Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BU8438

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
16-11-2011
Datum publicatie
16-12-2011
Zaaknummer
16/600228-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ontucht met minderjarige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/600228-11

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 17 november 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1947] te [geboorteplaats]

wonende aan de [adres]

3581 GJ Utrecht

raadsman mr. M.P.H. van Wezel, advocaat te Utrecht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 3 november 2011, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

1. (primair) in de periode van 19 augustus 1998 tot en met 18 augustus 2002 meermalen ontucht heeft gepleegd met [slachtoffer], mede bestaande uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], die toen jonger was dan 16 jaar, dan wel (subsidiair) in die periode meermalen ontucht heeft gepleegd met die [slachtoffer].

2. (primair) in de periode van 19 augustus 2002 tot en met 1 september 2009 meermalen [slachtoffer] heeft verkracht dan wel (subsidiair) meermalen de eerbaarheid van die [slachtoffer] feitelijk heeft aangerand.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht, gelet op de in het dossier aanwezige bewijsmiddelen, alleen het onder 1 subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen en heeft verzocht verdachte van het overige ten laste gelegde vrij te spreken.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft eveneens bepleit verdachte van het onder 1 primair ten laste gelegde alsmede van het onder 2 ten laste gelegde vrij te spreken. Alleen het onder 1 subsidiair ten laste gelegde kan, aldus de verdediging, bewezen worden voor zover het ontuchtige aanrakingen over de kleding betreft. De verdediging wijst erop dat verdachte ontkent dat hij [slachtoffer] vóór zijn 16de jaar, onder zijn kleding ontuchtig heeft aangeraakt. Dat dit zou hebben plaatsgevonden wordt, behalve door de verklaring van aangever, ook niet door een ander bewijsmiddel ondersteund.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

4.3.1 De bewijsmiddelen

[slachtoffer] ([slachtoffer]), geboren op [1986], heeft op 22 februari 2010 aangifte gedaan tegen verdachte en is op 16 maart 2011 gehoord als getuige bij de rechter-commissaris. [slachtoffer] heeft aldaar verklaard dat hij ongeveer 12 of 13 jaar oud was toen hij verdachte, destijds zijn buurman, leerde kennen. Hij verklaart dat verdachte op een gegeven moment vroeg of hij auto met hem wilde rijden. Hij ging dan bij verdachte op schoot zitten en mocht sturen. Hij voelde hoe verdachte dan met zijn kruis aan het bewegen was tegen zijn kont. Dit gebeurde, aldus [slachtoffer], op een stille, sneaky manier. De handen van verdachte waren onderaan het stuur, bij zijn kruis, hij voelde de vingers van verdachte over zijn kruis, zijn geslachtsdeel gaan. Dit was over zijn kleding heen. [slachtoffer] verklaart dat deze handelin-gen in de auto meerdere malen hebben plaatsgevonden en doorgingen tot zijn dertiende. [slachtoffer] heeft voorts verklaard dat ook als hij bij verdachte thuis op de computer een spelletje zat te spelen, verdachte opeens naast hem kwam zitten en dan langzaam met zijn hand naar zijn kruis toe ging en hem daar masseerde.

Verdachte heeft bekend dat hij [slachtoffer] onzedelijk heeft aangeraakt op 12/ 13 jarige leeftijd.

Hij heeft verklaard dat hij, over de kleding heen, over de gulp van [slachtoffer] heeft gewreven, en quasi per ongeluk zijn billen heeft aangeraakt. Voorts heeft hij verklaard dat hij [slachtoffer] in de auto op schoot heeft genomen om hem te laten rijden en toen zijn kruis heeft aangeraakt. Ook toen [slachtoffer] in zijn woning een computerspel zat te doen, heeft hij zich over hem heengebogen en hem in zijn kruis aangeraakt. Verdachte heeft verklaard dat hij [slachtoffer] op 12 of 13 jarige leeftijd in totaal zes keer bij verschillende gelegenheden onzedelijk over de kleding heen heeft betast.

4.3.2 Nadere overwegingen met betrekking tot het bewijs

Inleiding

Aan verdachte zijn diverse zedendelicten tenlastegelegd. Zedenzaken kenmerken zich doorgaans door het feit dat slechts twee personen aanwezig zijn bij de seksuele handelingen: het veronderstelde slachtoffer en de veronderstelde dader. Ook in de onderhavige zaak is dit het geval. Dit brengt met zich dat, bij een (deels) ontkennende verdachte, veelal slechts de (getuigen)verklaringen van het veronderstelde slachtoffer als wettig bewijsmiddel voorhan-den zijn. Op grond van het bepaalde in artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Straf-vordering kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, door de rechter echter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de door één getuige gereleveerde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. Met dit uitgangspunt indachtig komt de rechtbank tot de volgende overwegingen.

Vrijspraak van het onder 1 primair ten laste gelegde

De rechtbank acht, evenals de verdediging en de officier van justitie, het primair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen. [slachtoffer] heeft in zijn aangifte en bij de rechter-commissaris verklaard dat verdachte vóór zijn 16e levensjaar ontuchtige handelingen bij hem heeft verricht, bestaande uit onder meer het seksueel binnendringen van zijn lichaam. Verdachte heeft ontkend dat hij seksueel zou zijn binnengedrongen in het lichaam van [slachtoffer] vóór zijn zestiende verjaring. Deze verklaring van [slachtoffer] wordt ook niet ondersteund door andere bewijsmiddelen in het dossier. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat [slachtoffer] in het eerste informatieve gesprek met de politie heeft verklaard dat het seksueel binnendringen pas is begonnen vanaf zijn zestiende jaar.

Op grond van deze overwegingen dient verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde

De rechtbank acht het onder 1 subsidiair ten laste gelegde feit deels wettig en overtuigend bewezen. Gelet op de verklaringen van [slachtoffer] en verdachte, zoals onder 4.3.1. weergegeven, is vast komen te staan dat verdachte gedurende de periode van een jaar meerdere malen -over de kleding- het kruis [slachtoffer] heeft betast, gemasseerd en daarover heeft gewreven, de billen van [slachtoffer] onverhoeds heeft aangeraakt en zijn kruis tegen de billen van [slachtoffer] heeft geduwd en bewogen. De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer] zou hebben uitgekleed, zich door [slachtoffer] heeft laten aftrekken, [slachtoffer] heeft afgetrokken en aan de anus van [slachtoffer] zou hebben gelikt. Dit onderdeel van de tenlastelegging wordt door verdachte weersproken en wordt -behalve door de verklaring van [slachtoffer]- niet door enig ander bewijsmiddel bevestigd. De rechtbank zal verdachte van die onderdelen van het subsidiair ten laste gelegde vrijspreken.

Ten aanzien van feit 2

Zowel [slachtoffer] als aangever hebben verklaard dat er na de zestiende verjaardag van [slachtoffer] meermalen seksuele contacten tussen hen hebben plaatsgevonden.

Om tot een bewezenverklaring te kunnen komen van het onder 2, primair dan wel subsidiair ten laste gelegde, dient te worden vastgesteld dat sprake is geweest van dwang, in die zin dat het slachtoffer, [slachtoffer], in redelijkheid geen weerstand tegen bepaalde handelingen kon bieden. De rechtbank kan op basis van het onderliggende dossier niet buiten redelijke twijfel vaststellen dat in de onderhavige zaak van een dergelijke situatie sprake was. Zowel door aangever als door verdachte is verklaard dat het initiatief tot seksueel contact vanaf de tijd dat [slachtoffer] 16 jaar was van [slachtoffer] uitging. [slachtoffer] heeft verklaard dat verdachte hem niet tot seksueel contact heeft gedwongen, en dat verdachte hem ook niet heeft betaald voor seks. De enkele omstandigheid dat verdachte de buurman van [slachtoffer] was en aanzienlijk ouder, is op zichzelf onvoldoende om te spreken van een feitelijkheid als gevolg waarvan verdachte [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van seksuele handelingen. Ook de psychische kwetsbaarheid van [slachtoffer], waarover zijn moeder en anderen bij de politie hebben verklaard, leidt niet zonder meer tot de vaststelling dat sprake is geweest van dwang. De rechtbank kan daarover geen conclusies trekken nu zij niet beschikt over objectieve gegevens aangaande de psychische gesteldheid van [slachtoffer].

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank verdachte van het onder 2 ten laste gelegde vrijspreken. De rechtbank merkt hierbij wel op dat verdachte naar haar oordeel een moreel verwijt treft ten aanzien van het gebeurde. Verdachte is bijna 40 jaar ouder dan [slachtoffer] en had -mede gezien het gebeurde vóór de zestiende verjaardag van [slachtoffer] en de hem bekende omstandigheid dat [slachtoffer] een psychisch kwetsbare jongen is- beter moeten weten en niet in moeten gaan op de initiatieven van [slachtoffer] tot seksueel contact. Verdachte heeft alleen aan zijn eigen belang gedacht en niet de verantwoordelijkheid voor zijn eigen gedrag genomen, gezien zijn verklaring dat hij zich gedwongen voelde tot seksueel contact met [slachtoffer] omdat [slachtoffer] dreigde anders openbaar te maken wat op 12/13 jarige leeftijd van [slachtoffer] tussen hen was voorgevallen.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen het onder 1 subsidiair ten laste gelegde en wel dat verdachte

op meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 19 augustus 1998 tot en met 18 augustus 2002 te Utrecht met [slachtoffer], geboren op [1986], die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, bestaande uit het ontuchtig

meermalen

- over de kleding het kruis van die [slachtoffer] betasten en strelen en masseren en

- onverhoeds de billen van die [slachtoffer] aanraken en

- over de kleding zijn kruis tegen de billen van die [slachtoffer] duwen en bewegen.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op:

met iemand beneden de leeftijd van 16 jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, meermalen gepleegd.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 131 dagen, waarvan 120 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Gedurende deze proeftijd dient verdachte zich te houden aan de aanwijzingen van de reclassering. Daarnaast heeft zij gevorderd aan verdachte een werkstraf op te leggen voor de duur 180 uur, subsidiair 90 dagen vervangende hechtenis.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft het opleggen van een lagere straf bepleit.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft gedurende de periode van ongeveer een jaar [slachtoffer] diverse keren onzedelijk betast. Door deze handelwijze heeft hij op ernstige wijze de lichamelijke integriteit van [slachtoffer] geschonden. Verdachte heeft zich hierbij laten leiden door zijn eigen lustgevoelens en geen rekening gehouden met de gevoelens van [slachtoffer]. Hiermee heeft verdachte een normale en gezonde ontwikkeling van [slachtoffer] in een kwetsbare periode van zijn leven nadelig beïnvloed. [slachtoffer] zal dat wat hem is overkomen zijn hele leven met zich moeten meedragen en het is een feit van algemene bekendheid dat dit vaak langdurige en ernstige schade kan toebrengen aan de geestelijke gezondheid. .

[slachtoffer] heeft een schriftelijke slachtofferverklaring overgelegd waarin hij verklaart dat het tenlastegelegde een negatieve ervaring voor hem was, waar hij nog steeds last van heeft.

De rechtbank heeft voor wat betreft de persoon van verdachte gelet op een de verdachte betreffende rapportage van Reclassering Nederland d.d. 10 augustus 2011 en het rapport van psycholoog Kröger d.d. 12 mei 2011. Uit deze rapportages volgt dat verdachte sinds vier jaar op vrijwillige basis behandeld wordt bij De Waag. Ook blijkt uit de rapporten dat de handelwijze van verdachte voor een deel voortkomt uit seksueel misbruik dat hem in zijn eigen jeugd is overkomen. Daar houdt de rechtbank in de strafoplegging in enige mate rekening mee. Voornoemde rapporteur schat de kans op recidive op korte termijn laag in. Voor de langere termijn worden nog wel risico’s gezien, en wordt geadviseerd de huidige behandeling voort te zetten. Geadviseerd wordt een (gedeeltelijk) voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldingsgebod en een behandelverplichting. De rechtbank heeft voorts gelet op het strafblad van verdachte, waaruit blijkt dat hij niet eerder strafrechtelijk is veroordeeld.

Alles overziende acht de rechtbank - mede gelet op omstandigheid dat hetgeen bewezen is verklaard geruime tijd geleden heeft plaatsgevonden- een werkstraf voor de duur van 150 uur, subsidiair 75 dagen vervangende hechtenis, waarvan 60 uur, subsidiair 30 dagen vervangende hechtenis, voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar passend en geboden. Gedurende deze proeftijd dient verdachte zich te houden aan de aanwijzingen van de reclassering, ook als dat inhoudt een meldingsgebod en een behandeling bij De Waag of een soortgelijke instelling. In de door de verdediging ter zitting naar voren gebrachte omstandigheden ziet de rechtbank geen reden voor een mildere straf.

7 De benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert een schadevergoeding van € 2.531,--. Deze vordering heeft voor een bedrag van

€ 31,-- betrekking op materiële schade en voor een bedrag van € 2.500,-- betrekking op immateriële schade.

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat deze vordering tot een bedrag van

€ 2.000,-- kan worden toegewezen en voor het overige niet ontvankelijk dient te worden verklaard. De verdediging heeft afwijzing van de vordering bepleit.

De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade ter hoogte van € 31,-- voldoende aannemelijk is gemaakt en zal dit bedrag toewijzen. De gevorderde immateriële schade is naar het oordeel van de rechtbank voor een bedrag € 500,-- een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde feit en zij acht verdachte aansprakelijk voor die schade. Dit bedrag zal eveneens worden toegewezen.

Voor het overige acht de rechtbank het gevorderde bedrag onvoldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de benadeelde partij daarom voor dat deel niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering. Voor dat deel kan de benadeelde partij haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schademaatregel opleggen.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14, 14a, 14b, 14d, 22c, 22d, 24c, 36f en 247 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van de onder 1, primair, en de onder 2 ten laste gelegde feiten.

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4. is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

met iemand beneden de leeftijd van 16 jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, meermalen gepleegd.

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf voor de duur van 150 uren, te vervangen door hechtenis voor de duur van 75 dagen indien de verdachte deze straf niet naar behoren verricht;

- bepaalt dat van deze werkstraf een gedeelte van 60 uur, te vervangen door hechtenis voor de duur van 30 dagen indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders mocht worden gelast;

- stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.

- bepaalt dat de tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt of omdat verdachte na te noemen bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.

stelt als bijzondere voorwaarde:

- dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften

en aanwijzingen die worden gegeven door of namens Reclassering Nederland, ook als

dat inhoudt een meldingsgebod en/of een behandeling bij De Waag of een soortgelijke

instelling;

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen

bij de naleving van deze voorwaarde;

- beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht bij de uitvoering van de werkstraf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uren taakstraf per dag inverzekeringstelling;

- heft het reeds geschorste bevel voorlopige hechtenis op met ingang van het onherroepelijk worden van dit vonnis.

Benadeelde partij

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van € 531,--- waarvan € 31,-- ter zake van materiële schade en € 500,-- ter zake van immateriële schade;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] € 531,-- te betalen, bij niet betaling te vervangen door 10 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Dit vonnis is gewezen door mr. H.A. Brouwer, voorzitter, mr. I.P.H.M. Severeijns en mr. E.A.A. van Kalveen rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.J.C.J. Evers, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 17 november 2011.

Mr H.A. Brouwer is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen