Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BU8282

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
01-11-2011
Datum publicatie
15-12-2011
Zaaknummer
16/600781-11 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Medeplegen woninginbraak. Beoordeling betrouwbaarheid verklaringen medeverdachte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/600781-11 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 1 november 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1990] te [geboorteplaats], Marokko,

gedetineerd voor deze zaak in Huis van Bewaring Wolvenplein te Utrecht,

raadsvrouw mr. M.K.J. Dikkerboom, advocaat te Amersfoort.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 18 oktober 2011, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

samen met een ander een woninginbraak heeft gepleegd.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging en er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan en baseert zich daarbij op de aangifte van [benadeelde], de verklaringen van getuige [getuige], de foto’s die zijn gemaakt door getuige [getuige] en de verklaringen van medeverdachte [medeverdachte]i.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit kan komen en wijst daarbij op het volgende. De diefstal van de goederen uit de woning van aangever [benadeelde] heeft op een eerder moment plaatsgevonden, aldus de raadsvrouw. Bij die diefstal uit de woning is verdachte niet betrokken geweest. Verdachte is niet in de woning van aangever [benadeelde] geweest; hij is enkel bij de woning geweest toen hij op verzoek van zijn neef, medeverdachte [medeverdachte]i, meefietste om spullen op te halen. Dat levert mogelijk een ander strafbaar feit op, dat echter niet aan verdachte is ten laste gelegd.

De raadsvrouw heeft ook aangevoerd dat de verklaring van getuige [getuige] onjuist is als het gaat om de aanwezigheid van verdachte in de woning. Het zicht van getuige [getuige] op de woning van aangever [benadeelde] was onvoldoende om te kunnen zien wat zich in de keuken van de woning afspeelde. Daarnaast zijn, aldus de raadsvrouw, de verklaringen van medeverdachte [medeverdachte]i onbetrouwbaar: [medeverdachte] verklaart inconsistent op belangrijke onderdelen en verklaart pas bekennend nadat hij is geconfronteerd met de foto’s die zijn genomen door getuige [getuige].

Ten slotte zou de verklaring van verdachte over het gebeurde op 2 augustus 2011 beter aansluiten bij de geschatte duur die verdachte en zijn medeverdachte bij de woning hebben doorgebracht – ongeveer vijf minuten – dan bij de verklaringen die medeverdachte [medeverdachte] heeft afgelegd over de handelingen in de woning.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Op 2 augustus 2011 heeft [benadeelde] aangifte gedaan van inbraak in zijn woning. Zijn woning is gelegen aan de [adres] te [woonplaats]. Bij de inbraak zijn een laptop (merk Toshiba), een kentekenbewijs, een mobiele telefoon (merk Samsung), een videocamera (merk Canon), een fotocamera (merk Canon) en verschillende sleutels weggenomen.

Buurtbewoner [getuige] verklaart dat hij vanuit de badkamer in zijn woning twee jongens heeft gezien die zijn aandacht trokken. De jongens kwamen aanrijden en hebben hun fietsen bij de heg geplaatst met de voorkant van de fiets in de richting van waaruit ze waren gekomen. De jongens hebben de fietsen niet op slot gezet. Terwijl zij hun fietsen wegzetten, keken zij om zich heen. Daarna zijn de jongens uit het zicht van getuige [getuige] verdwenen. [getuige] verklaart dat hij vervolgens naar het balkon is gelopen voor beter zicht. Het volgende dat hij heeft gezien, waren de jongens die zich, na elkaar, in de keuken van de woning aan de [adres] bevonden. Getuige [getuige] verklaart hierover dat hij zeker weet dat de jongens in de keuken dezelfde jongens waren als die hij eerder op de fiets heeft gezien. [getuige] heeft deze jongens een derde keer gezien toen zij hun fietsen weer pakten, waarop hij die jongens op de foto heeft gezet. Om 19.46 uur heeft getuige [getuige] de politie gebeld.

Vervolgens is getuige [getuige] achter de jongens aangerend. Ondertussen heeft hij contact gehad met de politie en heeft hij het signalement van deze jongens doorgegeven aan de politie. Eén van de jongens droeg een roze blouse. In de directe omgeving van de [adres] wordt vervolgens een jongen staande gehouden die voldoet aan het door getuige [getuige] opgegeven signalement. Deze jongen, die [medeverdachte] is genaamd, wordt daarna door agenten op één van de foto’s van getuige [getuige] herkend als de jongen die even daarvoor, omstreeks 19.50 uur, is staande gehouden.

De andere jongen die op de foto’s van getuige [getuige] is te zien, wordt door de wijkagent herkend als [verdachte] (verder: verdachte).

Medeverdachte [medeverdachte]i verklaart dat hij en [verdachte] de inbraak samen hebben gepleegd. [medeverdachte] verklaart hierover dat hij de voordeur van de woning heeft ingetrapt, nadat [verdachte] had aangebeld en er niet werd opengedaan. Op de benedenverdieping van de woning hebben zij een laptop, een laptoptas en een paar tasjes gepakt waarvan [medeverdachte] zegt dat hij vrijwel zeker wist dat er camera’s in zaten. [medeverdachte] verklaart voorts dat zij beiden in de keuken van de woning zijn geweest en dat hij vanuit de keuken buren naar buiten zag kijken. [medeverdachte] had bovendien het vermoeden dat hij was gefotografeerd.

Bij de rechter-commissaris heeft [medeverdachte]i verklaard dat hij en [verdachte] de inbraak hebben gepleegd nadat zij boodschappen hadden gedaan. Zij deden boodschappen rond 19.30 uur, ongeveer 20 minuten voor de aanhouding. [medeverdachte] heeft ook verklaard dat hij in de keuken al zag dat ze in de gaten werden gehouden door de mensen die de foto’s hebben gemaakt. Volgens [medeverdachte] konden zij in de keuken kijken vanaf het balkon.

Betrouwbaarheid verklaringen medeverdachte [medeverdachte]

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de verklaringen van medeverdachte [medeverdachte] onbetrouwbaar en inconsistent zijn. De rechtbank overweegt hierover als volgt.

Naar het oordeel van de rechtbank is er geen reden aannemelijk geworden om aan het waarheidsgehalte en de betrouwbaarheid van de verklaringen die [medeverdachte] heeft afgelegd te twijfelen. De verklaringen van [medeverdachte] worden in belangrijke mate ondersteund door de verklaringen van getuige [getuige], die als onafhankelijke getuige geen enkel belang heeft bij het afleggen van een onterechte belastende verklaring voor verdachte.

De rechtbank wijst hierbij op de overeenkomsten in die verklaringen over de aanwezigheid van beide verdachten in de keuken van de [adres], de aanwezigheid van getuige [getuige] op het balkon en het maken van foto’s door getuige [getuige].

De verklaring van verdachte

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij naar huis is gegaan, nadat hij samen met zijn neef, medeverdachte [medeverdachte], rond 19.30 of 19.40 uur boodschappen had gedaan. Nadat hij had gebeden, zou hij om 19.50 uur opnieuw naar buiten zijn gegaan, waar hij [medeverdachte] en een derde jongen is tegengekomen. Deze derde jongen is geen bekende van verdachte en zou mogelijk [A] heten. Volgens verdachte is hij op verzoek van [medeverdachte] meegegaan en hebben zij samen twee tassen bij een woning opgehaald. Verdachte verklaart dat hij niet in de woning geweest. Verdachte verklaart voorts dat [medeverdachte] hem vertelde dat zij op de foto waren gezet en dat hij de tas, een schoudertas, die hij van [medeverdachte] had gekregen moest weggooien. Verdachte verklaart niet te hebben geweten dat deze schoudertas van diefstal afkomstig was en stelt dat de inbraak door [medeverdachte] en die andere jongen moet zijn gepleegd en dat zij hem hiervoor laten opdraaien.

Nadere bewijsoverweging ten aanzien van de verklaring van verdachte

De rechtbank acht de stelling van verdachte dat niet hij, maar een derde de inbraak heeft gepleegd niet aannemelijk. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Getuige [getuige] heeft twee jongens in de keuken van de woning aan de [adres] gezien. Dezelfde jongens had hij kort daarvoor aan zien komen op de fiets en deze jongens zijn, nadat hij hen in de keuken had gezien, door [getuige] op de foto gezet. Ter terechtzitting heeft verdachte erkend dat hij op die foto’s van getuige [getuige] te zien is en dat hij zijn fiets bij de heg heeft gezet. [getuige] heeft niet verklaard over een derde persoon in of bij de woning. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het verdachte was die samen met medeverdachte [medeverdachte] in de woning is geweest.

Hierbij wordt door de rechtbank mede betekenis toegekend aan de verklaringen van medeverdachte [medeverdachte], wiens verklaringen naar het oordeel van de rechtbank betrouwbaar moeten worden geacht. Ook sluit de aanhouding van [medeverdachte] om 19.50 uur de lezing van verdachte, inhoudende dat hij om 19.50 uur weer naar buiten is gegaan, waarna de ontmoeting met [medeverdachte] en de onbekende derde jongen volgde, uit.

Ten slotte overweegt de rechtbank dat verdachte ter terechtzitting heeft verklaard dat hij op 2 augustus 2011 de gehele dag in het gezelschap was van zijn neef, medeverdachte [medeverdachte]

De rechtbank acht gelet op het bovenstaande derhalve wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het hem ten laste gelegde feit heeft gepleegd.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 2 augustus 2011 te Utrecht tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning gelegen aan de [adres] heeft weggenomen diverse goederen, waaronder een laptop (merk Toshiba) en een mobiele telefoon (merk Samsung) en een kentekenbewijs en een videocamera (merk Canon) en een fototoestel (merk Canon) geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde] waarbij verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft en de weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door braak immers hebben hij, verdachte en zijn mededader een voordeur van voornoemde woning ingetrapt.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

Diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen waarvan 30 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren met als bijzondere voorwaarde dat verdachte zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen van de reclassering.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat kan worden volstaan met het opleggen van een kortere onvoorwaardelijke gevangenisstraf dan door de officier van justitie is gevorderd. Naar het oordeel van de raadsvrouw volstaat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf met een duur die gelijk is aan het voorarrest tot aan de terechtzitting. Voorts verzoekt de raadsvrouw om het deel van de voorlopige hechtenis tot aan de uitspraak om te zetten in een werkstraf voor de duur van 30 uren. Ten slotte heeft de raadsvrouw verzocht om een deel van de op te leggen straf voorwaardelijk op te leggen.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft samen met zijn neef een woninginbraak gepleegd. Aan het plegen van woninginbraken tilt de rechtbank zwaar. Woninginbraken veroorzaken niet alleen de nodige materiële schade, maar maken ook een forse inbreuk op de privacy van de bewoners. Het is voor hen vaak bijzonder onaangenaam om te leven met de wetenschap dat een vreemde in hun woning is geweest en hun persoonlijke bezittingen heeft doorzocht. Verdachte is, gelet op zijn strafblad van 6 september 2011, eenmaal eerder veroordeeld voor het plegen van een woninginbraak op 21 juni 2010 door de politierechter in deze rechtbank. Deze eerdere veroordeling heeft blijkbaar geen enkel positief effect gehad.

Alles afwegend komt de rechtbank tot het oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf voldoende recht doet aan de ernst van het feit en de persoon van de verdachte. De rechtbank zal derhalve een gevangenisstraf opleggen van 120 dagen. Een deel daarvan, te weten 30 dagen, wordt voorwaardelijk opgelegd. Met deze voorwaardelijke straf wordt beoogd verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Daarnaast maakt deze voorwaardelijke straf een verplichte begeleiding door Reclassering Nederland mogelijk. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard open te staan voor begeleiding door de Reclassering. De rechtbank neemt dan ook de bijzondere voorwaarden over zoals die worden geadviseerd in het advies van Reclassering Nederland van H. Wiebe van 23 september 2011, te weten een meldingsgebod en deelname aan een gedragsinterventie, namelijk ouder- en schoolgesprekken met de reclassering.

7 De benadeelde partij

7.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering geheel wordt toegewezen, met dien verstande dat de vordering hoofdelijk wordt toegewezen en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

7.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de lijst met goederen zoals die is opgesomd op het voegingsformulier niet overeen komt met de goederenbijlage bij de aangifte. De vordering dient om die reden te worden afgewezen of niet-ontvankelijk te worden verklaard.

7.3 Het oordeel van de rechtbank

De benadeelde partij [benadeelde] vordert een schadevergoeding van € 113,- voor het feit.

De rechtbank is van oordeel dat de schade een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde is voldoende aannemelijk gemaakt zodat de vordering zal worden toegewezen.

Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 24c, 36f, 310, 311 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 120 dagen, waarvan 30 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast,

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarden:

* dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens Reclassering Nederland;

* dat verdachte zich meldt bij Reclassering Nederland, op het adres Vivaldiplantsoen 200 in Utrecht, binnen vijf dagen volgend na de dag waarop dit vonnis onherroepelijk wordt en daarna zo dikwijls als die instelling dat nodig acht;

* dat verdachte deelneemt aan ouder- en schoolgesprekken met de reclassering;

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

Benadeelde partij

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde] van € 113,- ter zake van materiële schade;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- bepaalt dat voorzover dit bedrag door de mededader is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen.

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde], € 113,- te betalen, bij niet betaling te vervangen door 2 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat voorzover dit bedrag door de mededader is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Voorlopige hechtenis

- heft op het bevel tot gevangenhouding met onmiddellijke ingang.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.S.K. Fung Fen Chung, voorzitter, mr. Y.M.J.I. Baauw-de Bruijn en mr. J. Ebbens, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.J. Verborg, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 1 november 2011.