Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BU7169

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
08-09-2011
Datum publicatie
07-12-2011
Zaaknummer
16/710754-11 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing verweren niet-ontvankelijkheid OM in de vervolging. 2 maanden voorwaardelijke gevangenisstraf met proeftijd 2 jaar wegens gewoontewitwassen. Verbeurdverklaring € 245.694,-.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/710754-11 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 8 september 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1965] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres].

Raadsman mr. J.J.D. Doleweerd, advocaat te Amersfoort.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 25 augustus 2011, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1:

Primair:

zich in de periode van 9 september 2002 tot en met 19 maart 2006 in Nederland en Zwitserland schuldig heeft gemaakt aan een gewoonte maken van witwassen, in vereniging gepleegd.

Subsidiair:

zich in de periode van 9 september 2002 tot en met 19 maart 2006 in Nederland en Zwitserland schuldig heeft gemaakt aan de schuldvariant van witwassen, in vereniging gepleegd.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie ter zake het tenlastegelegde niet-ontvankelijk verklaard dient te worden. De raadsman heeft daartoe -kort en zakelijk weergegeven- aangevoerd dat de opeenstapeling van vormverzuimen en inbreuken op beginselen van een behoorlijke procesorde, zoals de gang van zaken rond de aanvankelijke toezegging dat niet tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel zou worden overgegaan, het tijdsverloop (undue delay) en de schending van het bepaalde in 126aa van het Wetboek van Strafvordering, zoal niet ieder op zichzelf dan toch in elk geval in samenhang met elkaar zou moeten leiden tot de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

De rechtbank zal hierna de door de raadsman, in zijn verweer tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, ten grondslag gelegde elementen bespreken en overweegt hiertoe als volgt.

Gang van zaken omtrent de ontneming

De verdediging heeft betoogd dat de onderhavige strafzaak weinig anders is dan de ontnemingszaak ter zake van mogelijk verkregen wederrechtelijk verkregen voordeel. In de ontnemingszaak is op enig moment door het openbaar ministerie besloten om die zaak niet door te zetten, waarna aan verdachte is toegezegd dat niet tot een vordering tot ontneming zal worden overgegaan. De raadsman stelt dat een ontneming en een vervolging wegens witwassen in de kern op hetzelfde neerkomen en om die reden acht de raadsman een vervolging voor witwassen met een te verwachten verzoek van de officier van justitie om verbeurdverklaring in strijd met de toezegging dat er niet tot ontneming zal worden overgegaan.

De rechtbank is van oordeel dat de stelling van de raadsman geen steun vindt in de wet. Een

toezegging dat niet wordt overgegaan tot het indienen van een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, vormt geen beletsel voor het vervolgen wegens witwassen.

Tijdsverloop

De raadsman heeft aangevoerd dat de redelijke termijn ruimschoots is overschreden.

De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van het deel in de tenlastelegging dat betrekking heeft op de feiten in Nederland geldt dat de redelijke termijn is verstreken. Een schending van de redelijke termijn leidt op zichzelf in het algemeen echter niet tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Van zodanige bijzondere omstandigheden dat dat in casu anders is, is niet gebleken. De rechtbank zal bij het bepalen van de strafmaat wel rekening houden met de omstandigheid dat het te oude feiten betreft.

Ten aanzien van het deel in de tenlastelegging dat betrekking heeft op de feiten in Zwitserland geldt dat er geen overschrijding van de redelijke termijn is. Dit onderscheid dient gemaakt te worden, omdat de Zwitserse strafvervolging door Nederland is overgenomen op 25 juni 2008, waardoor deze datum als aanvangsdatum dient te gelden en de redelijke termijn nog niet is verlopen.

Schending artikel 126aa, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 126aa, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering is geschonden. De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat er in strijd met de wettelijke regels afgeluisterde telefoongesprekken met geheimhouders zijn geregistreerd. De raadsman stelt dat deze gesprekken als sturingsinformatie in het tactische onderzoek zijn gebruikt.

De rechtbank heeft vastgesteld dat er in deze (witwas)zaak geen taps zijn verricht. Het verweer dat de raadsman thans voert heeft hij ook reeds aangevoerd in de betreffende Opiumwet-zaak, waarin de taps wel zijn verricht (parketnummer 16/510535-06). Dit verweer heeft toen niet tot de consequentie van niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie geleid. De rechtbank oordeelt dat het feit of er in die zaak ten onrechte geheimhoudpersgesprekken niet of niet tijdig zijn vernietigd in de onderhavige zaak niet kan leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

Gelet op het voorgaande is er geen grond de officier van justitie niet-ontvankelijk te achten in haar vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan. De officier van justitie voert daartoe aan dat verdachte op 29 december 2008 veroordeeld is voor hennepteelt, welke veroordeling bij het hof Arnhem in stand is gebleven. De officier van justitie stelt dat op de bankrekening van verdachte in Zwitserland een enorm geldbedrag stond, waarvan de Zwitserse autoriteiten reeds het vermoeden hadden dat dit illegaal vermogen betrof. De officier van justitie wijst erop, dat Zwitserland beslag op de rekening van verdachte heeft gelegd. De officier van justitie stelt dat dit de start was voor deze vervolging wegens witwassen. De officier van justitie heeft acht geslagen op de overlegde stukken van de Credit Suisse bank te Zurich, waaruit blijkt dat verdachte bij die bank ruim € 245.000,00 op zijn bankrekening had staan.

Ter zake van de overige zaken stelt de officier van justitie dat bij verdachte tijdens de aanhouding € 1.361,80 aan contant geld werd aangetroffen. [A], bij wie € 13.500,00 van verdachte werd aangetroffen, verklaart dat hij en verdachte met dat geld onderweg waren naar Zwitserland. De officier van justitie wijst erop dat bij de doorzoeking in de woning van verdachte vervolgens € 13.550,00 in een kluis, € 400,00 aan casinomunten en sieraden ter waarde van ruim € 23.000,00 werden aangetroffen. Tevens wijst zij op de voertuigen die aangetroffen zijn en de stortingen die op de genoemde bankrekening in Zwitserland zijn gedaan. De officier van justitie wijst erop dat verdachte in de periode van 2000-2005 als legale inkomstenbron enkel een AOW-uitkering en pensioen heeft gehad. Deze inkomsten zijn zodanig laag, dat zijn vermogen niet legaal kan zijn opgebouwd. De officier van justitie acht de door verdachte aangevoerde verklaring dat zijn vermogen afkomstig is van de erfenis van zijn moeder onaannemelijk. De officier van justitie wijst erop dat verdachte daartoe geen verklaring van erfrecht heeft overlegd. Het is volgens de officier van justitie duidelijk dat de voorwerpen op de tenlastelegging zijn verkregen dan wel zijn gefinancierd middels de hennephandel waarvoor verdachte is veroordeeld en dat verdachte derhalve wist dat de voorwerpen op de tenlastelegging, die hij voorhanden had, afkomstig waren uit illegaal vermogen. Gedurende de tenlastegelegde periode heeft verdachte zich volgens de officier van justitie schuldig gemaakt aan een gewoonte maken van witwassen.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van het onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde en verzoekt verdachte daarvan vrij te spreken. De raadsman stelt dat er geen direct verband bestaat tussen het vermogen van verdachte en enig misdrijf, waaruit dit geld afkomstig zou zijn en betoogt daartoe als volgt.

De raadsman stelt zich op het standpunt dat de verklaringen die verdachte (jaren geleden) bij de politie heeft afgelegd niet gebruikt mogen worden voor de bewijsvoering, omdat verdachte destijds geen bijstand van een raadsman heeft gehad tijdens die verhoren. De raadsman verwijst daarbij naar de Salduz-jurisprudentie. Tevens voert de raadsman een betrouwbaarheidverweer ten aanzien van de verklaringen van [A] en [B], omdat zij bij de rechter-commissaris hebben verklaard dat zij bij de politie enkel wenselijk hebben geantwoord en daardoor geen juiste verklaring hebben afgelegd.

De raadsman wijst erop dat er nog een cassatieprocedure loopt tegen het vonnis van het hof in de Opiumwet-zaak tegen verdachte en dat derhalve niet mag worden geconcludeerd dat verdachte op illegale wijze inkomsten heeft gegenereerd. De raadsman geeft als verklaring van het vermogen van verdachte dat verdachte een erfenis heeft ontvangen in het jaar 2000. De raadsman stelt dat die erfenis onder meer bestond uit een postzegelcollectie en sieraden, waaronder horloges. De raadsman stelt dat verdachte in het jaar 2002 zijn postzegelcollectie heeft verkocht aan een Zwitser, waarna hij het verkoopbedrag direct op zijn Zwitserse bankrekening heeft gestort. Tevens heeft verdachte in het jaar 2002 een aantal horloges verkocht. In het jaar 2004 heeft verdachte nog een fors deel van de postzegelcollectie verkocht. De raadsman stelt dat verdachte zijn verklaring heeft onderbouwd met verkoopbewijzen en verklaringen, maar dat justitie nooit een poging heeft ondernomen om deze onderbouwing van verdachte te verifiëren.

De raadsman stelt vervolgens dat, omdat verdachte belasting betaalt over het vermogen, er geen sprake is van belastingontduiking, hetgeen volgens de raadman eveneens inhoudt dat de Nederlandse overheid de herkomst van het vermogen in het belastingsysteem accepteert.

De raadman is voorts nog van mening dat de inkomenspositie van verdachte niet op juiste wijze is berekend, waardoor niet gesteld kan worden dat verdachte in het toetsjaar 2005 meer geld uitgegeven heeft, dan hij heeft ontvangen. De raadsman wijst erop dat verdachte in dat jaar ook geld van zijn Zwitserse bankrekening heeft opgenomen en de raadsman wijst op de mogelijkheid dat verdachte nog wat geld in een ‘spaarpotje’ kon hebben. De raadsman stelt dat daarnaast het inkomen van zijn toenmalige partner ten onrechte niet is meegenomen bij het bepalen van de inkomenspositie van verdachte.

De raadsman stelt op grond van bovenstaande, dat de feiten en de omstandigheden niet dwingend op een witwasconstructie wijzen. De raadman stelt eveneens dat voor het bewijs van witwassen nodig is dat justitie een scenario presenteert over de herkomst van het geld dat boven redelijke twijfel verheven is en dat kan concurreren met alternatieve verklaringen. De raadsman stelt dat derhalve geen sprake kan zijn van een bewezenverklaring van het tenlastegelegde.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Bewijsverweren

De rechtbank zal de door verdachte, alsmede de door [A] en [B] bij de politie afgelegde verklaringen niet gebruiken bij de bewijsvoering. Om die reden vergen het gevoerde Salduz-verweer en het betrouwbaarheidsverweer geen nadere bespreking.

Het door de raadsman aangevoerde alternatieve scenario voor het vermogen van verdachte is naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt. De rechtbank wijst erop, dat het niet noodzakelijk is om een concreet strafbaar feit ten grondslag te leggen aan de overtuiging dat het vermogen niet op legale wijze verkregen is door verdachte. De rechtbank stelt zich wel de vraag of er een andere lezing van de feiten aannemelijk is geworden. Ten aanzien van de sieraden, waarvan de raadsman stelt dat deze door verdachte uit een erfenis zijn verkregen, is de rechtbank van oordeel dat het op de weg van het openbaar ministerie had gelegen om onderzoek te verrichten naar de herkomst daarvan. De rechtbank oordeelt om die reden dat het bewijsvermoeden hier derhalve niet geldt en verdachte zal van dit onderdeel worden vrijgesproken.

Ten aanzien van de vermeende geërfde portzegelcollectie en de horloges van verdachte, die hij zou hebben verkocht, is de rechtbank van oordeel dat dit oncontroleerbare stellingen zijn. De enkele verklaringen van de broer en zus van verdachte, waaruit volgt dat verdachte als enige de erfenis van zijn ouders heeft gekregen, doet daaraan niet af. Er is geen verkoopnota overlegd, waaruit blijkt dat verdachte de postzegelcollectie en de horloges heeft verkocht. Tevens zijn er geen namen van kopers kenbaar gemaakt door verdachte en daarmee is verificatie niet mogelijk. De bedragen van de opbrengst van de verkopen zijn niet als zodanig in de stukken terug te vinden en tevens is het niet duidelijk wat de gehele opbrengst behelst. De rechtbank oordeelt derhalve dat niet voldoende aannemelijk is geworden dat het vermogen van verdachte op legale wijze tot stand is gekomen.

De stelling van de raadsman dat de Nederlandse overheid de herkomst van het vermogen van verdachte accepteert, omdat hij hierover belasting betaalt en er om die reden geen sprake zou kunnen zijn van witwassen, vindt geen steun in de wet.

De rechtbank is -met de raadsman- van oordeel dat de inkomenspositie van verdachte niet (geheel) juist is berekend. Dit enkele feit kan echter de stortingen op de bankrekening van verdachte bij Credit Suisse bank niet verklaren.

Vaststaande feiten

Op 9 september 2002 opende verdachte een Zwitserse depositorekening bij de Credit Suisse bank te Zurich , waarop hij van 9 september 2002 tot en met 14 februari 2006 verschillende bedragen heeft gestort. In totaal heeft verdachte vanaf het openen van de rekening € 217.929,59 gestort. De bankrekening bij de Credit Swiss bank werd voornamelijk gevoed met contante stortingen. Naar aanleiding van (onder andere) het bezoek van mevrouw [B] bij Credit Suisse d.d. 12 mei 2006, met een machtiging om € 100.000,00 in contanten op te nemen, ontstaat bij Credit Suisse en daarna bij de Zwitserse autoriteiten de verdenking van witwassen. In Nederland ontstond dat vermoeden uit de aanhouding van verdachte en zijn ex-zwager [A] d.d. 19 maart 2006.

Verdachte reed in een Mercedes personenauto, type C 270 CDI Combi, voorzien van het kenteken

[kenteken]. Deze auto was per 21 januari 2003 op naam gesteld van verdachte. Bij de aanhouding werd bij verdachte een bedrag van € 1.361,80 aangetroffen en in beslag genomen. [A] was in het bezit van € 13.760,00, waarvan een bedrag van € 260,00 van hem zelf was en de overige € 13.500,00 van verdachte was. Bij de doorzoeking van de woning op 19 maart 2006 werd een bedrag van € 13.550,00 in een kluis aangetroffen. Daar verdachte de enige was, die de beveiligingscode wist en het bedrag is aangetroffen in zijn huis wordt ervan uitgegaan dat dit bedrag aan hem toebehoort. Tevens werd bij de doorzoeking € 400,00 aan casinomunten aangetroffen en in beslag genomen. Er werd in het totaal dus € 28.411,00 aan contanten en € 400,00 euro aan casinomunten onder verdachte in beslag genomen. Uit nader onderzoek is gebleken dat verdachte in het bezit was van een Volkswagen Golf, met kenteken [kenteken]. Deze auto stond op naam van [C] die familie is van de ex-vrouw van verdachte. Volgens [C] is de auto van verdachte. Verdachte bezit ook een Opel Combo met kenteken [kenteken]. Deze is op 5 oktober 2005 op naam van verdachte gesteld. Verdachte is door de rechtbank Utrecht op 19 december 2008 veroordeeld voor overtreding van artikel 3 onder B en C van de Opiumwet , welk vonnis door het hof in stand is gelaten .

Bewijsoverweging

Uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt dat verdachte in de ten laste gelegde periode grote contante bedragen heeft gestort bij Credit Suisse te Zurich. Tevens is het sterke vermoeden ontstaan dat verdachte zich bezig hield met de handel in hennep, omdat verdachte voor onder andere het meermalen medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, te weten hennephandel, is veroordeeld. Tegen het vonnis van het hof is cassatie ingesteld door de verdediging en het vonnis is derhalve nog niet onherroepelijk, echter de veroordeling van verdachte leidt de rechtbank tot de slotsom dat er op zijn minst een sterke mate van verdenking bestaat, dat verdachte de in deze zaak aangetroffen vermogensbestanddelen niet op legale wijze heeft verkregen. In de woning van verdachte is in een kluis geld aangetroffen, waarvan de herkomst onduidelijk is. Ook van de overige aangetroffen geldbedragen is de herkomst niet vast komen te staan. De rechtbank acht het, gezien de beperkte legale inkomsten van verdachte, niet mogelijk dat verdachte de voertuigen die hij bezit op legale wijze heeft verkregen. Naar het oordeel van de rechtbank rechtvaardigen de vastgestelde feiten en de omstandigheden in voldoende mate het vermoeden van witwassen en kan niet anders geconcludeerd worden, dan dat het geld uit enig misdrijf afkomstig is. Daarbij komt dat verdachte niet in voldoende mate aannemelijk heeft gemaakt dat dit vermogen op legale wijze is verkregen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat wettig en overtuigend is vast komen te staan dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan gewoontewitwassen.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

Primair:

hij op meer tijdstippen in de periode van 9 september 2002 tot en met maart 2006 in Nederland en Zwitserland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft verdachte en/of zijn mededader(s)

- van onderstaande voorwerpen de werkelijke aard en herkomst verborgen en verhuld en

- onderstaande voorwerpen verworven en voorhanden gehad, te weten:

- een of meer geldbedragen, te weten een bedrag van ongeveer euro 28.411,- in contanten en euro 400,- aan casinomunten en

- een voertuig, te weten een Mercedes, kenteken [kenteken] en

- een voertuig, te weten een Volkswagen, type Golf, kenteken [kenteken] en

- een voertuig, te weten een Opel, type Combo, kenteken [kenteken] en

- meerdere (contante) stortingen op een bankrekening bij de Credit Suisse Bank te Zurich ten bedrag van in totaal ongeveer euro 217.929,-

terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) wisten dat die voorwerpen -onmiddellijk of middellijk- afkomstig waren uit enig misdrijf.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

Ten aanzien van feit 1, primair:

Van het plegen van witwassen een gewoonte maken.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman stelt dat een gevangenisstraf niet mogelijk is voor verdachte, omdat verdachte een dwarslaesie heeft. De raadsman stelt dat er in Nederlandse gevangenissen en penitentiaire ziekenhuizen geen gelegenheid is om iemand met een dwarslaesie te verzorgen. Verdachte heeft door eerdere detentie spasmen in zijn pezen ontwikkeld en tevens heeft hij doorligwonden, een permanente andere stand van zijn voeten en oncontroleerbare samentrekkingen van de spieren gekregen. De raadsman wijst er tevens op dat verdachte een medisch cannabis gebruiker is en dat er binnen het penitentiaire systeem geen medicinaal cannabis gebruik wordt toegestaan.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het witwassen van grote geldbedragen. Een groot deel van zijn illegale vermogen werd door verdachte ondergebracht bij een Zwitserse bank. Het witwassen van gelden heeft een ontwrichtende werking op het economisch verkeer. Met betrekking tot de vermoedelijke herkomst van het geld, te weten de handel in hennep, zijn forse geldbedragen gemoeid en ook de verdiensten die uit deze handel worden verkregen zijn groot. Deze handel is een onderdeel van de keten die het gebruik van softdrugs faciliteert. Een keten die uit is gegroeid tot een aanzienlijke organisatie en die veelal gepaard gaat met het plegen van andere strafbare feiten en die onrust veroorzaakt in de samenleving.

De rechtbank neemt in overweging dat uit het uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 13 juli 2011 blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor verschillende strafbare feiten. De rechtbank houdt rekening met het feit dat verdachte nadat hem een straf is opgelegd, schuldig wordt verklaard aan een misdrijf dat voor de strafoplegging d.d. 29 september 2009 is gepleegd (artikel 63 Wetboek van Strafrecht). Tevens heeft de rechtbank bij het bepalen van de straf rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn ten aanzien van die onderdelen in de tenlastelegging die betrekking hebben op het feit in Nederland gepleegd.

Alles afwegende is naar het oordeel van de rechtbank een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden met een proeftijd van twee jaar passend en geboden.

7 Het beslag

Onder verdachte is een geldbedrag van € 245.694,00 in beslag is genomen.

De officier van justitie heeft ten aanzien van het inbeslaggenomen geld onder verdachte gevorderd dat dit verbeurd wordt verklaard.

De raadsman verzoekt om opheffing van het beslag en stelt dat het in beslag genomen geld aan verdachte dient te worden teruggegeven. De raadsman voert daartoe aan dat niet valt af te leiden dat dit geld uit misdrijf afkomstig is en daarom niet verbeurd kan worden verklaard.

7.1 De verbeurdverklaring

De rechtbank verklaart verbeurd het in beslaggenomen vermogen van € 245.694,00. Ten aanzien van overige in beslag genomen zaken is geen beslaglijst overlegd, waardoor het voor de rechtbank niet duidelijk is of en waarop er verder in deze zaak beslag is gelegd en wat de huidige status van dat eventuele beslag is, zodat daarover door de rechtbank niet kan worden beslist.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 63, 420ter en 420bis van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Voorvragen

- verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging van [verdachte];

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Van het plegen van witwassen een gewoonte maken.

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van twee maanden, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat de voorwaardelijke straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

Beslag

- verklaart verbeurd het inbeslaggenomen voorwerp, te weten het geldbedrag van € 245.694,00;

Dit vonnis is gewezen door mr. S. Wijna, voorzitter, mr. P. Wagenmakers en mr. M.H.L. Schoenmakers, rechter, in tegenwoordigheid van mr. E. van den Brink, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 8 september 2011.

Mr. M.H.L. Schoenmakers is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.