Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BU7701

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
30-11-2011
Datum publicatie
13-12-2011
Zaaknummer
302674 - HA ZA 11-441
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Met toepassing van Haviltex wordt geoordeeld dat gedaagde binnen de afgesproken periode de voorwaardelijke optieregeling heeft geformaliseerd. Eiser wordt in de gelegenheid gesteld haar subsidiaire grondslag nader toe te lichten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handel en kanton

Handelskamer

zaaknummer / rolnummer: 302674 / HA ZA 11-441

Vonnis van 30 november 2011

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres],

gevestigd te [vestigingsplaats],

eiseres,

advocaat mr. A.J. Tekstra te Amsterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

PHANOS FINANCIEL SERVICES BV,

gevestigd te Houten,

gedaagde,

advocaat mr. C.J. de Tombe te Utrecht.

Partijen zullen hierna [eiseres] en Phanos worden genoemd.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 18 mei 2011

- het proces-verbaal van comparitie van 17 augustus 2011.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Op 18 oktober 2007 hebben partijen een overeenkomst gesloten ter zake de verkoop van het aandelenbelang van [eiseres] in AFS Group B.V. (verder: “AFS”) aan Phanos. In een bijlage bij die overeenkomst (verder: de side-letter), eveneens gedateerd 18 oktober 2007, is – voor zover van belang – het volgende bepaald:

“Overeenkomst inzake voorwaardelijke optieverplichting [eiseres]

Overwegende dat;

1. [eiseres] (hierna te nomen [eiseres]) in het kader van het voorkomen of beperken van kapitaalverwatering bij conversie van de cum.pref.aandelen in gewone aandelen heeft toegezegd dat de op dat moment bestaande aandeelhouders en certificaathouders tezamen voor geconverteerde 10 mln.stuks cum.pref aandelen, gewone aandelen of certificaten van aandelen kunnen verkrijgen.

2. (…)

3. De directie van AFS eraan hecht dat na de koop/verkoop door [eiseres] aan Phanos de optieverplichtingen worden nagekomen.

(…)

Komen Phanos en [eiseres] het volgende overeen;

1. Phanos neemt de voorwaardelijke verplichting jegens op Overdrachtsdatum bestaande aandeelhouders en certificaathouders als in overwegingen hierboven opgenomen onder punt 1. van [eiseres] over onder voorwaarde van Overdracht en de regeling als bedoeld onder punt 4.

2. De financiële tegemoetkoming hiervoor, als compensatie voor de schade, wordt vastgesteld op EUR 300.000,00 met inachtname van het bepaalde onder 4.

3. Phanos en de directie van AFS moeten binnen een periode van 1 jaar (na het tekenen van de koopovereenkomst) een zodanige regeling formaliseren dat enerzijds vaststaat hoe de optieregeling er uitziet, maar anderzijds de eis van Phanos gehonoreerd wordt dat hun belang in AFS niet daalt onder de 67%.

4. Indien de regeling als bedoeld in punt 2, er toe leidt dat aan de aandeelhouders/certificaathouders als bedoeld in punt 1. van de overwegingen minder dan 10 mln. Preferente aandelen wordt uitgegeven, respectievelijk als de conversie van cum.pref.aandelen in gewone aandelen niet a pari geschiedt, is de schade voor Phanos minder groot en zal de niet geleden schade aan [eiseres] vergoed worden.

5. Als in de periode als bedoeld onder 3. geen regeling tot stand komt vervalt de financiële tegemoetkoming als bedoeld in punt 2. en wordt EUR 300.000,00 op eerste verzoek van [eiseres] door Phanos aan [eiseres] gerestitueerd en keert de onder punt 1. bedoelde voorwaardelijke verplichting terug naar [eiseres].

(…)”

2.2. Op 16 oktober 2008 heeft Phanos onder meer het volgende aan [eiseres] geschreven:

“Hierbij bericht ik je dat er uitvoerig overleg heeft plaatsgevonden met de directie van AFS Group B.V. over de uitwerking van de overeenkomst inzake voorwaardelijke optieverplichting (…), zoals die is vastgelegd in de side-letter bij de koopovereenkomst.

Tijdens dat overleg is nooit helemaal duidelijk geworden wat de toezegging als bedoeld in punt 1 van de considerans nu precies inhield. (…)

Verder is nooit helemaal duidelijk geworden wie precies bedoeld wordt met: “de op dat moment bestaande aandeelhouders en certificaathouders tezamen”. (…)

Bij deze onzekerheden hebben wij als uitgangspunt slechts kunnen vasthouden aan de in de considerans bedoelde achtergrond van de toezegging: het voorkomen of beperken van kapitaalverwatering bij conversie van cumulatief preferente aandelen in gewone aandelen. (…)

Kort en goed zijn we, gelet op bovenstaande onzekerheden, tot de volgende slotsom gekomen:

1. De vergadering van aandeelhouders van AFS Group B.V. neemt het besluit om alle geplaatste cumulatief preferente aandelen tegen een zodanige koers te converteren in gewone aandelen dat Phanos Financial Services na uitgifte van 10.000.000 additionele gewone aandelen een belang behoudt in AFS Group B.V. van 67%.

2. De vergadering van aandeelhouders van AFS Group B.V. besluit dat de directie van AFS Group B.V. wordt gemachtigd om 10.000.000 nieuwe gewone aandelen uit te geven onder de voorwaarden die de directie verkiest.

3. Van de 10.000.000 gewone aandelen worden ruim 2.000.000 tegen een prijs van EUR 012,8 per aandeel uitgegeven aan de heer [A]. De Vennootschap compenseert de heer [A] voor het verschil in de aan hem door de directie toegezegde uitgifteprijs van 0,104 per aandeel. (…)

4. Van de 10.000.000 gewone aandelen zullen er zoveel (certificaten van) gewone aandelen tegen een prijs van EUR 0,128 per (certificaat van een) gewoon aandeel worden uitgegeven aan [bedrijf] en de overige werknemers-certificaathouders dat ieder individueel belang ten opzichte van de situatie per 17 oktober 2007 niet verwatert. Deze uitgifte vindt uiteraard pas plaats aan die certificaathouders die te kennen hebben gegeven niet willen verwateren.

Naar de mening van de directie van AFS Group B.V. is met het vorenstaande voldaan aan de (…) toezegging als bedoeld in onderdeel van de considerans van de side-letter. Op grond van hetgeen hiervoor al over onderdeel 4 van de side-letter is opgemerkt ziet Phanos Financial Services B.V. geen reden om enig bedrag aan [eiseres] te restitueren. (…)”

2.3. Op 30 oktober 2008 is namens [eiseres] gereageerd op deze brief van Phanos. In deze reactie wordt - kort gezegd - ingegaan op de door Phanos gestelde onduidelijkheden ter zake de voorwaardelijke optieregeling. Verder stelt [eiseres] in haar reactie dat de heer [A], als genoemd onder punt 3 in de brief van Phanos, geen beroep op de voorwaardelijke optieregeling toekomt. Ten slotte vraagt [eiseres] om een lijst van de personen aan wie aandelen of certificaten worden uitgegeven en tegen welke koers, zodat de hoogte van de schade als bedoeld onder 4 van de side-letter kan worden berekend. Daarna is tussen partijen een discussie ontstaan over het wel of niet vrij geven van die gegevens en over het tekenen van een geheimhoudingsverklaring door [eiseres]. Deze discussie heeft veel tijd is beslag genomen.

2.4. In een brief van 15 september 2010 is Phanos door de raadsman van [eiseres] gesommeerd om het in de side-letter genoemde bedrag van EUR 300.000,00 te restitueren. Als grondslag voor die vordering wordt onder meer het volgende naar voren gebracht:

“U heeft op 16 oktober 2008 een brief aan cliënte gestuurd, waarin u allerlei opmerkingen omtrent de “uitwerking overeenkomst inzake voorwaardelijke optieregeling” heeft gemaakt. Het is onduidelijk wat de status van die brief is. In ieder geval kan zij evident niet kwalificeren als een tot stand gekomen optieregeling in de zin van artikel 5 van de overeenkomst. (…) Ook anderszins blijkt niet dat binnen de genoemde termijn een optieregeling tot stand is gekomen. Uit informatie die dezerzijds is verkregen valt eveneens te concluderen dat van een dergelijke regeling geen sprake is. (…)”

2.5. Na meer correspondentie over en weer heeft Phanos op 18 oktober 2010 een kopie van de notulen van de directievergadering van Phanos N.V. en Phanos van 10 oktober 2008 naar de raadsman van [eiseres] toegestuurd. In die notulen zijn de genomen besluiten als volgt samengevat:

“BESLUIT: de optieregeling komt tot stand met een looptijd van 5 jaar vanaf 18 oktober 2008 (en eindigt op 18 oktober 2013), uitoefenprijs van EUR 0,10 de ingangsdatum vangt aan na 1 jaar naar omzetting van de cumulatief preferente aandelen en wel op de eerste volgende vergadering van certificaathouders. De begunstigers zijn de zittende certificaathouders niet zijnde PFS [Phanos Financial Services B.V, toevoeging rechtbank], tenzij [eiseres] [[eiseres], toevoeging rechtbank] en [B] [[B], toevoeging rechtbank] met een andere lijst komen.”

Onder verwijzing naar deze notulen stelt Phanos in een begeleidende brief dat wel degelijk een voorwaardelijke optieregeling tot stand is gekomen en dat Phanos daarom niet tot restitutie van het bedrag van EUR 300.000,00 gehouden is. Daaraan voegt Phanos het volgende toe:

“In deze overtuiging worden wij nog gesterkt door het feit dat, zoals wij in onze brief van 16 oktober 2008 al gemotiveerd hebben aangegeven, de schade die Phanos (…) leidt als gevolg van de voorwaardelijke optieregeling, een bedrag van € 300.000,00 ruimschoots te boven gaat; reden te meer waarom wij niet tot enige restitutie aan uw cliënte zullen overgaan. (…)”

2.6. In reactie op deze brief van Phanos heeft de raadsman van [eiseres] op 12 november 2010 schriftelijk aan Phanos laten weten dat uit de notulen van 10 oktober 2008 lijkt te volgen dat toen inderdaad is gesproken over een optieregeling, maar dat nergens uit blijkt dat er ook daadwerkelijk een optieregeling is ingevoerd. Op 9 december 2010 heeft Phanos zich in een brief op het standpunt gesteld dat de optieregeling, zoals beschreven in de brief van 16 oktober 2008 (zie 2.2.), wel degelijk is geïmplementeerd. Ten bewijze daarvan verwijst Phanos naar de concept-notulen van de vergadering van certificaathouders van aandelen AFS van 2 februari 2010, waarin onder meer het volgende is vermeld:

“De vorige directie heeft contractuele afspraken gemaakt met de vorige eigenaar over de cumulatief preferente aandelen. De directie heeft bedongen dat er in totaal 10 miljoen opties worden afgegeven met een uitoefenprijs van EUR 0,10 en een looptijd van één jaar. Dit wordt bij de eerst volgende handelsdag toegekend conform de regeling. Voor de volgende handelsdag zal de regeling en de te nemen stappen worden gecommuniceerd.”

2.7. Op 13 januari 2011 heeft de raadsman van [eiseres] ten slotte het volgende geschreven:

“Uw brief en de ‘notulen’ - overigens slechts een concept met vage inhoud - bieden geen enkel bewijs van de stelling dat een optieregeling tot stand is gekomen zoals bedoeld in de overeenkomst van 18 oktober 2007. Dat is de kern van de zaak (…).

Er is een optieregeling of niet in de zin van genoemde overeenkomst. Die blijkt u niet concreet te kunnen aantonen en derhalve is die er in rechte niet. Ik ga verder niet in herhaling treden. De rechter moet hierover maar beslissen. (…)”

3. Het geschil

3.1. [eiseres] vordert - uitvoerbaar bij voorraad - veroordeling van Phanos:

1. tot betaling van € 300.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 119a BW vanaf 30 oktober 2008, althans vanaf de dag van de dagvaarding, tot de dag der algehele voldoening;

2. tot betaling van € 4.000,00 ter zake van buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 oktober 2008, althans vanaf de dag van de dagvaarding, tot de dag der algehele voldoening

3. in de kosten van de procedure inclusief de beslag- en deurwaarderskosten (betekening van de dagvaarding) alsmede te verooordelen in de nakosten ten belope van € 131, zonder betekening, dan wel € 199,00 in het geval van betekening, een en ander te voldoen binnen 14 dagen na dagtekening van het vonnis, en – voor het geval voldoening van de (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten te rekeken vanaf bedoelde termijn voor voldoening tot aan de dag der algehele voldoening..

3.2. Phanos voert verweer.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

Stellingen van partijen

4.1. De onder 3.1. omschreven vorderingen grondt [eiseres] - kort gezegd - op de volgende stellingen. In de side-letter zijn partijen overeengekomen dat Phanos uiterlijk op 18 oktober 2008 de daarin beschreven voorwaardelijke optieregeling geformaliseerd moest hebben. Dit “formaliseren” hield in dat moest worden vastgelegd (1) welke aandeelhouder(s) respectievelijk certificaathouder(s) welke hoeveelheid opties zou(den) krijgen, (2) hoeveel voorwaardelijke opties zouden worden uitgegeven, (3) binnen welke termijn de opties moesten worden ingeroepen na de in de side-letter bedoelde conversie van aandelen en (4) wat de vaststaande uitoefenprijs van de opties zou zijn. De op 10 oktober 2008 genomen besluiten noch de (nadere) omschrijving daarvan in de brief van 16 oktober 2008 is te beschouwen als een zodanige formalisering van de voorwaardelijke optieregeling. Gelet op het bepaalde in de artikelen 3 en 5 van de side-letter dient Phanos daarom aan [eiseres] een bedrag van € 300.000,00 te betalen. Omdat [eiseres] op 30 oktober 2008 om deze betaling heeft gevraagd, is Phanos vanaf deze dag ook de wettelijke rente ex artikel 6:119a BW over het bedrag van € 300.000,00 aan [eiseres] verschuldigd. Mocht de rechtbank van oordeel zijn dat Phanos wel (tijdig) de voorwaardelijke optieregeling heeft geformaliseerd, dan geldt subsidiair dat Phanos op grond van het bepaalde in artikel 4 van de side-letter het bedrag van € 300.000,00 aan [eiseres] moet betalen. Vast staat immers dat de optieregeling door de rechthebbenden daarop niet is ingeroepen. Als gevolg hiervan heeft Phanos geen schade geleden en komt voornoemd bedrag ingevolge de tussen partijen gemaakte afspraken aan [eiseres] toe.

4.2. Tegen deze primaire en subsidiaire grondslag van de door [eiseres] ingestelde vorderingen heeft Phanos - samengevat - de volgende weren gevoerd:

1. De reden waarom de brief van 16 oktober 2008 “in ieder geval” niet kwalificeert als een tot stand gekomen optieregeling in de zin van artikel 3 van de side-letter is niet gemotiveerd onderbouwd. Hierdoor is de conclusie dat [eiseres] niet aan haar stelplicht heeft voldaan, hetgeen reeds tot afwijzing van haar vorderingen moet leiden;

2. Mocht de rechtbank van oordeel zijn dat [eiseres] wel aan haar stelplicht heeft voldaan, dan moet de conclusie zijn dat de op 10 oktober 2008 genomen besluiten en de (nadere) omschrijving daarvan in de brief van 16 oktober 2008 als een voldoende formalisering is te beschouwen van de in artikel 3 van de side-letter omschreven optieregeling;

3. Indien het onder 2. genoemde verweer slaagt, is er geen aanleiding om de subsidiaire door [eiseres] genoemde grondslag van de vorderingen te beoordelen. Deze grondslag is namelijk voor het eerst ter comparitie genoemd. Een onderbouwing daarvan in de dagvaarding ontbreekt volledig. Mocht de rechtbank anders oordelen, dan dient Phanos nog in staat te worden gesteld om schriftelijk op die subsidiaire grondslag te reageren;

4. De gevorderde wettelijke rente van 6:119a BW is niet verschuldigd, omdat niet sprake is van een handelsovereenkomst in de zin van dit artikel. Verder is de e-mail van 30 oktober 2008 niet als een ingebrekestelling te beschouwen. Daarnaast kan geen rente verschuldigd zijn vanaf 30 oktober 2008, nu artikel 6:119a lid 2 BW bepaalt dat de rente verschuldigd wordt 30 dagen na ontvangst van de factuur, welke factuur - zo begrijpt de rechtbank - ontbreekt.

5. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten moeten ook worden afgewezen, onder meer omdat door [eiseres] niet is gesteld en evenmin is gespecificeerd dat de gestelde kosten zijn gemaakt ter zake van andere verrichtingen dan die waarvoor de proceskostenveroordeling een vergoeding placht in te houden.

Stelplicht (ad 1.)

4.3. De stelling van Phanos dat [eiseres] ter onderbouwing van haar primaire grondslag onvoldoende heeft gesteld, wordt verworpen. Voor dit oordeel is redengevend dat [eiseres] in de dagvaarding - aangevuld met de verklaring ter comparitie -voldoende heeft toegelicht waarom zij van oordeel is dat de voorwaardelijke optieregeling niet is geformaliseerd in de zin van artikel 3 van de side-letter (zie voor deze toelichting de beoordeling onder ad. 2).

Formaliseren optieregeling (ad. 2.)

4.4. Nu de conclusie is dat [eiseres] in voldoende mate aan haar stelplicht heeft voldaan, moet beoordeeld worden of Phanos de voorwaardelijke optieregeling heeft geformaliseerd als bedoeld in artikel 3 van de side-letter. Voor deze beoordeling is allereerst van belang om vast te stellen wat partijen met deze afspraak precies hebben willen regelen. Voor de beantwoording van de vraag hoe een schriftelijk contract, waarin de verhouding van partijen is geregeld, moet worden uitgelegd komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer aan de op schrift gestelde afspraken hebben toegekend en hieraan redelijkerwijs mochten toekennen alsmede op hetgeen zij te dien aanzien van elkaar mochten verwachten (HR 13 maart 1981, LJN: AG4158). Het gaat dus om de tekst en de (verdere) context, waarin alle omstandigheden van het concrete geval vóór en ten tijde van het aangaan van de overeenkomst van belang zijn (en waarop latere omstandigheden nog hun licht kunnen werpen).

4.5. Met inachtneming van dit (juridische) kader stelt de rechtbank voorop dat partijen - ten tijde van het schriftelijk vast leggen van de side-letter - de oorzaak en de inhoud van de voorwaardelijke optieregeling hetzelfde begrepen/uitlegden. De oorzaak was namelijk gelegen in een intern gesprek dat eerder had plaatsgevonden tussen de heer [eiseres] (verder: [eiseres]), directeur van [eiseres], en de heer [B], toenmalig directeur van AFS. Tijdens dit gesprek kwam de mogelijke conversie van cumulatief preferente aandelen in AFS naar gewone aandelen ter sprake. Indien die conversie zou plaatsvinden, zou dat verwatering veroorzaken bij de reeds bestaande aandeelhouder [B] en de certificaathouders. Om die verwatering te voorkomen kregen [B] en de certificaathouders het recht om tegen een prijs van € 0,10 (per aandeel) aandelen te kopen. Omdat het uitoefenen van dat optierecht afhankelijk was van genoemde conversie, werd dat optierecht voorwaardelijk genoemd. Het voorwaardelijke optierecht kwam slechts toe aan de op 18 oktober 2007, althans op de overdrachtsdatum van de aandelen in AFS, bestaande aandeelhouder en certificaathouders.

4.6. De vraag die partijen verdeeld houdt is of de hiervoor omschreven voorwaardelijke optieregeling door Phanos binnen een periode van 1 jaar (na 18 oktober 2007) is geformaliseerd in de zin van artikel 3 van de side-letter. Onder “formaliseren” hebben partijen in dit artikel verstaan dat uiterlijk op 18 oktober 2008 moet komen vast te staan hoe de optieregeling eruit ziet. Naar het oordeel van de rechtbank is het bestuursbesluit van 10 oktober 2010 als een zodanige formalisering te beschouwen. Dit oordeel steunt op het feit dat in de notulen van de bestuursvergadering van 10 oktober 2008 met betrekking tot de voorwaardelijke optieregeling het volgende is besloten: (1) de zittende certificaathouders krijgen pro rato naar hun bezit van certificaten opties op de uit te geven aandelen, tenzij [eiseres]/[B] aangeven dat deze opties anders moeten worden verdeeld, (2) bij uitgifte van de opties zijn de begunstigers dus de huidige certificaathouders en de opties “kleven" aan de certificaten, (3) de uitoefenprijs van de opties is dan € 0,10 per stuk, (4) de looptijd om de opties uit te oefenen is maximaal 5 jaar vanaf 18 oktober 2008 (en eindigt op 18 oktober 2013), (5) de optieregeling verliest haar voorwaardelijke karakter na omzetting van de cumulatief preferente aandelen in gewone aandelen, (6) één jaar na deze omzetting, en wel op de eerste vergadering van certificaathouders, is de ingangsdatum dat de opties kunnen worden uitgeoefend en (7) deze optieregeling wordt op dat moment pas bekend gemaakt om onrust te voorkomen. Dit alles brengt mee dat tijdens de bestuursvergadering van 10 oktober 2008 de voorwaardelijke optieregeling op hoofdlijnen is vastgelegd, waardoor is komen vast te staan hoe de optieregeling eruit ziet in de zin van artikel 3 van de side-letter. Een redelijke uitleg van dit artikel brengt daarom mee dat Phanos er toen vanuit mocht gaan dat zij aan haar verplichting had voldaan om binnen een jaar na 18 oktober 2007 de voorwaardelijke optieregeling te formaliseren. De door [eiseres] ter comparitie verwoorde stellingen steunen dit oordeel. De inhoud van de geformaliseerde optieregeling komt immers in hoofdlijnen overeen met de onderdelen van de optieregeling die volgens [eiseres] moesten worden vastgelegd (zie 4.1.). Het enige onderdeel dat niet uitputtend is uitgewerkt betreft de vraag welke aandeelhouder/certificaathouders precies welke hoeveelheid opties krijgt. De oorzaak hiervan was - gelet op de stellingen van Phanos - gelegen in het feit dat onduidelijkheid bestond over de vraag wat [eiseres] en [B] hierover precies hadden afgesproken. Deze onduidelijk heeft Phanos echter ondervangen door de optierechten toe te kennen naar rato van het bezit aan certificaten, tenzij [eiseres] en [B] een andere verdeling voor ogen hebben gehad. Niet gezegd kan worden dat door deze “open bepaling” de voorwaardelijke optieregeling niet is geformaliseerd.

4.7. De omstandigheid dat [eiseres] het met de inhoud van de vastgestelde regeling op onderdelen niet eens is en/of dat in de brief van Phanos aan [eiseres] van 16 oktober 2008 niet een volledige en op onderdelen andere weergave wordt gegeven van de inhoud van de optieregeling, maakt het vorenstaande niet anders. Feit blijft namelijk dat op 10 oktober 2008 is komen vast te staan hoe de optieregeling eruit ziet. De andersluidende stelling van [eiseres] wordt daarom verworpen, hetgeen ertoe leidt dat de primaire grondslag (artikel 3 jo. artikel 5 van de side-letter) niet tot toewijzing van de vordering van € 300.000,00 kan leiden.

Uitvoering optieregeling (ad 3.)

4.8. Nu de conclusie is dat op grond van het bepaalde in artikel 5 van de side-letter de vordering van € 300.000,00 niet kan worden toegewezen, moet de subsidiaire grondslag worden beoordeeld. Deze grondslag luidt dat de verplichting tot betaling van het bedrag van € 300.000,00 voortvloeit uit de afspraak, zoals die is neergelegd in artikel 4 van de side-letter. Met Phanos is de rechtbank van oordeel dat uit de dagvaarding niet direct blijkt dat ook de inhoud van dit artikel aan de ingestelde vorderingen ten grondslag is gelegd. Dit betekent echter niet dat reeds daarom ook deze grondslag niet slaagt. De eisende partij is namelijk - zolang de rechter nog geen eindvonnis heeft gewezen - bevoegd zijn eis of de gronden daarvan te veranderen of te vermeerderen. Dit volgt uit artikel 130 Rv. Met het oog hierop wordt [eiseres] in de gelegenheid gesteld om haar subsidiaire grondslag van haar vordering - zoals ter comparitie kort toegelicht - bij akte nader gemotiveerd uit werken. Vervolgens kan Phanos daarop bij akte reageren.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 28 december 2011 voor het nemen van een akte door [eiseres] uitsluitend over hetgeen is vermeld onder 4.8., waarna Phanos op de rol van 4 weken daarna een antwoordakte kan nemen,

5.2. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.P.H. van Driel van Wageningen en in het openbaar uitgesproken op 30 november 2011.?