakt, immers hebben hij, verdachte en zijn mededaders valselijk en in strijd met de waarheid in die overeenkomst opgenomen dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] met ingang van 2 juli 2008 de feitelijk leidinggevers waren en beschikking hadden over de volledige administratie van [bedrijf 3] terwijl in werkelijkheid zijn mededader feitelijk leidinggever was van [bedrijf 3] en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] niet de beschikking hadden over de volledige administratie van [bedrijf 3], zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Feit 2 en feit 4: telkens medeplegen van valsheid in geschrift.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden waarvan 8 maanden voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, en een werkstraf voor de duur van 240 uren. De officier van justitie heeft daarbij opgemerkt dat het haar bedoeling is dat verdachte niet meer gedetineerd zal worden.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte vrijgesproken dient te worden. Subsidiair heeft de verdediging aangevoerd dat geen hogere straf dient te worden opgelegd dan een werkstraf voor de duur van 100 uren, gelet op het transactievoorstel dat medeverdachten in deze zaak voor soortgelijke feiten hebben aanvaard. De verdediging heeft voorts aangevoerd dat de straf die het openbaar ministerie heeft gevorderd tot gevolg zou hebben dat verdachte opnieuw gedetineerd zou worden, terwijl het openbaar ministerie ook heeft aangegeven dat dit niet de bedoeling is.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift. Hiermee heeft verdachte misbruik gemaakt van het vertrouwen dat in het maatschappelijk verkeer pleegt te worden gesteld in schriftelijke stukken met bewijsbestemming. Dit rekent de rechtbank verdachte zwaar aan.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank rekening gehouden met een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 18 mei 2011 waaruit blijkt dat verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld. De rechtbank houdt tevens rekening met een de verdachte betreffend reclasseringsrapport d.d. 15 september 2011, waarin geadviseerd wordt een werkstraf op te leggen.

De officier van justitie is bij haar eis uitgegaan van een bewezenverklaring van alle ten laste gelegde feiten. Nu de rechtbank slechts bewezen acht dat verdachte het onder feit 2 en feit 4 tenlastegelegde heeft begaan, zal zij een lagere straf opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd. De rechtbank zal hierin meewegen dat de officier van justitie aan medeverdachten in deze zaak een transactievoorstel van een werkstraf van 60 uren heeft gedaan voor het eenmalig plegen van valsheid in geschrift.

Alles afwegend komt de rechtbank tot de conclusie dat een werkstraf voor de duur van 100 uren passend en geboden is.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 22c, 22d, 47, 57 en 225 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van de onder feit 1 en feit 3 ten laste gelegde feiten;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Feit 2 en feit 4: telkens: medeplegen van valsheid in geschrift;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 100 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 50 dagen;

- bepaalt dat de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de uitvoering van de werkstraf naar rato van twee uur per dag;

Voorlopige hechtenis

- heft op het – reeds geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.P. den Otter, voorzitter, mr. J.M. Bruins en mr. M.S. Koppert, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R. Willemsen, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 19 december 2011.