Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BU7279

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
16-11-2011
Datum publicatie
08-12-2011
Zaaknummer
SBR 11-774
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wmo, maatschappelijke opvang, ongewenstverklaard vreemdeling, beroep op 8 EVRM, kwetsbare personen, beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummer: SBR 11/774

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser,

gemachtigde: mr. E.C. Cerezo-Weijsenfeld, advocaat te Utrecht,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, verweerder,

gemachtigde: mr. W. van Beveren.

Inleiding

1.1 Bij besluit van 4 november 2010 heeft verweerder eisers verzoek om opvang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) afgewezen. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Bij besluit van 22 februari 2011 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Eiser heeft hiertegen beroep bij deze rechtbank ingesteld.

1.2 Het geding is behandeld ter zitting van 31 mei 2011. Eiser en verweerder hebben ter zitting bij monde van hun gemachtigden hun standpunten toegelicht.

Overwegingen

2.1 De rechtbank stelt vast dat de volgende omstandigheden tussen partijen niet in geschil zijn. Eiser is op 15 oktober 1983 Nederland binnengekomen en heeft nimmer over een verblijfsvergunning beschikt. Eiser is bij besluit van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) van 22 oktober 2003 ongewenst verklaard. Eiser heeft meerdere malen in vreemdelingenbewaring ter fine van uitzetting gezeten, maar deze zijn telkens opgeheven.

2.2 Op grond van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wmo wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen onder maatschappelijke opvang verstaan: het tijdelijk bieden van onderdak, begeleiding, informatie en advies aan personen die, door een of meer problemen, al dan niet gedwongen de thuissituatie hebben verlaten en niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving.

2.3 Artikel 8, eerste lid, van de Wmo bepaalt dat een vreemdeling voor het verlenen van een individuele voorziening slechts in aanmerking kan komen indien hij rechtmatig verblijf houdt in de zin van artikel 8, onder a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).

In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat in afwijking van het eerste lid in bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te noemen gevallen, zo nodig in afwijking van artikel 10 van de Vw, bij of krachtens die maatregel aan te geven categorieën niet-rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdelingen, geheel of gedeeltelijk in aanmerking komen voor bij die maatregel aan te geven individuele voorzieningen.

2.4 Op grond van artikel 10, eerste lid, van de Vw kan de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft geen aanspraak maken op toekenning van verstrekkingen, voorzieningen en uitkeringen bij wege van een beschikking van een bestuursorgaan. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing op de bij de wet of algemene maatregel van bestuur aangewezen ontheffingen of vergunningen.

Op grond van het tweede lid van dit artikel kan van het eerste lid worden afgeweken indien de aanspraak betrekking heeft op het onderwijs, de verlening van medisch noodzakelijke zorg, de voorkoming van inbreuken op de volksgezondheid, of de rechtsbijstand aan de vreemdeling.

Op grond van het derde lid van dit artikel geeft de toekenning van aanspraken geen recht op rechtmatig verblijf.

2.5 Op grond van artikel 11, eerste lid, van de Vw zijn de aanspraken van de vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft in overeenstemming met de aard van het verblijf. Tenzij bij of krachtens het wettelijk voorschrift waarop de aanspraak is gegrond anders is bepaald, is daarbij het tweede lid van toepassing.

Op grond van het tweede lid van dit artikel kan de vreemdeling, bedoeld in het eerste lid, aanspraken maken op voorzieningen, verstrekkingen en uitkeringen, indien hij:

a. rechtmatig verblijf heeft, als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l;

b. rechtmatig verblijf heeft, als bedoeld in artikel 8, onder f, g, h, en een aanspraak wordt toegekend bij of krachtens de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers, dan wel bij of krachtens een ander wettelijk voorschrift, waarin aanspraken van deze vreemdelingen zijn neergelegd;

c. rechtmatig verblijf heeft, als bedoeld in artikel 8, onder i tot en met k, voor de aanspraken die uitdrukkelijk aan deze vreemdelingen zijn toegekend.

2.6 De rechtbank stelt vast dat de periode die thans ter beoordeling voorligt de periode betreft van de datum waarop aanvraag is gedaan tot de datum van primair besluit, derhalve de periode van 26 augustus 2010 tot en met 4 november 2010. Volgens verweerder heeft eiser in voornoemde periode in vreemdelingenbewaring gezeten. Eiser zegt dat dit niet het geval is, maar heeft hiervoor geen bewijs overgelegd. Ter zitting is door verweerder -onbetwist- naar voren gebracht dat eiser zich in de periode van 13 september 2010 tot 30 december 2010 in vreemdelingenbewaring heeft bevonden. De enkele stelling van eiser dat hij op 23 augustus 2010 nog op vrije voeten was, sluit niet uit dat hij in de periode van 26 augustus 2010 tot 13 september 2010 eveneens in vreemdelingenbewaring heeft gezeten. Als eiser in voornoemde periode in vreemdelingenbewaring heeft gezeten, vervalt de noodzaak voor opvang. In die situatie heeft eiser geen belang bij de beoordeling van het punt in geschil. Nu echter in de onderhavige procedure niet met zekerheid is komen vast te staan dat eiser zich de gehele periode in geschil in vreemdelingenbewaring heeft bevonden en er zich in het verleden perioden hebben voorgedaan en zich in de toekomst perioden kunnen voordoen in welke eiser niet in vreemdelingenbewaring verkeert, ziet de rechtbank voldoende belang bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep.

2.7 Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank, gelet op eisers verblijfsrechtelijke positie, terecht op het standpunt gesteld dat eiser op grond van artikel 10, gelezen in samenhang met artikel 11, van de Vw geen recht heeft op maatschappelijke opvang, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wmo. De rechtbank merkt hierbij, onder verwijzing naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 19 april 2010 (LJN: BM0956), op dat maatschappelijke opvang als hiervoor bedoeld geen individuele voorziening betreft en dat artikel 8 van de Wmo in dit geval dan ook niet van toepassing is.

2.8 Bij de beoordeling van eisers beroep dienen naast de nationaalrechtelijke bepalingen ook de door eiser ingeroepen bepalingen van internationaal recht te worden beoordeeld.

2.9 Eiser heeft gesteld dat verweerder hem op grond van artikel 3 en 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) opvang moet bieden. Daarbij is aangevoerd dat eiser in nood verkeert; hij heeft geen inkomsten en leeft op straat, terwijl hij lijdt aan psychosen, depressie en ernstige pijnklachten. Behandeling van zijn psychische klachten is niet mogelijk tot is voorzien in de basisbehoeften van een veilige omgeving en genoeg te eten, aldus de psychiater. Zijn verblijfsstatus kan het recht op een menswaardig bestaan niet blokkeren.

Eiser heeft met betrekking tot het beroep op artikel 3 van het EVRM verwezen naar verschillende arresten van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM), te weten het arrest van 18 juni 2009, zaaknummer 45603/05 (Budina tegen Rusland) en het arrest van 21 januari 2011, zaaknummer 30696/09 (M.S.S. tegen België en Griekenland). Eiser leeft op straat zonder dat in zijn elementaire behoeften wordt voorzien. Eiser voelt zich vernederd omdat hij steeds wordt opgepakt en daarna op straat gezet. Hij heeft gevoelens van angst, depressie en minderwaardigheid. Verweerder laat hem welbewust aan zijn lot over, aldus eiser.

Met betrekking tot het beroep op artikel 8 van het EVRM heeft eiser aangevoerd dat hierbij de mogelijkheid bestaat voor de staat om een inmenging te rechtvaardigen. Er moet dan sprake zijn van een “fair balance”. Bij deze proportionaliteitstoets is ruimte voor het meewegen van eisers verblijfsstatus, dit is één van de factoren die meeweegt met het oog op het nagestreefde doel. Aansporen tot terugkeer is echter niet aan de orde. Eiser is naar eigen zeggen Palestijn en heeft geen geboortegrond. Hoewel de IND hier anders over denkt, na langdurig en veelvuldig verblijf in vreemdelingenbewaring en bemiddeling van de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) en de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V), is van zicht op uitzetting geen sprake. Er zal duidelijkheid moeten komen over zijn toekomst. Nu hij een kwetsbaar persoon is, die in het bijzonder bescherming behoeft, mag hem niet de meest basale beschutting en veiligheid worden ontzegd. Uitsluiting van minimale hulp is niet proportioneel. Ook het openbaar belang is erbij gebaat dat hij wordt opgevangen, aldus eiser.

2.10 Verweerder heeft zich hierover op het standpunt gesteld dat nu artikel 8 van de Wmo niet op eiser van toepassing is het toetsingskader wordt gevormd door artikel 10 en 11 van de Vw. Nu eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft en ongewenst is verklaard, kan hij ingevolge artikel 10, eerste lid, van de Vw geen aanspraak maken op maatschappelijke opvang. Ten aanzien van het beroep op artikel 8 van het EVRM heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de illegale status en ongewenstverklaring van eiser eraan in de weg staan dat aan hem een voorziening op grond van de Wmo wordt toegekend. Verweerder heeft gesteld dat de situatie in de door eiser aangehaalde uitspraak van de CRvB van 19 april 2010 afwijkt van eisers eigen situatie, nu de persoon in de zaak die heeft geleid tot voormelde uitspraak van de CRvB, in tegenstelling tot eiser, rechtmatig verblijf had.

2.11 De rechtbank wijst er op dat de CRvB in de uitspraken van 22 december 2008 (LJN: BG8789) en 19 april 2010 heeft overwogen dat het EHRM respect voor menselijke waardigheid en menselijke vrijheid aanmerkt als “the very essence” van het EVRM. Het in artikel 8 van het EVRM besloten liggende recht op respect voor het privéleven van een persoon omvat mede de fysieke en psychische integriteit van die persoon en is er primair op gericht, zonder inmenging van buitenaf, de ontwikkeling van de persoonlijkheid van elke persoon in zijn betrekkingen tot anderen te waarborgen. Dit artikel beoogt niet alleen de staten tot onthouding van inmenging in het privéleven te dwingen, maar kan onder omstandigheden ook aan het recht op eerbiediging van het privéleven inherente positieve verplichtingen meebrengen die noodzakelijk zijn voor een effectieve waarborging ervan. Daarbij hebben kinderen en andere kwetsbare personen in het bijzonder recht op bescherming. Het EHRM heeft meerdere malen geoordeeld dat artikel 8 van het EVRM ook relevant is in zaken die betrekking hebben op de besteding van publieke middelen. Daarbij is wel van belang dat in een dergelijk geval aan de staat een extra ruime “margin of appreciation” toekomt, terwijl het EHRM bij de bepaling van de bescherming die betrokkenen genieten onder het EVRM belang toekent aan de al dan niet legale status van het verblijf van betrokkenen. De CRvB heeft in dit verband gewezen op het arrest van het EHRM van 27 mei 2008 in de zaak N. tegen het Verenigd Koninkrijk (LJN: BD6647).

Deze overwegingen zijn ook door de voorzieningenrechter van de CRvB gebezigd in de uitspraak van 9 september 2011 (LJN: BT1738) in het geval van een ongewenst verklaarde vreemdeling.

2.12 Wat betreft de medische situatie is het volgende gebleken. In de brief van 27 maart 2009 heeft A. van Peppel, psychiater verbonden aan Altrecht Willem Arntsz, vermeld dat eiser sinds 11 december 2007 bekend is met depressieve klachten, welke vooral situationeel bepaald worden. Daarnaast zijn er veel pijnklachten op velerlei gebied, welke moeten worden gezien als somatische expressie van uitzichtloosheid. Er zijn nauwelijks behandelopties, omdat eisers klachten sterk samen hangen met zijn huidige omstandigheden. Eiser heeft voorts medische gegevens overgelegd van PI Utrecht, locatie Nieuwegein, van 22 mei 2008 en van DBV Soesterberg van 12 januari 2010.

2.13 Uit de medische stukken, zoals weergegeven in rechtsoverweging 2.12, komt naar voren dat eisers fysieke en psychische gezondheid substantieel wordt bedreigd wanneer hij verstoken blijft van opvang. Verweerder heeft hier geen andersluidend standpunt tegenover gesteld, bijvoorbeeld op basis van een medisch onderzoek door de GGD. Voorts worden de medische gegevens ondersteund door bevindingen van hulpverleners. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen de brief van [A], straatpastor, van 8 juli 2010 en de brief van [B] van Stil van 12 juli 2010.

2.14 Naar het oordeel van de rechtbank behoort eiser, gelet op zijn, naar objectief medische maatstaf vastgestelde, gezondheidstoestand, dan ook tot de categorie van kwetsbare personen, die gezien artikel 8 van het EVRM in het bijzonder recht hebben op bescherming van hun privé- en gezinsleven.

2.15 De rechtbank ziet zich vervolgens geplaatst voor de vraag of, met inachtneming van haar oordeel dat eiser behoort tot de categorie van kwetsbare personen, de weigering om eiser toe te laten tot de maatschappelijke opvang, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wmo, blijk geeft van een “fair balance” tussen de publieke belangen die betrokken zijn bij de weigering van die toegang en eisers particuliere belangen om wel te worden toegelaten.

2.16 Uit de uitspraak van de CRvB van 29 juni 2011 (LJN: BR1061) leidt de rechtbank af dat de enkele omstandigheid dat een persoon niet rechtmatig in Nederland verblijft niet tot de conclusie leidt dat de hierboven vermelde vraag reeds daarom negatief moet worden beantwoord. De rechtbank is van oordeel dat, ondanks dat eiser ongewenst is verklaard en dus geen rechtmatig verblijf in Nederland kan hebben, de weigering om hem toe te laten tot de maatschappelijke opvang geen blijk geeft van een “fair balance” tussen de publieke belangen en eisers particuliere belangen, zolang niet vaststaat dat hij buiten zijn schuld Nederland niet kan verlaten. Thans is onvoldoende duidelijk of dat het geval is. Uit de gedingstukken blijkt thans alleen dat herhaalde pogingen tot uitzetten van eiser zijn mislukt.

2.17 Naar het oordeel van de rechtbank vloeit uit de positieve verplichting van de staat om recht te doen aan artikel 8 van het EVRM dan ook voort dat aan eiser opvang moet worden geboden, zolang niet vaststaat dat hij Nederland daadwerkelijk kan verlaten. De rechtbank stelt vast dat het tot op heden niet is gelukt eiser uit te zetten, ondanks pogingen daartoe in de afgelopen jaren. Derhalve valt niet uit te sluiten dat eiser buiten zijn schuld Nederland niet kan verlaten. Het is aan de vreemdelingenrechter om te oordelen over eisers stellingen dienaangaande.

2.18 Onder verwijzing naar de uitspraak van de CRvB van 19 april 2010 (LJN: BM0956) overweegt de rechtbank dat de voor eiser vereiste opvang eerst in de vorm van maatschappelijke opvang in de zin van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wmo dient te worden verleend, indien geen sprake is van een voorliggende voorziening, als bedoeld in artikel 2 van de Wmo. In dit verband overweegt de rechtbank dat eiser op grond van artikel 4, tweede lid, van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 (Rva 2005) geen recht heeft op opvang in de zin van die regeling. Naar het oordeel van de rechtbank kan er in dit geval voorts niet van uitgegaan worden dat eiser, buiten de in de Rva 2005 voorziene gevallen om, in aanmerking kan komen voor opvang van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) op grond van de door de CRvB bedoelde uitleg van artikel 3, eerste en tweede lid, van de Wet COA, nu de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in zijn uitspraak van 26 november 2010 (LJN: BO6348) heeft geoordeeld dat uit de jurisprudentie van het EHRM niet kan worden afgeleid dat voor het COA een algemene verplichting bestaat om aan al dan niet rechtmatig verblijvende vreemdelingen (en hun kinderen) opvang te verlenen. Naar het oordeel van de rechtbank kan de Wet COA in dit geval dan ook niet worden aangemerkt als een voorliggende voorziening in de zin van artikel 2 van de Wmo.

2.19 Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder eiser niet de toegang tot de maatschappelijke opvang heeft mogen weigeren.

2.20 Het beroep is dan ook gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover verweerder daarbij eiser de toegang tot de maatschappelijke opvang heeft geweigerd. De overige beroepsgronden behoeven geen bespreking meer. De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien, in die zin dat zij zal bepalen dat aan eiser maatschappelijke opvang in de zin van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wmo moet worden verleend. Bij de wijze van verlening van de opvang dient rekening te worden gehouden met eisers medische situatie.

2.21 Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt zij dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

2.22 De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het besluit van 22 februari 2011;

bepaalt dat aan eiser maatschappelijke opvang in de zin van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wmo moet worden verleend en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit dat is vernietigd;

bepaalt dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 41,- vergoedt;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van het geding ten bedrage van € 874,-, te betalen aan eiser.

Aldus vastgesteld door mr. P.K. Nihot, als rechter, en in het openbaar uitgesproken op 16 november 2011.

De griffier: De rechter:

mr. K.S. Smits mr. P.K. Nihot

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

De uitspraak van de rechtbank is bindend tussen partijen. Die binding heeft ook betekenis bij een eventueel vervolg van deze procedure, bijvoorbeeld indien het beroep gegrond wordt verklaard en verweerder een nieuw besluit moet nemen. Als een partij niet met hoger beroep opkomt tegen een oordeel van de rechtbank waarbij uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een standpunt van die partij is verworpen, staat de bestuursrechter die partij in beginsel niet toe dat standpunt in een latere fase van de procedure opnieuw in te nemen.