Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BU8562

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
19-12-2011
Datum publicatie
20-12-2011
Zaaknummer
16/992008-11 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Onderzoek bankstel. Medeplegen valsheid in geschrift. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 60 uur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/992008-11 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 19 december 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1944] te [geboorteplaats],

zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,

raadsvrouw mr. S. Dogan, advocaat te Utrecht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 14 november 2011, 15 november 2011, 16 november 2011 en 18 november 2011, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Het onderzoek ter terechtzitting is gesloten op 5 december 2011.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: opdracht heeft gegeven tot dan wel feitelijk leiding heeft gegeven aan het opzettelijk niet doen van aangiften omzetbelasting door [bedrijf];

Feit 2: samen met een ander of anderen valsheid in geschrift heeft gepleegd.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen reden is voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte beide ten laste gelegde feiten heeft begaan en baseert dit standpunt op de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank ter zake van beide ten laste gelegde feiten niet tot een bewezenverklaring kan komen en wijst daarbij – kort gezegd – op het volgende.

De raadsvrouw stelt zich ten aanzien van feit 1 op het standpunt dat niet verdachte, maar [medeverdachte 1] de feitelijk leidinggevende is geweest. Verdachte heeft geen opzet gehad op het niet doen van belastingaangiften en kon ook niet weten dat de BV hiertoe gehouden was. Verdachte dient volgens de verdediging te worden vrijgesproken van feit 1.

De raadsvrouw heeft ten aanzien van feit 2 aangevoerd dat verdachte geen opzet heeft gehad op het opmaken van een vals document. Het zetten van een handtekening zonder de intentie een vals stuk te tekenen, is niet voldoende. Ook van feit 2 dient verdachte te worden vrijgesproken, aldus de raadsvrouw.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Vrijspraak ten aanzien van feit 1

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte opdracht heeft gegeven tot dan wel feitelijk leiding heeft gegeven aan het opzettelijk niet doen van aangiften omzetbelasting door [bedrijf] en zal hem daarvan vrijspreken. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

De rechtbank stelt vast dat [bedrijf] in de ten laste gelegde periode ingevolge artikel 6 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) door de inspecteur telkens is uitgenodigd tot het doen van belastingaangifte. Ingevolge artikel 8 van de AWR is eenieder die is uitgenodigd tot het doen van aangifte, ook gehouden aangifte te doen. Op grond hiervan wordt [bedrijf] dan ook telkens als aangifteplichtige inzake de Wet op de omzetbelasting aangemerkt.

De rechtbank stelt vervolgens vast dat [bedrijf] in de ten laste gelegde periode geen aangiften omzetbelasting heeft ingediend bij de Belastingdienst, terwijl de BV wel omzet genereerde.

[bedrijf] heeft naar het oordeel van de rechtbank derhalve niet aan haar verplichtingen voldaan en opzettelijk geen aangiften omzetbelasting gedaan over de betreffende periodes, terwijl die feiten ertoe strekten dat te weinig belasting werd geheven.

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of verdachte opdracht heeft gegeven tot deze gedragingen van [bedrijf] dan wel daaraan feitelijke leiding heeft gegeven. De rechtbank is van oordeel dat de gedragingen van medeverdachte [medeverdachte 1] kunnen worden toegerekend aan de rechtspersoon en dat medeverdachte [medeverdachte 1] tevens opdracht heeft gegeven tot en feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedragingen van de rechtspersoon. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij nalatig is geweest in het doen van aangiften bij de Belastingdienst, maar dat hij degenen die hij bestuurder maakte van een BV – zoals in dit geval verdachte bestuurder werd van [bedrijf] – niet op de hoogte stelde van de wijze van het voeren van zijn administratie noch van het nalaten van het doen van aangifte omzetbelasting. Verdachte heeft tijdens het opsporingsonderzoek en ter terechtzitting aangegeven geen kennis te dragen van de wijze waarop [medeverdachte 1] zijn administratie voerde. Voorts heeft hij aangegeven dat hij niet wist dat er omzet gegenereerd werd in [bedrijf]

Op grond van deze feitelijke gang van zaken dient naar het oordeel van de rechtbank de vraag of verdachte als opdrachtgever of feitelijke leidinggever kan worden aangemerkt, ontkennend te worden beantwoord.

De rechtbank stelt vast dat uit het dossier geen feiten of omstandigheden naar voren komen die leiden tot de conclusie dat verdachte bevoegd en redelijkerwijs gehouden was tot het nemen van maatregelen ter voorkoming van de verboden gedragingen van de BV en dat ook niet blijkt van feiten en omstandigheden die leiden tot de vaststelling dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de verboden gedragingen zich zouden voordoen.

De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het onder feit 1 tenlastegelegde.

Het bewijs ten aanzien van feit 2

De vindplaatsvermeldingen die in de navolgende overwegingen voorkomen, verwijzen naar de schriftelijke stukken die als bijlage zijn opgenomen in het proces-verbaal van de FIOD, kantoor Utrecht, dossiernummer 46319, opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2].

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte met anderen valsheid in geschrift heeft gepleegd en baseert haar oordeel op het navolgende.

In het dossier bevindt zich de overeenkomst getiteld ‘overdracht van directie en administratie van [bedrijf] aan de heer [medeverdachte 2]’ gedateerd op 15 juni 2010. Deze overeenkomst is ondertekend door verdachte. Zijn handtekening en de andere handtekening onder deze overeenkomst zijn gelegaliseerd door notaris mr. [notaris] te [plaats].

In de overeenkomst is opgenomen dat [medeverdachte 2] (medeverdachte) verklaart dat hij feitelijk leiding heeft gehad over [bedrijf] vanaf 30 september 2008. Tevens is in de overeenkomst opgenomen dat vanaf 30 september 2008 alleen [medeverdachte 2] de volledige inzage in de administratie van [bedrijf] had. Verder is in deze overeenkomst opgenomen dat de complete administratie door [medeverdachte 2] is ontvangen.

Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij de overeenkomst heeft opgemaakt. Hij heeft ook verklaard dat hij feitelijk leidinggevende was van [bedrijf] Medeverdachte [medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij heeft getekend voor het feit dat hij vanaf 30 september 2008 feitelijk leidinggevende was, maar dat dit niet zo is geweest. Voorts heeft [medeverdachte 2] verklaard dat met hem summier is gesproken over fiscale schuld en crediteuren, maar dat dit hem niet zo interesseerde. [medeverdachte 2] heeft verder verklaard dat hij geen administratieve stukken heeft ingezien en geen administratieve stukken heeft ontvangen of heeft meegenomen.

Verdachte heeft verklaard dat hij de overeenkomst getekend heeft. Verdachte heeft tevens verklaard dat hij bij het tekenen van de overeenkomst geen administratie heeft gezien of heeft overgedragen.

Bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 2

Op grond van bovengenoemde feiten en omstandigheden - in onderling verband en samenhang bezien - komt de rechtbank tot het oordeel dat verdachte door het – met een ander – zetten van een handtekening onder deze overeenkomst een valse overeenkomst heeft opgesteld. De tekst van de overeenkomst is opgesteld door medeverdachte [medeverdachte 1] en verdachte heeft door het zetten van zijn handtekening met de inhoud van de overeenkomst ingestemd en de onderhandse overeenkomst vervolmaakt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte hierdoor de overeenkomst mede opgemaakt.

Verdachte heeft verklaard dat hij het stuk voor het zetten van zijn handtekeningen niet heeft doorgelezen. Door op die manier te handelen heeft verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat het stuk dat hij tekende niet naar waarheid was opgesteld en was zijn opzet in voorwaardelijke vorm gericht op de valsheid. De rechtbank stelt dus vast dat verdachte opzettelijk heeft gehandeld.

De rechtbank overweegt dat de overeenkomst een onderhandse akte betreft. Een dergelijk stuk is naar zijn aard bedoeld om te dienen tot het bewijs van hetgeen is overeengekomen door degenen die bij de overeenkomst zijn betrokken. Verdachte en zijn mededaders hadden het oogmerk die overeenkomst als echt en onvervalst te gebruiken en door anderen te doen gebruiken.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

2.

in de periode van 1 juni 2010 tot en met 30 juni 2010 in Nederland tezamen en in vereniging met anderen een geschrift te weten

- de overeenkomst getiteld 'overdracht van directie en administratie van [bedrijf]

B.V. aan de heer [medeverdachte 2]' d.d. 15 juni 2010 zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt, immers hebben hij, verdachte en zijn mededaders valselijk en in strijd met de waarheid in die overeenkomst opgenomen dat [medeverdachte 2] met ingang van 30 september 2008 de feitelijk leidinggever was en beschikking had over de volledige administratie van [bedrijf] terwijl in werkelijkheid zijn mededader feitelijk leidinggever was van [bedrijf] en [medeverdachte 2] niet de beschikking had over de volledige administratie van [bedrijf] zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in het bewezenverklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

Medeplegen van valsheid in geschrift.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een werkstraf voor de duur van 200 uren, met aftrek van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht,en een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden voorwaardelijk.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte vrijgesproken dient te worden. Subsidiair heeft de raadsvrouw aangevoerd dat rekening dient te worden gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en dat de straf gematigd dient te worden.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift. Hiermee heeft verdachte misbruik gemaakt van het vertrouwen dat in het maatschappelijk verkeer pleegt te worden gesteld in schriftelijke stukken met bewijsbestemming. Dit rekent de rechtbank verdachte zwaar aan.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank rekening gehouden met een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 18 mei 2011 waaruit blijkt dat verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld.

De officier van justitie is bij haar eis uitgegaan van een bewezenverklaring van beide ten laste gelegde feiten. Nu de rechtbank slechts bewezen acht dat verdachte het onder feit 2 tenlastegelegde heeft begaan, zal zij een lagere straf opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd. De rechtbank weegt mee dat de officier van justitie aan medeverdachten in deze zaak een transactievoorstel van een werkstraf van 60 uren heeft gedaan voor een soortgelijk feit. Ook de straffen die zijn opgelegd aan medeverdachten in deze zaak betrekt de rechtbank in haar oordeel.

Alles afwegend komt de rechtbank tot de conclusie dat een werkstraf voor de duur van 60 uren passend en geboden is.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 22c, 22d, 47 en 225 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder 1 ten laste gelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Medeplegen van valsheid in geschrift;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 60 uren met aftrek van de tijd die in verzekering is doorgebracht waarbij voor 1 dag inverzekeringstelling 2 uur op de werkstraf in mindering wordt gebracht;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 30 dagen.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.P. den Otter, voorzitter, mr. J.M. Bruins en

mr. M.S. Koppert, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R. Willemsen, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 19 december 2011.