Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BU8560

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
14-12-2011
Datum publicatie
19-12-2011
Zaaknummer
743716 UC EXPL 11-4549 mh
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres vordert in conventie betaling facturen voor de levering van zakjes ijsmix. Gedaagde stelt zich op het standpunt dat eiseres, behalve het leveren van ijsmix, ook aanvullende diensten had moeten verrichten. Deze aanvullende diensten zijn volgens haar niet geleverd, zodat gedaagde haar betalingsverplichtingen heeft opgeschort. In reconventie vordert gedaagde schadevergoeding als gevolg van wanprestatie door eiseres. De kantonrechter oordeelt dat gedaagde onvoldoende feiten en omstandigheden heeft aangevoerd ter onderbouwing van haar verweer, zodat zij niet gerechtigd was haar betalingsverplichtingen op te schorten. De door eiseres gevorderde wettelijke handelsrente over de proceskosten wordt evenwel afgewezen. De reconventionele vordering wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

sector handel en kanton

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 743716 UC EXPL 11-4549 mh

vonnis van 14 december 2011

inzake

de besloten vennootschap

Bakeplus Zevenaar BV

voorheen Grobak Zevenaar BV,

gevestigd te Zevenaar,

verder te noemen: Grobak,

eiseres,

gemachtigde: R.P.A. Schuman,

tegen

de besloten vennootschap

Doste BV,

gevestigd te Utrecht,

verder te noemen: Doste,

gedaagde,

procederend in persoon.

1. Het verloop van de procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 27 april 2011;

- de brief van 18 mei 2011 van Doste ten behoeve van de comparitie;

- de comparitie van partijen van 16 augustus 2011, waarvan aantekening is gehouden;

- de akte na comparitie met producties van Doste;

- de antwoordakte na comparitie met een productie van Grobak.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. Feiten

2.1. Grobak heeft in 2010 zakjes ijsmix van Il Primo aan Doste verkocht en geleverd, waarvoor Grobak Doste heeft gefactureerd. Sommige facturen zijn door Doste betaald. De facturen die in de periode van 20 augustus 2010 tot en met 28 december 2010 zijn gestuurd, heeft Doste, ondanks aanmaningen, echter niet betaald. In totaal staat een bedrag van € 1.282,18 (inclusief BTW) open.

2.2. Medio oktober 2007 heeft een uitgebreide e-mailwisseling tussen partijen plaatsgevonden. In haar mailbericht van 17 oktober 2010 aan [A] van Grobak schort Doste haar betalingsverplichtingen op.

2.3. Bij brief van 4 januari 2011 aan Grobak schrijft [B] van Doste onder meer:

“Zoals aan u bekend hebben wij betalingen opgeschort teneinde te verkrijgen wat ons is toegezegd. Helaas hebben wij moeten constateren dat u daarbij nalatig bent geweest / in gebreke bent gebleven. Toezeggingen worden niet nagekomen, correspondentie wordt maar half beantwoord, ondersteuning – behorend bij verkoop van een compleet concept – wordt niet geboden.

Eind april / begin mei zijn wij met Grobak B.V. in zee gegaan met betrekking tot het concept Il Primo, wij kozen voor een concept (en de daarbij behorende prijsstelling) en niet slechts voor sec afname van “zakjes ijsmix” teneinde onze klanten een zo goed mogelijk product te kunnen leveren en profijt te hebben van de kennis van Grobak B.V. en Il Primo.

Destijds zijn er afspraken gemaakt die – onder andere – een evaluatie van het concept betroffen. (…)

Meermalen heeft Doste B.V. om contact met Il Primo gevraagd, ondersteuning gevraagd met betrekking tot de af te nemen producten en de verwerking daarvan en gevraagd om ideeën, recepten, marketing advies etc. (…).”

3. Het geschil

in conventie

3.1. Grobak vordert dat de kantonrechter bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis veroordeelt:

- tot betaling van een bedrag van € 1.520,03 (de hoofdsom van € 1.282,18, vermeerderd met de handelsrente tot en met 1 maart 2011 en buitengerechtelijke incassokosten van € 198,27), vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf 2 maart 2011 tot de dag van algehele voldoening;

- in de kosten van het geding, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als niet binnen 14 dagen na de betekening van het vonnis tot betaling is overgegaan.

3.2. Grobak stelt dat zij met Doste overeen is gekomen dat zij zakjes ijsmix van het merk Il Primo voor een bruto stuksprijs van € 3,74 zou leveren, hetgeen zij heeft gedaan. Ten onrechte houdt Doste betaling van de facturen achter.

3.3. Doste voert verweer. Kort samengevat voert zij aan dat zij een overeenkomst met Grobak is aangegaan met betrekking tot het concept Il Primo. Op grond van deze overeenkomst zou Grobak niet alleen ijsmix leveren, maar ook ondersteuning en begeleiding bieden en training verzorgen (zie r.o. 2.3). Op dit geheel van diensten is de prijsstelling gebaseerd, aldus Doste. Grobak heeft evenwel alleen ijs geleverd, zodat zij haar contractuele verplichtingen in zoverre niet is nagekomen. Hierom heeft Doste haar betalingsverplichtingen opgeschort.

3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.5. Hoewel Doste niet met zoveel woorden een reconventionele vordering heeft ingesteld, begrijpt de kantonrechter dat zij wel de bedoeling heeft een tegeneis in te stellen. Doste vordert in haar conclusie van antwoord namelijk creditering van € 1,- per zakje ijsmix (welke creditering verrekend moet worden met het in conventie door Grobak gevorderde bedrag) alsmede vergoeding door Grobak van de kosten van de cursus ijsbereider ten bedrage van in totaal € 1.050,-. Ter onderbouwing van de kosten verwijst zij naar twee facturen van Rijnijssel.

3.6. Doste legt aan deze vordering ten grondslag dat de stuksprijs van € 3,75 niet alleen betrekking had op de levering van de ijsmix, maar ook op het geven van ondersteuning, begeleiding en een training. Omdat Grobak deze laatste verplichtingen niet is nagekomen, hoeft zij daarvoor ook niet te betalen, aldus Doste. Verder heeft een medewerker van Doste op kosten van Doste een ijscursus moeten volgen. De kosten daarvan moeten door Grobak worden gedragen, aldus nog steeds Doste. Kennelijk bedoelt zij te zeggen dat een van haar medewerkers de ijscursus als gevolg van wanprestatie van Grobak heeft moeten volgen, hetgeen tot schade heeft geleid die Grobak aan haar moet vergoeden.

3.7. Grobak voert als verweer dat zij een logistieke dienstverlener is die alleen ijsmix van de leverancier Il Primo levert. De stuksprijs die zij aan klanten berekent, is opgebouwd uit de aankoopprijs van de ijsmix vermeerderd met een logistieke vergoeding. Tijdens de zitting en in haar antwoordakte na comparitie heeft Grobak toegelicht dat er wel besprekingen hebben plaatsgevonden waarin de mogelijkheden zijn onderzocht om het onderhavige “productconcept” om te zetten naar een “formuleconcept”, maar deze besprekingen hebben volgens haar niet geleid tot wilsovereenstemming.

3.8. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

in conventie en in reconventie

4.1. Vanwege de verwevenheid tussen de vorderingen zal de kantonrechter de stellingen van partijen in conventie en in reconventie gezamenlijk beoordelen.

4.2. Niet in geschil is dat Grobak ijsmix aan Doste heeft geleverd, zodat Doste de waarde hiervan moet vergoeden. Volgens Grobak is de bruto stuksprijs van de ijsmix € 3,74, welke prijs zij ook aan Doste gefactureerd heeft. Doste voert aan dat zij alleen gehouden is voor de ijsmix te betalen, omdat Grobak geen aanvullende diensten heeft geleverd. Doste stelt dat de marktconforme bruto waarde van de ijsmix € 2,74 bedraagt.

4.3. Ter onderbouwing van haar verweer dat Grobak aanvullende diensten zou verlenen, beroept Doste zich op een zestal producties die zij bij haar akte na comparitie in het geding heeft gebracht. De kantonrechter is van oordeel dat uit deze producties niet blijkt dat Grobak en Doste overeen zijn gekomen dat eerstgenoemde – naast de levering van ijsmix – ook aanvullende diensten zou verlenen. Vier producties (mailberichten) hebben namelijk betrekking op de kwaliteit van het geleverde ijs en de zakjes waarin het ijs verpakt is en niet op aanvullende diensten, zodat deze mails niet kunnen dienen ter ondersteuning van het verweer van Doste.

Weliswaar heeft Doste ook twee samenvattingen van gesprekken in het geding gebracht, waarin wordt gesproken over “voorstellen” met betrekking tot de manier waarop men klanten wil “gaan benaderen”, maar in deze gespreksverslagen kan zonder nadere toelichting, die ontbreekt, evenmin steun worden gevonden voor de stellingen van Doste. Deze gespreksverslagen geven veeleer steun aan de stellingen van Grobak dat men slechts gesproken heeft over een omzetting naar een formuleconcept, maar dat het niet tot een dergelijke omzetting is gekomen (zie r.o. 3.7).

4.4. Het voorgaande leidt ertoe dat Doste onvoldoende feiten en omstandigheden heeft aangevoerd om de conclusie te rechtvaardigen dat Grobak op grond van de overeenkomst ook gehouden was aanvullende diensten te leveren en dat de stuksprijs van € 3,74 ook betrekking heeft op deze aanvullende diensten. Het moet er daarom, zoals door Grobak is gesteld, voor worden gehouden dat de overeenkomst tussen partijen uitsluitend betrekking heeft op de levering van zakjes ijsmix door Grobak aan Doste. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen.

Dit betekent dat Grobak aan haar contractuele verplichtingen heeft voldaan en Doste haar betalingsverplichtingen ten onrechte heeft opgeschort. De vordering van Grobak tot betaling van de facturen zal dan ook worden toegewezen.

4.5. Voornoemd oordeel brengt ook mee dat Grobak niet gehouden is de kosten van de ijscursus aan Doste te vergoeden, omdat geen sprake is van een toerekenbare tekortkoming door Grobak die tot een verplichting tot schadevergoeding leidt.

Wettelijke handelsrente

4.6. Doste heeft geen verweer gevoerd tegen de door Grobak gevorderde handelsrente. De kantonrechter stelt evenwel vast dat de facturen waarvan Grobak betaling vordert, geen betaaltermijnen noemen. Evenmin is vast komen te staan wanneer Doste de facturen of de verkochte zaken heeft ontvangen, zodat de aanvangstermijn van de rente niet op de voet van artikel 6:119a lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan worden vastgesteld. De kantonrechter zal de gevorderde handelsrente dan ook toewijzen vanaf de dag van de dagvaarding (zijnde 16 maart 2011).

Buitengerechtelijke incassokosten

4.7. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke (incasso)kosten zal – mede gelet op de door deze rechtbank gevolgde aanbevelingen van het Rapport Voorwerk II – worden afgewezen. Uit de door Grobak gegeven omschrijving van de verrichte werkzaamheden blijkt niet dat kosten zijn gemaakt die betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een (niet aanvaard) schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De kosten waarvan Grobak vergoeding vordert, moeten dan ook worden aangemerkt als betrekking hebbend op verrichtingen waarvoor de proceskostenveroordeling wordt geacht een vergoeding in te sluiten.

Proceskosten

4.8. In conventie zal Doste als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Grobak worden begroot op:

- dagvaarding € 87,31

- vast recht 284,00

- salaris gemachtigde 450,00 (3,0 punten × tarief € 150,00)

Totaal € 821,31

Doste zal in reconventie niet in de proceskosten worden veroordeeld, omdat Grobak dit niet heeft gevorderd.

4.9. Grobak vordert ook de wettelijke handelsrente over de proceskosten. De handelsrechte als bedoeld in artikel 6:119a BW is echter niet van toepassing op vergoeding van proceskosten. Ingevolge voornoemd artikel, dat een implementatie is van de EG-richtlijn betreffende bestrijding van betalingsachterstand bij handelstransacties (Richtlijn 2000/35/EG, PbEG L 200/35 van 8 augustus 2000), is de wettelijke handelsrente van toepassing op alle betalingen tot vergoeding van handelstransacties. Het begrip “handelstransactie” is in artikel 2, aanhef en onder 1 van deze richtlijn gedefinieerd als een “transactie tussen ondernemingen of tussen ondernemingen en overheidsinstanties die leiden tot het leveren van goederen of het verrichten van diensten tegen vergoeding.” Het begrip “onderneming” is in artikel 2, aanhef en onder 1 van de richtlijn omschreven als “elke organisatie die handelt in het kader van haar zelfstandige economische of beroepsmatige activiteit, ook wanneer deze door slechts één persoon wordt uitgeoefend.”

Uit de wetsgeschiedenis (MvT, Kamerstukken II 2001/02, 28 239, nr. 3, p. 8-9) blijkt dat de wetgever het begrip “handelstransactie” heeft verbonden aan die transacties waarvoor een factuur moet worden uitgereikt.

Voor zover de vordering betrekking heeft op de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW zal deze evenwel op de hierna te vermelden wijze worden toegewezen.

5. De beslissing

De kantonrechter

in conventie

5.1. veroordeelt Doste aan Grobak te betalen een bedrag van € 1.282,18, vermeerderd met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over dit bedrag vanaf 16 maart 2011 tot de dag van volledige betaling,

5.2. veroordeelt Doste tot betaling van de proceskosten aan de zijde van Grobak, tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 821,31, waarin begrepen € 450,00 aan salaris gemachtigde, te vermeerderen – onder de voorwaarde dat betekening van dit vonnis heeft plaatsgevonden en Doste niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan – met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de vijftiende dag na voormelde aanschrijving,

5.3. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

5.4. wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

5.5. wijst de vorderingen af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.E. Heinemann, kantonrechter, en is in het openbaar uitgesproken op 14 december 2011.