Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BU7187

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
09-11-2011
Datum publicatie
07-12-2011
Zaaknummer
16/440727-11 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Hennepkwekerij in woning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/440727-11 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 9 november 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats], op [1976]

wonende te [woonplaats], [adres]

raadsvrouw mr. S. Dogan, advocaat te Utrecht

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 26 oktober 2011, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. De zaak is tegelijkertijd, maar niet gevoegd behandeld met de zaak tegen medeverdachte [medeverdachte], parketnummer 16/440726-11.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte in de periode van 1 augustus 2010 tot en met 11 maart 2011 te Utrecht:

feit 1: tezamen en in vereniging met een ander of anderen een hoeveelheid hennep heeft geteeld, bereid, bewerkt, verwerkt of opzettelijk aanwezig heeft gehad;

feit 2: een hoeveelheid stroom heeft gestolen van Stedin Netbeheer BV dan wel van Energiebedrijf Eneco.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging en er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan en baseert zich daarbij op de bevindingen van de politie, de aangifte van het energiebedrijf en de bekennende verklaring van verdachte.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is eveneens van mening dat de rechtbank tot een bewezenverklaring kan komen van de ten laste gelegde feiten en wijst daarbij op de bevindingen van de politie, de aangifte van het energiebedrijf en de bekennende verklaring van verdachte.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan en baseert zich daarbij op het volgende.

Aangezien verdachte de ten laste gelegde feiten heeft bekend en de verdediging niet een vrijspraak heeft bepleit, volstaat de rechtbank met toepassing van het bepaalde in artikel 359, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering, met een opsomming van de bewijsmiddelen.

De rechtbank acht het feit bewezen gelet op:

- Het proces-verbaal van aangifte van [aangever] namens Stedin Netbeheer BV, onderdeel van Energiebedrijf Eneco, d.d. 17 maart 2011, met als bijlage een rapportage diefstal energie, in de wettelijke vorm opgemaakt en opgenomen op pagina15-29 van het proces-verbaal met dossiernummer PL091A 2011055620 van de politie regio Utrecht;

- Het proces-verbaal van relaas d.d. 29 maart 2011 van [verbalisant], brigadier van de politie Utrecht, in de wettelijke vorm opgemaakt en opgenomen op pagina 6-11 van het proces-verbaal met dossiernummer PL091A 2011055620 van de politie regio Utrecht;

- Het proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte], in de wettelijke vorm opgemaakt en opgenomen op pagina 43-44 van het proces-verbaal met dossiernummer PL091A 2011055620 van de politie regio Utrecht;

- De bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 26 oktober 2011.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

op tijdstippen in de periode van 01 augustus 2010 tot en met 11 maart 2011 te Utrecht, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, opzettelijk heeft geteeld in een pand aan de [adres] een hoeveelheid van ongeveer 450 hennepplanten, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

2.

op tijdstippen in de periode van 01 augustus 2010 tot en met 11 maart 2011 te Utrecht, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid stroom, geheel toebehorende aan Stedin Netbeheer B.V. en/of Energiebedrijf Eneco, waarbij verdachte die weg te nemen stroom onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking van de verzegeling van het deksel van de hoofdaansluitkast.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Ten aanzien van feit 1: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van feit 2: diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 10 weken.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit dat de door de officier van justitie gevorderde gevangenisstraf dient te worden gematigd, dan wel dient te worden omgezet in een werkstraf.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straffen heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte.

Verdachte heeft samen met zijn partner gedurende ruim zeven maanden een grote hoeveelheid hennep gekweekt in zijn woning. Het spreekt voor zich dat het kweken van een softdrug als hennep een strafbaar feit is dat overlast veroorzaakt en schade voor de maatschappij oplevert. Softdrugs zijn immers stoffen die bij langdurig gebruik kunnen leiden tot schade voor de gezondheid. Voorts levert een kwekerij, waarbij op illegale wijze elektriciteit wordt onttrokken aan het net en de elektrische installatie ondeskundig is aangelegd, (brand)gevaar op voor de omgeving. Dit is in dit geval des te kwalijker nu de aangetroffen kwekerij in een woning was opgezet. Verdachte heeft zich kennelijk om al deze gevolgen niet bekommerd en slechts gehandeld uit winstbejag. De rechtbank rekent het de verdachte bovendien zwaar aan dat hij door zo te handelen er mede aan bijdraagt dat andere allochtonen, die in Nederland trachten zich te vestigen, daarbij steeds meer tegenwerking ondervinden.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- een hem betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 23 augustus 2011, waaruit blijkt dat verdachte in Nederland niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 10 weken wordt opgelegd. De rechtbank is, in het licht van hetgeen voor soortgelijke feiten in soortgelijke omstandigheden wordt opgelegd, van oordeel dat de aan de verdachte op te leggen straf anders dient te zijn.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden passend en noodzakelijk is. De rechtbank ziet geen ruimte voor een andere of lichtere sanctie. Wel ziet de rechtbank aanleiding deze straf geheel voorwaardelijk op te leggen. Met deze voorwaardelijke straf wordt beoogd verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen in Nederland.

De rechtbank is voorts van oordeel dat naast voornoemde voorwaardelijke gevangenisstraf een werkstraf voor de duur van 140 uur, subsidiair 70 dagen hechtenis, passend en noodzakelijk is. De rechtbank zal daarbij bepalen dat de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de uitvoering van de werkstraf.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47, 57, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 11 van de Opiumwet zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

feit 2: diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 3 maanden, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat de voorwaardelijke straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 140 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 70 dagen;

- bepaalt dat de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de uitvoering van de werkstraf naar rato van twee uur per dag.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Bender, voorzitter, mr. G. Perrick en mr. R.G.A. Beaujean, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G.C. van de Ven-de Vries, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 9 november 2011.

Mr. R.G.A. Beaujean is buiten staat dit vonnis mee te ondertekenen.