Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BU7173

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
19-10-2011
Datum publicatie
07-12-2011
Zaaknummer
16/600771-11 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

veroordeeld voor drie bedreigingen met zware mishandeling. Vd heeft een fors strafblad en vertoond veelvuldig agressief gedrag. Eerdere reclasseringscontacten en hulpverlening hebben weinig tot geen resultaat opgeleverd. Oplegging ISD maatregel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/600771-11 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 19 oktober 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1988] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats],

thans gedetineerd te P.I. Flevoland, Huis van Bewaring Almere Binnen, te Almere,

raadsman mr. B.J.W. Tijkotte, advocaat te Koog aan de Zaan.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 5 oktober 2011, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: op 29 juli 2011 te Wijk bij Duurstede [verbalisant 1] heeft bedreigd;

Feit 2: op 29 juli 2011 te Wijk bij Duurstede [broer verdachte] heeft

bedreigd met zware mishandeling;

Feit 3 primair: op 29 juli 2011 te Wijk bij Duurstede heeft geprobeerd om [broer verdachte] zwaar te mishandelen;

Feit 3 subsidiair: op 29 juli 2011 te Wijk bij Duurstede [broer verdachte]

heeft bedreigd;

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 1, feit 2 en het onder feit 3 primair ten laste gelegde heeft begaan en baseert zich daarbij op de omstandigheden en verklaringen zoals deze blijken uit het dossier.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen en wijst daarbij op het volgende.

Ten aanzien van het onder 1 en 2 ten laste gelegde stelt de verdediging zich op het standpunt dat er geen reële vrees op lichamelijk letsel was.

Ten aanzien van het onder feit 3 primair ten laste gelegde stelt de verdediging primair dat één en ander niet is gegaan zoals het is geverbaliseerd en dat er geen sprake is van een poging zware mishandeling.

Mocht de rechtbank tot een bewezenverklaring komen, dan stelt de verdediging dat het onder feit 3 primair ten laste gelegde geen poging zware mishandeling oplevert, maar naar de uiterlijke verschijningsvorm een bedreiging is. Voorts betoogt de verdediging dat er ten aanzien van feit 2 en feit 3 subsidiair sprake is van een voortgezette handeling. Wat betreft de consequenties die hieraan moeten worden verbonden, refereert de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Vrijspraak feit 3, primair

De rechtbank heeft niet de overtuiging verkregen dat verdachte het boos opzet had om [broer verdachte] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Naar de uiterlijke verschijningsvorm is de rechtbank van oordeel dat uit het slaan met een kolenschep in de richting van de aangever niet de opzet tot zware mishandeling kan worden afgeleid. Voorts is de rechtbank van oordeel dat uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting onvoldoende blijkt dat de aanmerkelijke kans bestond dat verdachte aangever zwaar letsel zou toebrengen en dat verdachte deze aanmerkelijke kans willens en wetens zou hebben aanvaard. Derhalve zal de rechtbank verdachte vrijspreken van de onder 3 primair ten laste gelegde poging zware mishandeling.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder feit 1, feit 2 en het onder feit 3 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en overweegt daartoe het volgende.

Feit 1

Op 29 juli 2011 kreeg de politie omstreeks 18:30 uur de melding om te gaan naar[adres] te Wijk bij Duurstede, alwaar een persoon – te weten verdachte – zijn familie zou bedreigen. Ter plaatse ziet verbalisant en aangever [verbalisant 1] verdachte wegrennen. [verbalisant 1] ziet hem in zijn richting kijken en hoort hem schreeuwen: “jullie politie pakken me toch niet”. [verbalisant 1] zet de achtervolging in en ziet vervolgens dat verdachte een stoeptegel pakt, deze met beide handen tot schouderhoogte brengt en zich in de richting van [verbalisant 1] draait. [verbalisant 1] was op dat moment genaderd tot een afstand van drie meter.

De aangifte wordt ondersteund door de verklaring van verbalisant [verbalisant 2], die zich op 29 juli 2011 samen met verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 3] had begeven naar [adres] te Wijk bij Duurstede.

Verdachte verklaart ter zitting dat hij enkel de stoeptegel in handen had genomen om de agenten te laten terugdeinzen.

De rechtbank overweegt dat alleen het vasthouden van een stoeptegel met de bedoeling om een ander af te schrikken in casu reeds een bedreiging oplevert. Gelet op de omstandigheid dat verdachte op de vlucht was voor de politie, vervolgens stilstaat en met een stoeptegel in de handen richting [verbalisant 1] kijkt terwijl hij zich op een afstand van slechts drie meter bevindt, was de bedreiging van dien aard en onder zodanige omstandigheden dat bij [verbalisant 1] redelijke vrees kon ontstaan dat verdachte daadwerkelijk de tegel naar hem zou gooien als hij naderbij zou komen.

Feiten 2 en 3, subsidiair

Aangever [broer verdachte] verklaart dat hij zich op 29 juli 2011 samen met verdachte, tevens zijn broer, en hun moeder in hun huis op [adres] te Wijk bij Duurstede bevond, toen hij ruzie met verdachte kreeg over diens drankgebruik. Verdachte pakte een bierflesje en hield deze vast in een uithalende beweging.

Getuige [getuige], moeder van verdachte en aangever, was bij de worsteling aanwezig en heeft als volgt verklaard. Op 29 juli 2011 hoorde zij geschreeuw uit haar woning komen op [adres] te Wijk bij Duurstede. Binnen zag zij dat verdachte een geopend flesje bier van tafel pakte. Hij hield deze omhoog om het te gebruiken tegen aangever. Verdachte was daarbij aan het tieren en aan het razen. Verdachte begon met het flesje om zich heen te slaan. [getuige] zag dat verdachte ineens naar de haardschep greep. Deze schep is van metaal en is zwaar en scherp. Verdachte hield de haardschep in zijn handen en zwaaide ermee naar aangever.

Getuige [vader verdachte], vader van verdachte en aangever, bevestigt dat verdachte een bierfles in zijn handen hield en deze dreigend in de richting van aangever hield om ermee te slaan.

De rechtbank maakt uit de bewoordingen en de feitelijke gedragingen van verdachte op dat hij de opzet had om zijn broer te bedreigen. Gelet op de dronken toestand waarin verdachte zich bevond en de fysieke aanval op aangever, kon bij aangever de redelijke vrees ontstaan dat verdachte hem daadwerkelijk iets aan zou doen. Op grond van het bovenstaande in onderling verband en samenhang bezien acht de rechtbank dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan bedreiging met zware mishandeling, in aanmerking genomen dat het slaan met een bierfles en een kolenschep zwaar lichamelijk letsel ten gevolge kan hebben.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

op 29 juli 2011 te Wijk bij Duurstede [verbalisant 1], inspecteur van politie heeft bedreigd

met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk bedreigend

een stoeptegel gepakt en die stoeptegel zichtbaar getoond aan die [verbalisant 1], terwijl die zich dichtbij verdachte, bevond en voornoemde [verbalisant 1] dreigend de woorden toegevoegd:

"Jullie politie pakken mij toch niet";

2.

hij op 29 juli 2011 te Wijk bij Duurstede zijn broer [broer verdachte] heeft bedreigd met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een bierfles gepakt en hiermee één of meer bewegingen gemaakt in de richting van die [broer verdachte], terwijl die zich zeer dichtbij verdachte bevond;

3.

Subsidiair

op 29 juli 2011 te Wijk bij Duurstede zijn broer [broer verdachte] heeft bedreigd met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk bedreigend een kolenschep gepakt en vervolgens hiermee in de richting van die [broer verdachte] een zwaaiende beweging gemaakt, terwijl die [broer verdachte] zich zeer dichtbij verdachte bevond en daarbij voornoemde [broer verdachte] dreigend de woorden toegevoegd: "Ik ga jullie vermoorden".

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Feit 1,: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht

Feit 2 en 3 subsidiair: telkens, bedreiging met zware mishandeling

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna te noemen ISD-maatregel).

6.2 Het standpunt van de verdediging

Primair verzoekt de raadsman vrijspraak van alle ten laste gelegde feiten. Mocht de rechtbank tot een bewezenverklaring komen, dan verzoekt de raadsman om een straf op te leggen gelijk aan het voorarrest. De raadsman doet daarbij tevens het verzoek om de voorlopige hechtenis op te heffen gelet op het bepaalde in artikel 67a lid 3 Wetboek van Strafvordering.

Subsidiair verzoekt de raadsman om oplegging van een voorwaardelijke ISD-maatregel met als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht. Verdachte stelt zich open voor begeleiding als de rechtbank dit nodig vindt.

Voorts doet de raadsman een voorwaardelijk verzoek tot aanhouding van de zaak. Mocht de rechtbank besluiten tot oplegging van een onvoorwaardelijke ISD-maatregel, dan acht de raadsman het noodzakelijk om dhr. Scheffer te horen, aangezien de verdediging van mening is dat op zijn conclusie het één en ander valt af te dingen.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een drietal bedreigingen met zware mishandeling. Uit deze handelingen, alsmede uit de justitiële documentatie van verdachte, blijkt dat verdachte veelvuldig agressief gedrag vertoont.

De rechtbank heeft rekening gehouden met de reclasseringsrapporten van Centrum Maliebaan d.d. 10 augustus 2011 en 27 september 2011, opgemaakt door respectievelijk K. van Scherpenzeel en L. Scheffers, reclasseringswerkers, waarin is opgenomen dat het alcoholgebruik van verdachte makkelijk kan ontaarden in agressief gedrag. Eerdere reclasseringscontacten en hulpverlening blijken weinig tot geen resultaat te hebben opgeleverd. Er heeft vanaf 2007 intensieve en langdurige begeleiding plaatsgevonden door het Leger des Heils. Er is sprake geweest van begeleid wonen en verdachte is aangemeld bij forensische polikliniek het Dok (Kade 17). Nadien is verdachte nog begeleid in het kader van Justitieel Casemanagement en door het OGGZ team van Altrecht. Zowel de reclasseringsbegeleiding als het begeleid wonen zijn beëindigd vanwege onhoudbaar gedrag van verdachte. Alle begeleiding heeft recidive niet kunnen voorkomen.

De reclassering vindt het risico op herhaling groot en adviseert oplegging van de maatregel tot plaatsing van de verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders, daar dit wordt gezien als de enige mogelijkheid om hulpverlening een kans te geven. De rechtbank neemt de conclusie van deze deskundige over en maakt deze tot de hare.

Voorts heeft de rechtbank acht geslagen op de inhoud van een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 26 augustus 2011, dat 12 pagina’s telt, waaruit blijkt dat verdachte veelvuldig is veroordeeld voor misdrijven en dat hij in de periode van vijf jaren voorafgaand aan de bewezen verklaarde feiten diverse keren onherroepelijk is veroordeeld wegens soortgelijke misdrijven tot een vrijheidsbenemende straf, laatstelijk te weten op:

• 23 juli 2010 tot een gevangenisstraf voor de duur van 118 dagen;

• 9 september 2008 tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 weken;

• 19 september 2007 tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden waarvan 3 maanden voorwaardelijk;

Deze straffen zijn blijkens een schriftelijk overzicht ten uitvoer gelegd. De in de onderhavige zaak bewezen verklaarde feiten zijn nadien begaan.

De bewezen verklaarde feiten zijn misdrijven waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Uit het voornoemde voorlichtingsrapport en de justitiële documentatie trekt de rechtbank de conclusie dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan. Verdachte is in de vijf jaren voorafgaand aan de door hem begane feiten ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf veroordeeld. Verdachte is terecht aangemerkt als veelpleger.

De rechtbank is van oordeel dat de veiligheid van personen het opleggen van de maatregel eist en zal daarom de gevorderde maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders opleggen. De rechtbank acht zich voldoende voorgelicht omtrent de persoon van verdachte en is van oordeel dat de gevorderde maatregel noodzakelijk is ter beveiliging van de maatschappij, ook indien verdachte een behandeling zou weigeren. Nu er tevens sprake lijkt te zijn van alcoholmisbruik, strekt de maatregel er mede toe een bijdrage te leveren aan de oplossing van dit misbruik. Het is aan verdachte zelf gelegen of hij van zijn behandeling een succes zal maken.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 38m, 38n, 57 en 285 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder feit 3 primair ten laste gelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1 Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht

feit 2 en 3 subsidiair: telkens, bedreiging;

- verklaart verdachte strafbaar;

Maatregel

- gelast de plaatsing van verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaren;

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Bender, voorzitter, mr. N.E.M. Kranenbroek en mr. P. Wagenmakers, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.T. de Muinck-Dezentje, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 19 oktober 2011.

Mrs. N.E.M. Kranenbroek en P. Wagenmakers zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.