Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BU8567

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
19-12-2011
Datum publicatie
20-12-2011
Zaaknummer
16/994022-10 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Onderzoek bankstel. Medeplegen valsheid in geschrift. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 100 uur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/994022-10 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 19 december 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1982] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

raadsman mr. A.R.A.L. Norenburg, advocaat te Woerden.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 14 november 2011, 15 november 2011, 16 november 2011 en 17 november 2011 waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Het onderzoek ter terechtzitting is gesloten op 5 december 2011.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. De gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feiten 1, 4 en 5:

samen met een ander of anderen valsheid in geschrift heeft gepleegd;

Feit 2:

opdracht heeft gegeven tot dan wel feitelijke leiding heeft gegeven aan het opzettelijk onjuist doen van aangiften omzetbelasting door [bedrijf 1];

Feit 3:

opdracht heeft gegeven tot dan wel feitelijke leiding heeft gegeven aan het opzettelijk niet doen van aangiften omzetbelasting door [bedrijf 6].

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan en baseert dit standpunt op de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen en wijst daarbij – kort gezegd – op het volgende.

- De feitelijke betrokkenheid van verdachte bij de overeenkomsten ten aanzien van [bedrijf 7] en [bedrijf 3] beperkt zich tot het zetten van haar handtekening.

- Uit het dossier blijkt niet dat verdachte enige betrokkenheid heeft gehad bij de overeenkomst met betrekking [bedrijf 2]

- Uit het dossier blijkt niet dat verdachte zich bewust was van het feit dat zij mogelijk bijdroeg aan iets wat strafbaar zou zijn. Verdachte wist niet en hoefde niet te weten dat de overeenkomsten vals waren.

- In het dossier bevinden zich geen aanwijzingen waaruit blijkt dat verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan [bedrijf 1] en [bedrijf 6][bedrijf 2]

4.3 Het oordeel van de rechtbank

4.3.1 Vrijspraken

Vrijspraak ten aanzien van feit 2

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte opdracht heeft gegeven tot dan wel feitelijke leiding heeft gegeven aan het opzettelijk onjuist doen van aangiften omzetbelasting door [bedrijf 1] en zal haar daarvan vrijspreken. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

De rechtbank stelt vast dat [bedrijf 1] in de ten laste gelegde periode ingevolge artikel 6 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) door de inspecteur telkens is uitgenodigd tot het doen van belastingaangifte. Ingevolge artikel 8 van de AWR is eenieder die is uitgenodigd tot het doen van aangifte, gehouden aangifte te doen. Op grond hiervan wordt [bedrijf 1] telkens als aangifteplichtige inzake de Wet op de omzetbelasting aangemerkt.

De rechtbank stelt vervolgens vast dat [bedrijf 1] met betrekking tot het vierde kwartaal van 2007 en het tweede kwartaal van 2008 onjuiste aangiften omzetbelasting heeft ingediend bij de Belastingdienst.

[bedrijf 1] heeft naar het oordeel van de rechtbank in de ten laste gelegde periode opzettelijk onjuist aangiften omzetbelasting gedaan over bovengenoemde periodes, terwijl die feiten ertoe strekten dat te weinig belasting werd geheven.

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of verdachte opdracht heeft gegeven tot deze gedragingen van [bedrijf 1] dan wel daaraan feitelijke leiding heeft gegeven. De rechtbank is van oordeel dat de gedragingen van medeverdachte [medeverdachte 1] kunnen worden toegerekend aan de rechtspersoon en dat medeverdachte [medeverdachte 1] tevens feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedragingen van de rechtspersoon. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij nalatig is geweest in het doen van aangiften bij de Belastingdienst, maar dat hij degenen die hij bestuurder of directeur maakte van een BV – zoals in dit geval verdachte bestuurder werd [bedrijf 1] – niet op de hoogte stelde van de wijze van het voeren van zijn administratie noch van het onjuist doen van aangifte omzetbelasting. Verdachte heeft tijdens het opsporingsonderzoek en ter terechtzitting aangegeven geen kennis te hebben gehad van de wijze waarop [medeverdachte 1] de administratie van [bedrijf 1] voerde en belastingaangifte deed.

Op grond van deze feitelijke gang van zaken dient naar het oordeel van de rechtbank de vraag of verdachte als opdrachtgever of feitelijke leidinggever kan worden aangemerkt, ontkennend te worden beantwoord. De rechtbank stelt vast dat uit het dossier geen verdere feiten en omstandigheden naar voren komen die leiden tot de conclusie dat verdachte bevoegd en redelijkerwijs gehouden was tot het nemen van maatregelen ter voorkoming van de verboden gedragingen van de BV en dat ook niet blijkt van feiten en omstandigheden die leiden tot de vaststelling dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de verboden gedragingen zich zouden voordoen.

De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het onder feit 2 tenlastegelegde.

Vrijspraak ten aanzien van feit 3

De rechtbank acht evenmin wettig en overtuigend bewezen dat verdachte opdracht heeft gegeven tot dan wel feitelijke leiding heeft gegeven aan het opzettelijk niet doen van aangiften omzetbelasting door [bedrijf 6] en zal haar daarvan ook vrijspreken. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

De rechtbank stelt vast dat [bedrijf 6] in de ten laste gelegde periode ingevolge artikel 6 van de AWR door de inspecteur telkens is uitgenodigd tot het doen van belastingaangifte. Ingevolge artikel 8 van de AWR is eenieder die is uitgenodigd tot het doen van aangifte, gehouden aangifte te doen. Op grond hiervan wordt [bedrijf 6] telkens als aangifteplichtige inzake de Wet op de omzetbelasting aangemerkt.

De rechtbank stelt vervolgens vast dat [bedrijf 6] over het eerste en tweede kwartaal van 2009 en de maanden juli 2009 tot en met december 2009 en de maanden januari 2010 tot en met mei 2010 geen aangiften omzetbelasting heeft ingediend bij de Belastingdienst, terwijl de BV wel omzet genereerde.

[bedrijf 6] heeft naar het oordeel van de rechtbank in de ten laste gelegde periode derhalve niet aan haar verplichtingen voldaan en opzettelijk geen aangiften omzetbelasting gedaan over bovengenoemde periodes, terwijl die feiten ertoe strekten dat te weinig belasting werd geheven.

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of verdachte opdracht heeft gegeven tot deze gedragingen van [bedrijf 6] dan wel daaraan feitelijke leiding heeft gegeven.

De rechtbank is van oordeel dat de gedragingen van medeverdachte [medeverdachte 1] kunnen worden toegerekend aan de rechtspersoon en dat medeverdachte [medeverdachte 1] tevens feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedragingen van de rechtspersoon. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij nalatig is geweest in het doen van aangiften bij de Belastingdienst, maar dat hij degenen die hij bestuurder maakte van een BV – zoals in dit geval verdachte bestuurder werd van [bedrijf 6] – niet op de hoogte stelde van de wijze van het voeren van zijn administratie noch van het nalaten van het doen van aangiften omzetbelasting. Verdachte heeft tijdens het opsporingsonderzoek en ter terechtzitting aangegeven geen kennis te dragen van de wijze waarop [medeverdachte 1] zijn administratie voerde en belastingaangifte deed.

Op grond van deze feitelijke gang van zaken dient naar het oordeel van de rechtbank de vraag of verdachte als opdrachtgever of feitelijke leidinggever kan worden aangemerkt, ontkennend te worden beantwoord. De rechtbank stelt vast dat uit het dossier geen verdere feiten en omstandigheden naar voren komen die leiden tot de conclusie dat verdachte bevoegd en redelijkerwijs gehouden was tot het nemen van maatregelen ter voorkoming van de verboden gedragingen van de BV en dat ook niet blijkt van feiten en omstandigheden die leiden tot de vaststelling dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de verboden gedragingen zich zouden voordoen.

De rechtbank zal verdachte daarom ook vrijspreken van het onder feit 3 tenlastegelegde.

Vrijspraak ten aanzien van feit 4

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de overeenkomst betreffende [bedrijf 2] (mede) heeft opgemaakt en zal haar daarvan vrijspreken. De rechtbank stelt vast dat verdachte weliswaar aandeelhoudster is geweest van [bedrijf 2], maar dat zich in het dossier verder geen aanwijzingen bevinden voor de betrokkenheid van verdachte bij het opstellen van de overeenkomst. Verdachte heeft deze overeenkomst niet ondertekend en haar naam wordt niet genoemd in de betreffende overeenkomst.

De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het onder feit 4 tenlastegelegde.

4.3.2 Bewezenverklaringen

De vindplaatsvermeldingen die in de navolgende overwegingen voorkomen, verwijzen naar de schriftelijke stukken die als bijlage zijn opgenomen in het proces-verbaal van de FIOD, kantoor Utrecht, dossiernummer 46319, opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2].

Het bewijs ten aanzien van feit 1

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte met anderen valsheid in geschrift heeft gepleegd en baseert zich daarbij op het navolgende.

In het dossier bevindt zich de overeenkomst getiteld ‘overdracht van directie en administratie van [bedrijf 4] aan de heer [medeverdachte 2]’ gedateerd op 15 mei 2009. Deze overeenkomst is – onder anderen – ondertekend door verdachte. Haar handtekening en de andere handtekeningen onder deze overeenkomst zijn gelegaliseerd door mr. A.C.W. Luijk-van Veldhuizen, waarnemer van notaris mr. [notaris] te [plaats] op 15 mei 2009.

In de overeenkomst is opgenomen dat [medeverdachte 2] verklaart dat alleen hij de feitelijke leiding heeft gehad over [bedrijf 4] vanaf 2 juli 2008. Tevens is in de overeenkomst opgenomen dat vanaf 2 juli 2008 alleen [medeverdachte 2] de volledige inzage in de administratie van [bedrijf 4] heeft gehad. Verder is op de derde pagina van deze overeenkomst opgenomen dat de complete administratie door [medeverdachte 2] is ontvangen.

Medeverdachte [medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij heel weinig werkzaamheden heeft gedaan voor [bedrijf 4] in de periode dat hij daar bestuurder was, alleen wat telefonisch werk.

Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij deze overeenkomst heeft opgemaakt. Hij heeft ook verklaard dat hij feitelijk leidinggevende was van [bedrijf 4] in de periode van 2 juli 2008 tot 15 mei 2009.

Verdachte heeft verklaard dat zij het document heeft getekend op verzoek van [medeverdachte 1]. Verdachte heeft ook verklaard dat zij nooit activiteiten heeft verricht in of voor [bedrijf 4]

Gedeeltelijke vrijspraak

De rechtbank heeft niet kunnen vaststellen dat de administratie niet is overgedragen aan medeverdachte [medeverdachte 2]. De inhoud van de telefoongesprekken die zich in het dossier bevinden en hierop betrekking hebben, kan verschillend worden uitgelegd. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het onderdeel in de tenlastelegging waarin verdachte wordt verweten dat in de overeenkomst is opgenomen dat [medeverdachte 2] de beschikking had over de volledige administratie.

Het bewijs ten aanzien van feit 5

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte met anderen valsheid in geschrift heeft gepleegd en baseert zich daarbij op het navolgende.

In het dossier bevindt zich de overeenkomst getiteld ‘overdracht van directie en administratie van [bedrijf 3] aan de heer [medeverdachte 3] en mevrouw [medeverdachte 4]’ gedateerd op 27 mei 2009. Deze overeenkomst is – onder anderen – ondertekend door verdachte. Haar handtekening en de andere handtekeningen onder deze overeenkomst zijn gelegaliseerd door notaris mr. [notaris] te [plaats] op 27 mei 2009.

In de overeenkomst is opgenomen dat [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] verklaren dat alleen zij de feitelijke leiding hebben gehad over [bedrijf 3] vanaf 2 juli 2008. Tevens is in de overeenkomst opgenomen dat vanaf 2 juli 2008 alleen [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] de volledige inzage in de administratie van [bedrijf 3] hebben gehad. Verder is op de laatste (vierde) pagina van deze overeenkomst opgenomen dat de complete administratie door [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] is ontvangen.

Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij deze overeenkomst heeft opgemaakt. Hij heeft ook verklaard dat hij feitelijk leidinggevende was van [bedrijf 3] in de periode van 2 juli 2008 tot 27 mei 2009. Medeverdachte [medeverdachte 3] heeft voorts verklaard dat hij het document heeft getekend. [medeverdachte 3] heeft verklaard dat hij heeft getekend voor het in ontvangst nemen van de boekhouding van [bedrijf 3], maar dat hij die boekhouding nooit heeft ontvangen. [medeverdachte 3] heeft ook verklaard dat hij nooit activiteiten heeft verricht in [bedrijf 5]

Verdachte heeft verklaard dat zij de overeenkomst heeft getekend op verzoek van [medeverdachte 1].

Overwegingen met betrekking tot het bewijs van de feiten 1 en 5

Op grond van bovengenoemde feiten en omstandigheden - in onderling verband en samenhang bezien - komt de rechtbank tot het oordeel dat verdachte door het - met anderen - zetten van haar parafen en handtekening onder deze overeenkomsten, valse overeenkomsten heeft opgesteld. De tekst van de overeenkomsten is opgesteld door medeverdachte [medeverdachte 1] en verdachte heeft door het zetten van haar handtekening met de inhoud van de overeenkomsten ingestemd en de onderhandse overeenkomsten vervolmaakt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte hierdoor de overeenkomsten mede opgemaakt.

Verdachte heeft verklaard dat zij de betreffende stukken voor het zetten van zijn handtekeningen niet heeft doorgelezen. Door op die manier te handelen heeft verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat het stuk dat zij tekende niet naar waarheid was opgesteld en was haar opzet in voorwaardelijke vorm gericht op de valsheid. De rechtbank stelt dus vast dat verdachte opzettelijk heeft gehandeld.

De rechtbank overweegt dat de overeenkomsten een onderhandse akte betreffen. Een dergelijk stuk is naar zijn aard bedoeld om te dienen tot het bewijs van hetgeen is overeengekomen door degenen die bij de overeenkomst zijn betrokken. Verdachte en haar medeverdachten hadden het oogmerk de overeenkomsten als echt en onvervalst te gebruiken en door anderen te doen gebruiken.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

in de periode van 1 mei 2009 tot en met 30 mei 2009 in Nederland tezamen en in vereniging met anderen een geschrift te weten

- de overeenkomst getiteld 'overdracht van directie en administratie van [bedrijf 4] aan de heer [medeverdachte 2]' d.d. 15 mei 2009, zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen valselijk heeft opgemaakt, immers heeft/hebben zij, verdachte en haar mededaders valselijk en in strijd met de waarheid in die overeenkomst opgenomen dat [medeverdachte 2] met ingang van 2 juli 2008 de feitelijk leidinggever was terwijl in werkelijkheid haar mededader feitelijk leidinggever was van [bedrijf 4] zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken.

5.

in de periode van 1 mei 2009 tot en met 31 mei 2009 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, een geschrift, te weten

- de overeenkomst getiteld 'overdracht van directie en administratie van [bedrijf 3] aan de heer [medeverdachte 3] en mevrouw [medeverdachte 4]' d.d. 27 mei 2009

zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen valselijk heeft opgemaakt, immers hebben zij, verdachte en haar mededaders valselijk en in strijd met de waarheid in die overeenkomst opgenomen dat [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] met ingang van 2 juli 2008 de feitelijk leidinggevers waren en beschikking hadden over de volledige administratie van [bedrijf 3], terwijl in werkelijkheid haar mededader feitelijk leidinggever was van [bedrijf 3] en [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] niet de beschikking hadden over de volledige administratie van [bedrijf 3], zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in haar verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Ten aanzien van feit 1 en feit 5: telkens: medeplegen van valsheid in geschrift.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die haar strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden waarvan 2 maanden voorwaardelijk met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. De officier van justitie heeft daarbij gevorderd verplicht reclasseringscontact op te leggen, zoals de reclassering heeft geadviseerd.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte vrijgesproken dient te worden. Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte veel schulden heeft en haar baan nodig heeft om de schulden af te betalen, aldus de raadsman. De raadsman heeft de rechtbank verzocht geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straffen heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift. Hiermee heeft verdachte misbruik gemaakt van het vertrouwen dat in het maatschappelijk verkeer pleegt te worden gesteld in schriftelijke stukken met bewijsbestemming. Dit rekent de rechtbank verdachte zwaar aan.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank rekening gehouden met een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 18 mei 2011 waaruit blijkt dat verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld. Voorts heeft de rechtbank rekening gehouden met een de verdachte betreffend rapport van Reclassering Nederland d.d. 31 oktober 2010, waarin wordt geadviseerd verplicht reclasseringscontact op te leggen.

De officier van justitie is bij haar eis uitgegaan van een bewezenverklaring van alle ten laste gelegde feiten. Nu de rechtbank slechts bewezen acht dat verdachte het onder feit 1 en feit 5 tenlastegelegde heeft begaan, zal zij een lagere straf opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd. Voorts ziet de rechtbank geen aanleiding om reclasseringscontact op te leggen, omdat dit in het reclasseringsrapport niet nader is onderbouwd en het recidiverisico door Reclassering Nederland als laag/matig wordt ingeschat.

De rechtbank houdt voorts rekening met de straffen die worden opgelegd aan de medeverdachten in deze zaak.

Alles afwegend komt de rechtbank tot de conclusie dat een werkstraf voor de duur van 100 uren passend en geboden is.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 22c, 22d, 47, 57 en 225 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van de onder 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Feit 1 en feit 5: telkens: medeplegen van valsheid in geschrift;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 100 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 50 dagen

- bepaalt dat de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de uitvoering van de werkstraf naar rato van twee uur per dag.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.P. den Otter, voorzitter, mr. J.M. Bruins en mr. M.S. Koppert, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R. Willemsen, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 19 december 2011.