Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BU7213

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
28-09-2011
Datum publicatie
15-12-2011
Zaaknummer
767699 UV EXPL 11-324
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding.

Eiseres vordert bij wege van voorlopige voorziening De Regenboog te veroordelen tot betaling van loon vanaf 13 juli 2011 tot de rechtsgeldige beëindiging van het dienstverband vermeerderd met de wettelijke verhoging ex artikel 7: 625 BW en vermeerderd de wettelijke rente vanaf de respectieve data van opeisbaarheid van de betreffende loonbedragen, alsmede De Regenboog te veroordelen om haar met onmiddellijke ingang toe te laten haar werkzaamheden te hervatten op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100,00 per dag, met veroordeling van De Regenboog in de kosten van de procedure.

Door de kantonrechter wordt eerst beoordeeld of het al dan niet aannemelijk is dat de bodemrechter tot het oordeel zal komen dat het eiseres op 13 juli 2011 verleende ontslag op staande voet vernietigbaar is.

Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter waren er voor De Regenboog voldoende gronden aanwezig die een dringende reden voor een ontslag op staande voet opleveren.

De kantonrechter acht het niet aannemelijk dat de bodemrechter tot het oordeel zal komen dat het aan eiseres gegeven ontslag vernietigbaar is.

De door eiseres gevorderde voorziening zal daarom worden geweigerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2011-1026
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

sector handel en kanton

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 767699 UV EXPL 11-324 GS/4067

kort geding vonnis d.d. 28 september 2011

inzake

[eise[eiseres],

wonende te [woonplaats],

verder ook te noemen [eiseres],

eisende partij in conventie,

verwerende partij in reconventie,

gemachtigde: mr. M.P.H.M. van Kessel, Van Kessel BedrijfsJuridischAdvieskantoor B.V. te ’s Hertogenbosch,

tegen:

de Stichting Jenaplanonderwijs ”De Regenboog”,

gevestigd te Maarssen,

verder ook te noemen De Regenboog,

gedaagde partij in conventie,

eisende partij in reconventie,

gemachtigde: mr. W.M. Hes, advocaat te Amsterdam.

Het verloop van de procedure

[eiseres] heeft De Regenboog in kort geding doen dagvaarden.

De Regenboog heeft voor de zitting een verweerschrift ingediend en een vordering in reconventie ingesteld. Daarnaast heeft De Regenboog voor de zitting producties toegezonden.

De zitting heeft plaatsgevonden op 28 september 2011. Daarvan is aantekening gehouden.

[eiseres] heeft een pleitnotitie en een productie overgelegd.

Hierna is uitspraak bepaald.

Het geschil

in conventie en in reconventie:

1.

In deze zaak kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

1.1.

De Regenboog is een (basis) school op bijzonder neutrale grondslag. Tot begin 2010 was de rechtsvorm van De Regenboog een vereniging met een bestuur en een directeur. Bij akte van omzetting van 9 februari 2010 is de vereniging omgezet in een stichting.

1.2.

Artikel 5 van de bij voormelde akte van omzetting vastgestelde statuten luidt:

”Bestuur en toezicht

De stichting kent een college van bestuur en een raad van toezicht. Het college van bestuur is het bestuur in de zin van de wet. De raad van toezicht houdt toezicht op het beleid van het college van bestuur en op de algemene gang van zaken van de stichting.”

In lid 1 van artikel 6 van deze statuten is onder meer opgenomen dat de stichting wordt bestuurd door het college van bestuur bestaande uit ten minste één natuurlijk persoon en dat de raad van toezicht de leden van het college van bestuur benoemt, schorst en ontslaat. Lid 3 van dit artikel luidt:

”De vaststelling van het salaris en de regeling van de overige arbeidsvoorwaarden van de leden van het college van bestuur geschieden door de raad van toezicht.”

Verder is in lid 1 van artikel 7 van de statuten onder andere opgenomen:

”Het college van bestuur is het bevoegd gezag van de door de stichting in stand gehouden scholen in de zin van de Wet op het primair onderwijs en als zodanig belast met besturen van de stichting (…)”.

1.3.

Vanaf 1 september 2006 is [eiseres] op interim basis als directeur aangesteld bij (de rechtsvoorgangster) van De Regenboog.

1.4.

Op 1 mei 2007 is [eiseres] voor onbepaalde tijd bij (de rechtsvoorgangster van) De Regenboog in dienst getreden in de functie van directeur. Het laatstgenoten salaris bedraagt € 5.616,32 bruto per maand, exclusief vakantiebijslag en overige emolumenten.

Op het dienstverband zijn van toepassing verklaard: het Kaderbesluit rechtspositie Primair Onderwijs, de artikelen 236 tot en met 252 van het Rechtspositiebesluit WPO/WEC (Commissie van Beroep) alsmede de CAO primair onderwijs, verder ook te noemen CAO- PO.

Uit de taakkarakteristieken (bijlage VII A + B van de CAO PO) volgt dat de directeur onder meer belast is met het geven van leiding aan de instelling, het mede voorbereiden en uitvoeren van het beleid en het geven van onderwijs.

In haar hoedanigheid van directeur is [eiseres] tevens voorzitter van de raad van bestuur.

1.5.

[eiseres] is op 29 juni 2011 door De Regenboog geschorst. Bij brief van 30 juni 2011 wordt deze schorsing door (de gemachtigde van) De Regenboog bevestigd aan (de toenmalige gemachtigde van) [eiseres]. In deze brief wordt onder meer het volgende medegedeeld:

”(…) Tijdens de bespreking (…) is met mevrouw [eiseres] gesproken over een divers aantal onderwerpen, waaronder de onregelmatigheden ter zake (betalingen betreffende) de Belastingdienst, de Leonardo Stichting, Cervantes etc. Tijdens die bespreking is mevrouw [eiseres] (wederom) in de gelegenheid gesteld om over genoemde onderwerpen de juiste informatie te verstrekken. Mevrouw [eiseres] heeft echter (wederom) geen antwoord dan wel onjuiste informatie gegeven.

Door deze opstelling van mevrouw [eiseres], wordt de Raad van Toezicht (…) niet in staat gesteld haar taken op een adequate wijze uit te oefenen, sterker nog blijft de RvT tot op heden in het ongewisse over onder meer de liquiditeitspositie van de Stichting. Dit is onacceptabel.

Aangezien mevrouw [eiseres] stelselmatig geen dan wel onjuiste informatie blijft verstrekken, heeft de RvT geen andere mogelijkheid gezien dan mevrouw [eiseres] te schorsen (ontheffen uit haar functie) en per direct een onderzoek in te (laten) stellen (…)

Het onderzoek zal naar verwachting een aantal weken in beslag nemen. Mevrouw [eiseres] dient zich beschikbaar te houden om op eerste afroep telefonisch of in persoon vragen in het kader van het onderzoek dan wel in het kader van de goede gang van zaken binnen de Stichting te beantwoorden en/of stukken ter beschikking te stellen welke noodzakelijk worden geacht voor het onderzoek. Zoals tijdens de bespreking aangegeven zal het niet (tijdig) meewerken aan het onderzoek een zelfstandige/dringende reden zijn voor een ontslag op staande voet. (…)”

1.6.

Een e-mail van de gemachtigde van De Regenboog, gedateerd 8 juli 2011 en gericht aan de (voormalig) gemachtigde van [eiseres], vermeldt onder meer:

“(…) Nog voordat het betreffende onderzoek goed en wel gestart is, heeft cliënte inmiddels informatie ontvangen, waaruit zaken blijken die eerder door uw cliënte zijn ontkend of wezenlijk anders voorgespiegeld. Naar aanleiding van de betreffende informatie, blijkt de schuldenlast van de school dusdanig dat betalingsonmacht een feit lijkt. Op grond daarvan, alsook om uw cliënte een laatste maal te horen (…) wil de Raad van Toezicht uw cliënte (bijgestaan door u) horen (…) op dinsdag 12 juli a.s. (…)”

1.7.

Op verzoek van de gemachtigde van [eiseres] is het in voormeld e-mailbericht bedoeld gesprek uitgesteld tot 13 juli 2011. Ondanks een dienstbevel daartoe van De Regenboog, is noch [eiseres] zelf noch de gemachtigde van [eiseres] op die bespreking verschenen.

1.8.

De Regenboog heeft [eiseres] op 13 juli 2011 op staande voet ontslagen wegens een dringende reden, te weten dat [eiseres] de raad van toezicht onjuiste informatie heeft verstrekt en haar verplichtingen en verantwoordelijkheden als directeur grovelijk heeft geschonden althans niet is nagekomen.

Dit ontslag is [eiseres] schriftelijk bevestigd bij brief (per koerier met ontvangstbevestiging en per gewone post) van 13 juli 2011. In deze brief wordt onder meer aan [eiseres] medegedeeld:

”(…) De Raad van Toezicht heeft tot haar ontzetting moeten vaststellen dat de Stichting een enorme schuldenlast en een negatief eigen vermogen heeft. Onderzoek vanaf 29 juni 2011 heeft aangetoond dat er een veel grotere schuldenlast bestaat. Bovendien is gebleken dat, ondanks uw bewering van het tegenovergestelde, de Belastingdienst wel degelijk een grote vordering op de Stichting heeft en er een forse betalingsachterstand bestaat. Uw bewering dat het slechts om een drietal maanden zou gaan, is onjuist. Er is ons door mr. Schoenmakers bevestigd dat u samen met hem een afbetalingsregeling heeft getroffen. Van die afbetalingsregeling en de schriftelijke bevestiging daarvan door de Belastingdienst (31 mei 2011) bent u op de hoogte (gebracht) Desalniettemin heeft u geen betalingen verricht of laten verrichten.

U heeft de Raad van Toezicht op diverse momenten verkeerd, of in het geheel niet, geïnformeerd. Daarbij heeft u de Raad van Toezicht een dusdanig verkeerd beeld voorgehouden dat de Raad van Toezicht niet in staat is geweest om (tijdig) in te grijpen en nog te trachten het financiële tij te keren. Als directeur (voorzitter van de Raad van Bestuur) van de Stichting (school) bent u verantwoordelijk voor niet alleen het onderwijs, maar ook de financiële gang van zaken. Wij stellen vast dat u niet alleen de Raad van Toezicht heeft gedesïnformeerd, maar ook uw verplichtingen en verantwoordelijkheden grovelijk hebt geschonden, althans niet bent nagekomen. Verder bent u verplichtingen aangegaan, waarvan het maar zeer de vraag is of die verplichtingen terecht zijn aangegaan en/of het aangaan van de verplichtingen, gelet op de financiële situatie van de school wel verantwoord was.

Verder heeft de Raad van Toezicht geconstateerd dat u derden (schuldeisers) hebt getracht te overtuigen van het feit dat de Stichting weldegelijk betaald had door het verstrekken van informatie die achteraf blijkt onjuist te zijn. Daarbij heeft u gebruik gemaakt van, naar vast is komen te staan, gefalsificeerde documenten. (…)”

1.9.

De Regenboog heeft het loon tot 13 juli 2011 aan [eiseres] betaald.

1.10.

[eiseres] heeft een beroep gedaan op de vernietigbaarheid van de opzegging en zich beschikbaar gehouden voor het verrichten van arbeid en aanspraak gemaakt op doorbetaling van loon.

1.11.

Bij brief van 18 juli 2011 heeft De Regenboog aan [eiseres] haar voornemen gemeld om de arbeidsovereenkomst, op grond van het in de CAO-PO bepaalde, voorwaardelijk op te zeggen per 1 november 2011 en [eiseres] in de gelegenheid gesteld haar zienswijze aan De Regenboog kenbaar te maken. Vervolgens heeft (de gemachtigde van) [eiseres] bij e-mail van 22 juli 2011 met betrekking tot dit voornemen haar zienswijze gegeven. De Regenboog heeft daarna bij brief van 22 juli 2011 aan [eiseres] het definitieve besluit bevestigd dat de arbeidsovereenkomst - voor zover vereist - voorwaardelijk wordt opgezegd per 1 oktober 2011.

2.

De vordering in conventie.

[eiseres] vordert - kort gezegd - bij wege van voorlopige voorziening De Regenboog te veroordelen tot betaling van € 5.616,32 bruto per maand ter zake van loon vanaf 13 juli 2011 tot de rechtsgeldige beëindiging van het dienstverband vermeerderd met de wettelijke verhoging ex artikel 7: 625 BW en vermeerderd de wettelijke rente vanaf de respectieve data van opeisbaarheid van de betreffende loonbedragen, alsmede De Regenboog te veroordelen om haar met onmiddellijke ingang toe te laten haar werkzaamheden te hervatten op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100,00 per dag, met veroordeling van De Regenboog in de kosten van de procedure.

2.1.

Ter onderbouwing van de vordering stelt [eiseres] - zakelijk weergegeven - dat een dringende reden voor het gegeven ontslag ontbreekt. [eiseres] betwist dat zij de raad van toezicht niet dan wel onjuist heeft geïnformeerd en haar verplichtingen en verantwoordelijkheden als directeur niet is nagekomen. [eiseres] stelt dat de raad van toezicht na de omzetting het voortouw diende te nemen om taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden, van het college van bestuur, de raad van toezicht en die van [eiseres] zelf in kaart te brengen. De raad van toezicht is daarbij op alle onderdelen tekort geschoten. Daardoor moest [eiseres] maar zien hoe zij zich redde. Verder stelt [eiseres] dat de financiële situatie van De Regenboog vanaf 2004 is verslechterd. De oorzaak daarvan lag vooral bij extra personele kosten. Ook het aanstellen van een interim-directeur in 2005 heeft de financiële druk verhoogd. In 2009/2010 was de financiële situatie zodanig alarmerend dat de externe accountant Deloitte in de toelichting bij de jaarrekening 2009 heeft gemeld dat de financiële en liquiditeitspositie sterk onder druk staat. Ondanks deze waarschuwing is de raad van toezicht niet tot handelen overgegaan. [eiseres] stelt dat evident is dat de eindverantwoordelijkheid ter zake van de financiële positie bij de raad van toezicht van De Regenboog ligt en niet bij [eiseres]. Pas vanaf oktober 2010 heeft De Regenboog enige actie ondernomen om de financiën op orde te krijgen. Dit was naar aanleiding van een vordering door de belastingdienst betreffende een achterstand in de betaling van loonbelasting. [eiseres] heeft nog een regeling met de belastingdienst kunnen treffen omtrent vier maanden achterstand in de loonbelasting. De zaak is enorm opgeblazen, aldus [eiseres]. Zij kon vanaf dat moment geen goed meer doen. Ook zijn als verwijt aan [eiseres] betalingen aan Cervantes, de stichting Leonardo en Koks Gesto alsmede andere incassokwesties aan de orde gesteld. [eiseres] stelt dat zij nog in gesprek over de verschillende betalingen was.

Ten slotte stelt [eiseres] dat De Regenboog onzorgvuldig heeft gehandeld door het bij de schorsing van 29 juni 2011 aangekondigde forensisch accountantsonderzoek niet uit te laten voeren. Aan haar is daardoor de mogelijkheid ontnomen om na een rapport van bevindingen bij wijze van wederhoor op dit rapport te kunnen reageren.

Op hetgeen [eiseres] verder naar voren heeft gebracht wordt hierna voor zover nodig teruggekomen.

3.

Het verweer.

De Regenboog heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Daarbij heeft De Regenboog - kort gezegd - onder meer aangevoerd dat uit de statuten blijkt dat de raad van bestuur leiding geeft aan De Regenboog en verantwoording verschuldigd is aan de raad van toezicht. Op grond daarvan is de dagelijkse besturing van de school gedelegeerd aan de directie (raad van bestuur). De raad van toezicht is van meet af aan een ”bestuur op afstand” en houdt toezicht op het beleid en de algemene gang van zaken in de organisatie, aldus De Regenboog.

Het onderzoek vanaf 29 juni 2011 heeft aangetoond dat er een veel grotere schuldenlast bestaat dan door [eiseres] was voorgespiegeld. Bovendien is gebleken dat de belastingdienst een grote vordering op De Regenboog heeft en dat er een forse betalingsachterstand bestaat. Dat het slechts om een drietal maanden belastingschuld zou gaan, is onjuist gebleken. Weliswaar heeft [eiseres] betalingsregeling met de belastingdienst getroffen, maar zij heeft daarop geen (tijdige) betalingen verricht of laten verrichten, waardoor de schuld aan de belasting alleen maar is toegenomen en de betalingsregeling op losse schroeven is komen te staan. [eiseres] heeft daarmee de continuïteit van De Regenboog ernstig in gevaar gebracht. Verder stelt De Regenboog dat [eiseres] de raad van toezicht op diverse momenten verkeerd, of in het geheel niet, heeft geïnformeerd. Daarbij heeft zij de raad van toezicht een dusdanig verkeerd beeld voorgehouden dat de raad van toezicht niet in staat is geweest om (tijdig) in te grijpen en nog te trachten het financiële tij te keren. Als directeur en voorzitter van de raad van bestuur van de stichting (school) was [eiseres] niet alleen voor het onderwijs verantwoordelijk, maar ook voor de financiële gang van zaken. Daarnaast is [eiseres] (financiële) verplichtingen aangegaan, waarvan het maar zeer de vraag is of die verplichtingen terecht zijn aangegaan en/of het aangaan van de verplichtingen gelet op de financiële situatie van de school wel verantwoord was. Bovendien heeft De Regenboog geconstateerd dat [eiseres] derden (schuldeisers) heeft getracht te overtuigen van het feit dat De Regenboog wel degelijk betaald had door het verstrekken van informatie die achteraf onjuist blijkt te zijn, waarbij [eiseres] gebruik heeft gemaakt van gefalsificeerde documenten, aldus De Regenboog. Ten slotte is [eiseres], ondanks een nadrukkelijk dienstbevel, niet verschenen op de bespreking op 13 juli 2011.

De Regenboog stelt zich op het standpunt dat dit alles voor haar reden is geweest om vast te stellen dat er sprake is van een dringende reden in de zin van artikel 7: 678 BW.

Op de verdere inhoud van het verweer zal hierna - voor zover voor de beoordeling van belang - worden ingegaan.

3.1.

De vordering in reconventie.

In reconventie vordert De Regenboog de veroordeling van [eiseres] tot betaling aan De Regenboog van een bedrag van € 22.000,00 althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen bedrag, met veroordeling van [eiseres] in de kosten van het geding.

Daartoe stelt De Regenboog - kort weergegeven - dat zij na het ontslag op staande voet heeft ontdekt dat [eiseres] betalingen heeft verricht vanaf de bankrekening van De Regenboog aan zichzelf en aan derden ten behoeve van zichzelf dan wel privé doeleinden, een en ander zonder medeweten, laat staan toestemming van de raad van toezicht. De bedragen betreffen makelaarskosten ter hoogte van € 886,55 vermeerderd met incassokosten van € 169,24, tezamen € 1.055,79. Voorts een betaling voor loonbelasting van [eiseres] persoonlijk aan de belastingdienst van € 594,00. Daarnaast heeft [eiseres] gedurende de periode van 17 augustus 2010 tot en met 31 juli 2011 haar werktijdfactor met 0.223 fte uitgebreid zonder instemming, laat staan medeweten van de raad van toezicht. Voor De Regenboog bedragen de kosten van de onrechtmatige uitbreiding van werktijdfactor € 18.372,73 bruto. Voorts heeft [eiseres] zichzelf ook over eerdere tijdvakken (tijdelijke) uitbreidingen van haar dienstverband toegekend zonder medeweten en/of toestemming van de raad van toezicht.

Genoemde geldvorderingen staan vast, aldus De Regenboog. De Regenboog stelt dat zij gelet op haar financiële huishouding een spoedeisend belang bij toekenning van de vorderingen heeft. De Regenboog vordert derhalve, bij wijze van voorschot op de in een bodemprocedure van [eiseres] (terug) te vorderen bedrag, betaling van een bedrag van € 22.000,00.

3.2.

Het verweer.

[eiseres] heeft tegen de vordering in reconventie verweer gevoerd. Op de inhoud van dit verweer zal hierna voor zover voor de beoordeling noodzakelijk worden ingegaan.

De beoordeling

in conventie en in reconventie:

4.

De kantonrechter overweegt het volgende.

4.1.

Vooropgesteld wordt dat voor toewijzing van een voorziening als door [eiseres] wordt gevorderd, het in hoge mate waarschijnlijk moet zijn dat een gelijkluidende vordering in een te voeren bodemprocedure zal worden toegewezen.

Beoordeeld dient dus te worden of al dan niet aannemelijk is dat de bodemrechter tot het oordeel zal komen dat het [eiseres] op 13 juli 2011 verleende ontslag op staande voet vernietigbaar is.

4.2.

Blijkens de bevestigingsbrief van het ontslag op staande voet van 13 juli 2011 baseert De Regenboog de dringende reden voor het ontslag op staande voet - mede in onderlinge samenhang bezien - niet alleen op het verstrekken van onjuiste informatie en het grovelijk schenden van verplichtingen en verantwoordelijkheden, maar ook op het vervalsen van stukken.

4.3.

Ter onderbouwing van de door haar gestelde grondslag(en) voor het ontslag op staande voet heeft De Regenboog diverse producties in het geding gebracht. Zo heeft De Regenboog laatstgenoemde grondslag - het vervalsen van stukken - aan de hand van de door haar overgelegde productie 32 nader onderbouwd. Deze productie bestaat onder meer uit twee Word documenten uit de computer van [eiseres] waarop betalingen aan de belastingdienst worden vermeld die, zoals door [eiseres] ter zitting is erkend niet als betalingsbewijs kunnen dienen. Voorts is er een PDF document dat, zoals door De Regenboog onweersproken is gesteld, door [eiseres] ten behoeve van de belastingdienst is gebruikt maar waarop de daar aangegeven betaling aan de belastingdienst geen daadwerkelijke betaling betrof. Verder is er een door De Regenboog - na onderzoek - opgemaakt overzicht waaruit blijkt dat voor in totaal negen maanden geen betaling aan de belastingdienst is gedaan.

Uit hetgeen [eiseres] ter zitting hierover heeft verklaard begrijpt de kantonrechter dat [eiseres] weerspreekt dat zij de gestelde valsheid in geschrifte heeft begaan. Echter, gelet op het gemotiveerde verweer van De Regenboog en gezien de daarbij overgelegde en zojuist genoemde stukken in onderling verband beschouwd, acht de kantonrechter de enkele stelling van [eiseres] dat de betalingsregeling met de belastingdienst voor zover haar bekend (maar) een regeling voor een achterstand van vier maanden betrof en dat de overige maanden waren betaald, vooralsnog niet aannemelijk. Daarentegen is wel voldoende aannemelijk geworden dat [eiseres] aan de raad van toezicht onjuiste, niet met de werkelijkheid overeenstemmende schriftelijke stukken heeft verstrekt.

Verder moet worden geoordeeld dat [eiseres] ook ten aanzien van het verwijt van De Regenboog dat zij facturen van ook andere schuldeisers van De Regenboog niet heeft betaald onvoldoende feiten heeft gesteld op grond waarvan aannemelijk kan worden dat die betalingen daadwerkelijk zijn verricht.

Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter volgt uit het voorgaande reeds dat er voor De Regenboog voldoende gronden aanwezig waren die een dringende reden voor een ontslag op staande voet opleveren.

4.4.

Overigens moet het standpunt van [eiseres] dat haar met betrekking tot de financiële situatie van De Regenboog niets valt te verwijten maar dat de raad van toezicht is tekortgeschoten in haar taakuitoefening worden verworpen. Weliswaar is de huidige financiële situatie van De Regenboog op zichzelf genomen nog geen bewijs van het grovelijk schenden van verplichtingen en verantwoordelijkheden door [eiseres], maar blijkens artikel 3.2 van het door De Regenboog als productie 11 overgelegde Beleidskader/Statuut van de Algemene Directie & Huishoudelijk reglement (”Handelingskaders van de voorzitter van de raad van bestuur”), waarvan de geldigheid door [eiseres] niet is weersproken, is aan [eiseres] als directeur en tevens voorzitter van de raad van bestuur het dagelijks bestuur van de school gedelegeerd op de wijze zoals in dat artikel verwoord. Op grond daarvan is [eiseres] verantwoordelijk voor de nakoming van de betalingsverplichtingen van De Regenboog.

4.5.

Ten aanzien van de door [eiseres] gestelde procedurefout bij de schorsing wordt het volgende overwogen.

Uit de brief van De Regenboog van 30 juni 2011 waarin de schorsing van [eiseres] op 29 juni 2011 door De Regenboog wordt bevestigd, blijkt dat De Regenboog de schorsing baseert op het bepaalde in artikel 3.13 sub d jo artikel 3.14 van de CAO-PO. Daaruit volgt dat De Regenboog [eiseres] bij wege van ordemaatregel heeft geschorst. Gelet op het bepaalde in artikel 3.18 lid 1 van de CAO-PO moet echter geoordeeld worden dat door De Regenboog een procedurefout is gemaakt. Op grond van dat artikel had [eiseres] immers in de gelegenheid moeten worden gesteld om binnen drie weken na verzending van het besluit tot schorsing haar zienswijze kenbaar te maken. Deze procedurefout mocht echter voor [eiseres] geen reden zijn om verder - op 13 juli 2011 - niet meer te verschijnen, want in voormelde schorsingsbrief is tevens een forensisch accountantsonderzoek aangekondigd, dat weliswaar niet is uitgevoerd, maar in plaats daarvan is - zoals ter zitting is gebleken - wel een voldoende (nader) feitelijk onderzoek gedaan, waarbij aan [eiseres] gelegenheid is gegeven om op de uitkomsten van dat onderzoek te reageren.

Als de schorsing al in strijd met de cao bepalingen dan kan dat gelet op het vorenoverwogene niet tot het oordeel leiden dat het ontslag op staande voet niet terecht is gegeven.

4.6.

Het is op grond van het vorenstaande vooralsnog niet aannemelijk dat de bodemrechter tot het oordeel zal komen dat het aan [eiseres] gegeven ontslag vernietigbaar is. Hieruit volgt dat de door [eiseres] gevorderde voorziening zal worden geweigerd.

4.7.

Ten aanzien van het in reconventie gevorderde overweegt de kantonrechter als volgt.

4.8.

De Regenboog heeft ter zitting haar vordering ter zake van makelaarskosten en de betaling voor loonbelasting van [eiseres] persoonlijk aan de belastingdienst nader met (bewijs) stukken onderbouwd en aldus, naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter, tegenover de enkele betwisting van [eiseres], haar stellingen op dit punt voldoende aannemelijk gemaakt. Dit deel van de vordering is dan ook in beginsel voor toewijzing vatbaar.

[eiseres] heeft evenwel het deel van de vordering van De Regenboog dat ziet op de gestelde onrechtmatige uitbreiding van werktijdfactor gemotiveerd betwist. Het is dan ook aan De Regenboog om nader bewijs te leveren van haar stellingen ter onderbouwing van haar vordering op dit punt. Nu echter in deze kort geding procedure geen plaats is voor een nader feitenonderzoek zal dit deel van de vordering worden afgewezen.

4.9.

Het vorenstaande leidt er toe dat in reconventie in totaal een bedrag van € 1.649,79 zal worden toegewezen.

4.10.

[eiseres] zal als de (grotendeels) in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure in conventie en in reconventie.

De beslissing

De kantonrechter:

in conventie:

weigert de gevorderde voorziening:

veroordeelt [eiseres] tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van De Regenboog tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 400,00 aan salaris gemachtigde;

in reconventie:

veroordeelt [eiseres] om aan De Regenboog tegen bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 1.649,79;

veroordeelt [eiseres] tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van De Regenboog tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 200,00 aan salaris gemachtigde;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.S. Penders, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 28 september 2011.