Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BU7198

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
29-11-2011
Datum publicatie
07-12-2011
Zaaknummer
16/512282-11 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft brand gesticht in een auto, die als gevolg daarvan vrijwel volledig is uitgebrand. De eigenaar van de auto heeft hierdoor aanzienlijke schade geleden. Bovendien hebben woningen en mensen, die zich in de nabijheid van de brandende auto bevonden, gevaar gelopen. Het is aan snel optreden van de brandweer en de gunstige weersomstandigheden te danken dat de gevolgen van deze brandstichting beperkt zijn gebleven tot de auto.

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 180 uren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/512282-11 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 29 november 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1993] te [geboorteplaats]

wonende te [woonplaats], [adres]

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 15 november 2011. De verdachte is in persoon verschenen en heeft zich ter terechtzitting laten bijstaan door mr. J.J.J.L. Maalsté, advocaat te Utrecht.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van de standpunten door de raadsman van verdachte en door verdachte zelf naar voren gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan brandstichting, door een auto in de brand te steken, waardoor er gevaar voor mensen en goederen is ontstaan.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen en baseert zich daarbij op de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft primair betoogd dat de politie gebruik heeft gemaakt van een onrechtmatige opsporingsmethode. Daartoe heeft de verdediging aangevoerd dat de politie het ziekenhuis, waarin verdachte voor zijn brandwonden is behandeld, hoogstwaarschijnlijk heeft gevraagd uit te zien naar een jongen - met een bij verdachte passend signalement - met brandwonden. Door aldus te handelen heeft de politie (medewerkers van) het ziekenhuis uitgelokt informatie te geven over een persoon die op dat moment daar als patiënt werd behandeld, hetgeen schending van het medisch beroepsgeheim oplevert, nu het bovendien onaannemelijk is dat het ziekenhuis zelf – ongevraagd – de politie heeft geïnformeerd. Dit dient ertoe te leiden dat alle informatie die hierdoor is verkregen van het bewijs moet worden uitgesloten, hetgeen tot vrijspraak moet leiden.

Subsidiair, indien de door de politie gebruikte opsporingsmethode als rechtmatig kan worden gekwalificeerd, heeft de verdediging bepleit dat de informatie die daarmee is verkregen van het bewijs moet worden uitgesloten, nu deze is verkregen doordat het medisch beroepsgeheim is geschonden. Ook dit verweer dient, wegens gebrek aan bewijs, tot vrijspraak te leiden, aldus de verdediging.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging en overweegt daartoe dat, zelfs indien van het door de raadsman geschetste scenario wordt uitgegaan dat – kort gezegd – de politie (het) ziekenhui(s)(zen) heeft gevraagd hen te informeren over een omschreven persoon met brandwonden, dit niet kan worden gekwalificeerd als een onrechtmatige opsporingsmethode. Uit het dossier kan niet worden opgemaakt of de politie daartoe zelf navraag bij (het) ziekenhui(s)(zen) heeft gedaan. Stel dat zij dat wel heeft gedaan, dan is een dergelijke navraag naar het oordeel niet in strijd met een wettelijke bepaling of rechtsbeginsel. De persoon naar wie moest worden uitgekeken was voldoende concreet omschreven. Deze handelswijze van de politie, als die al op deze wijze heeft plaatsgevonden, laat overigens onverlet dat het niet aan de rechtbank is om in deze strafzaak de door de raadsman gestelde schending van het medisch beroepsgeheim te toetsen.

Van een onrechtmatige opsporingsmethode dan wel onrechtmatig verkregen bewijs is dan ook, naar het oordeel van de rechtbank, geen sprake.

De rechtbank acht het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank

heeft bij de beoordeling acht geslagen op de volgende redengevende feiten en omstandigheden.

Door [A] is verklaard, dat zij op 8 maart 2011 de auto van haar broer, van het merk Volkswagen, had geparkeerd voor haar woning aan het [adres] te [woonplaats], gemeente Utrecht. Zij hoorde gebonk op straat, keek naar buiten en zag een jongen met vermoedelijk een groene fles in zijn handen met veel kracht de autoruit van de auto van haar broer kapotslaan. Ze zag dat de jongen iets, vermoedelijk de groene fles, in de auto gooide waardoor deze direct vlam vatte. Ze zag dat de jongen zelf ook in brand vloog.

Door [B] is verklaard, dat hij op 8 maart 2011 als bevelvoerder van de brandweer is ingezet bij een brand van een Volkswagen aan de [adres] te [woonplaats]. [B] zag dat de afstand tussen de brandende auto en de woningen ongeveer drie meter bedroeg en dat de vlammen een halve meter uit de auto sloegen. In het zolderraam van een nabijgelegen woning zag hij zogenaamde kaarsvlammen. [B] heeft nog verklaard, dat het een groot geluk was dat men de brand snel heeft ontdekt, dat er heel snel voertuigen die naast het brandende voertuig stonden geparkeerd zijn weggehaald en dat het niet echt winderig weer was.

Verschillende buurtbewoners hebben een jongen in brand zien staan. Door [C] is verklaard, dat hij op 8 maart 2011 in zijn woonkamer van zijn woning aan de [adres] te [woonplaats] zat en plotseling een harde klap hoorde. Vanuit de voordeur van zijn woning zag hij een man lopen die in brand stond. Hij zag dat de man zijn shirt uitdeed en in de richting van het water rende. [C] zag dat het shirt van de man nog in brand stond.

Op de [adres] te [woonplaats] is door de politie een door vuur aangetast shirt aangetroffen. Dit shirt is door de politie veiliggesteld, bemonsterd en voorzien van identificatienummer AADH1036NL. Het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) heeft in de bemonsteringen van de kraag, de rechtermanchet en linkermanchet van het shirt DNA-profielen verkregen die zijn vergeleken met het DNA-profiel van verdachte. Hieruit is het NFI gebleken, dat het celmateriaal afkomstig kan zijn van verdachte en dat de kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen persoon matcht met dit DNA-profiel kleiner dan één op één miljard is.

De politie heeft in de (uitgebrande) auto een restant van een grotendeels verbrand flesje aangetroffen. Het restant is veiliggesteld en de politie heeft daarop een op een benzine gelijkende lucht geroken. Het restant is ook bemonsterd en voorzien van identificatienummer AADH1034NL. Door het NFI is aangetoond dat er vluchtige stoffen die afkomstig zijn van motorbenzine op het restant van het flesje zijn aangetroffen.

In de fouillering van verdachte is een groene plastic draaidop van een fles aangetroffen. Ook deze dop is bemonsterd en de bemonstering is voorzien van identificatienummer AADH1037NL. Door het NFI is vervolgens aangetoond dat er vluchtige stoffen die afkomstig zijn van motorbenzine op de groene plastic draaidop aangetroffen.

Het voorgaande rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank de conclusie, dat het verdachte is geweest die op 8 maart 2011 de Volkswagen die geparkeerd stond aan de [adres] te [woonplaats] in de brand heeft gestoken.

De rechtbank is van oordeel dat daarbij sprake is geweest van gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor personen. Redengevend hiervoor is onder meer dat de brandstichting plaatsvond in de onmiddellijke nabijheid van woningen en er gebruik is gemaakt van brandbare vloeistof, te weten motorbenzine.

Door ingrijpen van de brandweer is de schade beperkt gebleven tot de uitgebrande auto, maar dit is een gelukkige omstandigheid geweest, die niet wegneemt dat het even zo goed anders had kunnen aflopen, in die zin dat de brand zich zou hebben uitgebreid tot over de hele woning. Immers, in het zolderraam zag de brandweer kaarsvlammen waarop de hogedruk slang is ingezet. Aangezien de aangever op dat moment thuis was en haar dochter die op de zolder slaapt naar bed bracht, trekt de rechtbank hieruit de conclusie dat met de brandstichting niet alleen gemeen gevaar voor goederen maar tevens levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor aangever is ontstaan.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 8 maart 2011 te Utrecht, opzettelijk brand heeft gesticht in een auto (merk Volkswagen),

immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk vuur in aanraking gebracht met in die auto gegoten/gebrachte benzine, ten gevolge waarvan die auto is verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor die auto en zich in de nabijheid van die auto bevindende woningen en levensgevaar voor (een) bewoner(s) en/of omwonende(n) die zich bevond(en) in de zich in de nabijheid van voornoemde auto bevindend(e) woning(en), te duchten was.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

Opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is en terwijl daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

De rechtbank heeft zich over de persoon van verdachte willen laten voorlichten door

F. Jonker, GZ-psycholoog. Verdachte heeft echter niet willen meewerken aan diens onderzoek. De rechtbank houdt het er daarom voor dat het bewezenverklaarde volledig aan verdachte kan worden toegerekend.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen een werkstraf voor de duur van 140 uren subsidiair 70 dagen vervangende jeugddetentie.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit, op de grond zoals hiervoor onder 4.2 weergegeven. Indien het tenlastegelegde wordt bewezen, heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de door de officier van justitie gevorderde straf alleszins redelijk is.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de aan de verdachte op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen verklaarde strafbare feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Verder is rekening gehouden met de persoon van de verdachte zoals uit het onderzoek ter terechtzitting en uit de bespreking daar van het hierna te noemen rapport van Reclassering Nederland is gebleken. Daarnaast heeft de rechtbank acht geslagen op het uittreksel justitiële documentatie met betrekking tot verdachte d.d. 30 juni 2011 en de tussentijdse rapportage van Titan d.d. 10 novermber 2011.

Verdachte heeft brand gesticht in een auto, die als gevolg daarvan vrijwel volledig is uitgebrand. De eigenaar van de auto heeft hierdoor aanzienlijke schade geleden. Bovendien hebben woningen en mensen, die zich in de nabijheid van de brandende auto bevonden, gevaar gelopen. Het is aan snel optreden van de brandweer en de gunstige weersomstandigheden te danken dat de gevolgen van deze brandstichting beperkt zijn gebleven tot de auto. Het motief voor deze daad is onbekend gebleven en dit maakt het voor de rechtbank moeilijk te begrijpen waarom verdachte een dergelijk ernstig feit heeft begaan, waar hij zelf ernstige fysieke gevolgen heeft ondervonden. Hij is immers met ernstige verwondingen in het brandwondencentrum opgenomen.

De rechtbank heeft kennis genomen van de inhoud van het over verdachte opgemaakte rapport van Reclassering Nederland d.d. 10 november 2011.

De rechtbank vindt het onbevredigend dat verdachte slechts zeer beperkt inzicht heeft willen geven in zijn persoonlijkheid.

Een dergelijk misdrijf rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur. De rechtbank acht dit, in het belang van de persoonlijke ontwikkeling van verdachte, in dit geval niet aangewezen en zal verdachte veroordelen tot een werkstraf. De duur van de werkstraf is langer dan door de officier van justitie is gevorderd, omdat met de gevorderde werkstraf gezien de ernst van het feit naar het oordeel van de rechtbank niet kan worden volstaan.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 77a, 77g, 77m, 77n, 157 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde het onder 5.1 genoemde strafbare feit oplevert;

- verklaart verdachte daarvoor strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 180 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast van 90 dagen.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.A.A. van Kalveen, voorzitter, tevens kinderrechter,

mr. M.C. Oostendorp en mr. J.P. Killian, rechters, in tegenwoordigheid van

mr. J.A. van Wageningen, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 29 november 2011.