Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BU7401

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
09-11-2011
Datum publicatie
08-12-2011
Zaaknummer
16-440726-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Hennepkwekerij in woning. Niet aannemelijk dat verdachte er niet van wist.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/440726-11 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 9 november 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1980] te [geboorteplaats] (Bulgarije)

wonende te [woonplaats] (Bulgarije), [adres]

raadsvrouw mr. S. Dogan, advocaat te Utrecht

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 26 oktober 2010, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. De zaak is gelijktijdig, maar niet gevoegd behandeld met de zaak tegen medeverdachte [medeverdachte], parketnummer 16/440727-11.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte in de periode van 1 augustus 2010 tot en met 11 maart 2011 te Utrecht:

primair tezamen en in vereniging met een ander of anderen een hoeveelheid hennep heeft geteeld, bereid, bewerkt, verwerkt of opzettelijk aanwezig heeft gehad, subsidiair hiervoor een pand ter beschikking heeft gesteld.

3. De voorvragen

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging en er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan en baseert zich daarbij op: de bevindingen van de politie en de verklaring van zowel verdachte als de medeverdachte. De verklaring van verdachte dat zij niet wist dat de planten in haar woning hennepplanten betroffen acht de officier van justitie niet aannemelijk.

4.2. Het standpunt van de verdediging

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat zij niet wist dat de planten in de woning hennepplanten betroffen. De verdediging heeft zich voor het overige gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan en overweegt daartoe het volgende.

Op 11 maart 2011 is de politie binnengetreden in een woning aan de [adres] te [woonplaats]. In deze woning werd een in werking zijnde hennepkwekerij aangetroffen, welke op dat moment bestond uit 450 hennepplanten, verdeeld over vier ruimtes. Uit onder andere de laag stof op de lampenkappen, de mate van vervuiling van de koolstoffilters, de kalkaanslag op het vloerzeil en de leeftijd van de op dat moment aanwezig zijnde hennepplanten bleek dat de hennepkwekerij al langere tijd in werking was. Een buurvrouw heeft aan de politie te kennen gegeven dat zij al een jaar lang een hennepgeur rook. Een andere buurvrouw gaf aan dat zij in de naastgelegen woning op zolder soms een sterke hennepgeur rook. [medeverdachte] heeft bevestigd dat hij in voornoemde woning een hennepkwekerij heeft ingericht en in werking heeft gehad.

Verdachte heeft verklaard dat zij met haar partner, medeverdachte [medeverdachte], en kind woonde op het adres [adres] te [woonplaats]. Toen zij deze woning in augustus 2010 betrok, bevond zich daar al een kwekerij. Volgens verdachte is er daarna in de periode tot 11 maart 2011 twee keer geoogst.

Verdachte heeft ter terechtzitting van 26 oktober 2011 verklaard dat zij niet wist dat de in de woning aanwezige planten hennepplanten betroffen. De rechtbank acht niet aannemelijk dat verdachte een hennepplant niet van andere planten wist te onderscheiden. Het is een feit van algemene bekendheid dat een hennepplant zich kenmerkt door de bijzondere vorm van haar bladeren en haar doordringende geur. Een geur die ook door buurtbewoners is opgemerkt. Daar komt bij dat van verdachte mocht worden verlangd dat zij zich – gelet op de aanzienlijke omvang van de kwekerij in haar woning, de periode waarin is geteeld en de twee oogsten – zou afvragen waarom deze planten daar in zulke groten getale aanwezig waren en dat zij hiernaar onderzoek zou doen. Dat zij dit zou hebben nagelaten, komt voor haar eigen rekening en risico. Verdachte heeft zich ook overigens op geen enkel moment gedistantieerd. Hierdoor heeft zij op z’n minst voorwaardelijk opzet gehad op het medeplegen van het kweken van de hennep.

De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

4.4. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

primair

op tijdstippen in de periode van 01 augustus 2010 tot en met 11 maart 2011 te Utrecht, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk heeft geteeld in een pand aan de [adres] een hoeveelheid van ongeveer 450 hennepplanten, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

5.1. De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

Primair: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

5.2. De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die haar strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 6 weken.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit dat de door de officier van justitie gevorderde gevangenisstraf dient te worden gematigd, dan wel dient te worden omgezet in een werkstraf.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straffen heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft samen met haar partner gedurende ruim zeven maanden een grote hoeveelheid hennep gekweekt in hun woning. Het spreekt voor zich dat het kweken van een softdrug als hennep een strafbaar feit is dat overlast veroorzaakt en schade voor de maatschappij oplevert. Softdrugs zijn immers stoffen die bij langdurig gebruik kunnen leiden tot schade voor de gezondheid. Voorts levert een kwekerij, waarbij op illegale wijze elektriciteit wordt onttrokken aan het net en de elektrische installatie ondeskundig is aangelegd, (brand)gevaar op voor de omgeving. Dit is in dit geval des te kwalijker nu de aangetroffen kwekerij in een woning was opgezet. Verdachte heeft zich kennelijk om al deze gevolgen niet bekommerd en slechts gehandeld uit winstbejag. Ten gunste van verdachte weegt de rechtbank mee dat haar rol bij de hennepkwekerij van ondergeschikte aard was.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- een haar betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 23 augustus 2011, waaruit blijkt dat verdachte in Nederland niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 weken wordt opgelegd. De rechtbank is, in het licht van hetgeen voor soortgelijke feiten in soortgelijke omstandigheden wordt opgelegd, van oordeel dat de aan de verdachte op te leggen straf anders dient te zijn.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 6 weken passend en noodzakelijk is. De rechtbank ziet geen ruimte voor een andere of lichtere sanctie. Wel ziet de rechtbank in de ondergeschikte rol van verdachte, de omstandigheid dat zij niet eerder in Nederland met justitie in aanraking is gekomen en in het feit dat zij de zorg heeft voor twee jonge kinderen aanleiding deze straf geheel voorwaardelijk op te leggen. Met deze voorwaardelijke straf wordt beoogd verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen in Nederland.

De rechtbank is voorts van oordeel dat naast voornoemde voorwaardelijke gevangenisstraf een werkstraf voor de duur van 40 uur, subsidiair 20 dagen hechtenis, passend en noodzakelijk is.

7. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en artikel11 van de Opiumwet zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8. De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

primair: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 6 weken, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat de voorwaardelijke straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 40 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 20 dagen.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Bender, voorzitter, mr. G. Perrick en mr. R.G.A. Beaujean, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G.C. van de Ven-de Vries, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 9 november 2011.

Mr. R.G.A. Beaujean is buiten staat dit vonnis mee te ondertekenen.