Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BU7152

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
16-09-2011
Datum publicatie
07-12-2011
Zaaknummer
16/600454-11 e.a.
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veelpleger. Voor de tweede keer de isd-maatregel opgelegd. Reclassering ziet geen enkele andere mogelijkheid. Verdachte blijft delicten plegen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/600454-11; 16/504262-11 (ter terechtzitting gevoegd); 16/504327-11 (ter terechtzitting gevoegd) [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 16 september 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1967] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

thans gedetineerd te P.I. Flevoland, Huis van Bewaring Almere Binnen, te Almere.

Raadsvrouw mr. A.M.R. Van Ginneken, advocaat te Utrecht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 16 september 2011. Verdachte is niet verschenen. Wel is verschenen zijn gemachtigde raadsvrouw. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

parketnummer: 16/600454-11

feit 1: op 3 mei 2011 veiligheidscilinders heeft gestolen uit de Bouwmaat;

feit 2: op 21 maart 2011 goederen heeft gestolen uit de Albert Heijn;

parketnummer: 16/504262-11

op 25 juni 2011 goederen heeft gestolen uit de Albert Heijn;

parketnummer: 16/504327-11

op 5 september 2011 [slachtoffer] heeft mishandeld.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaardingen geldig zijn, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaken, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 De bewijsmiddelen

Ten aanzien van de bewezenverklaring:

De rechtbank acht het bij parketnummer 16/600454-11 onder 1 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.

De rechtbank heeft daarbij gelet op:

- de verklaring van aangever [aangever 1] ;

- de verklaring van getuige [getuige 1] ;

- de bekennende verklaring van verdachte ;

De rechtbank acht het bij parketnummer 16/600454-11 onder 2 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank heeft daarbij gelet op:

- de verklaring van aangever [aangever2] ;

- de bekennende verklaring van verdachte ;

- het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant] ;

De rechtbank acht het bij parketnummer 16/504262-11 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank heeft daarbij gelet op:

- de verklaring van aangever [aangever3] ;

- de bekennende verklaring van verdachte ;

De rechtbank acht het bij parketnummer 16/504327-11 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank heeft daarbij gelet op:

- de verklaring van aangever [slachtoffer] , inhoudende dat hij op 5 september 2011in de Albert Heijn op het Rond te Houten was en dat hij door een man bij de keel werd gegrepen, waarop de man zijn rechtervuist balde en deze met hoge snelheid naar het gezicht van aangever bracht. Aangever voelde een pijnscheut in zijn linkerkaak.

- de verklaring van getuige [getuige 2] , inhoudende dat hij op 5 september 2011 bij de Albert Heijn te Houten was. Hij zag dat een man naar [slachtoffer] liep en [slachtoffer] een klap gaf met zijn rechtervuist.

4.2 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

parketnummer 16/600454-11

1.

op 03 mei 2011 te Utrecht, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een hoeveelheid veiligheidscilinders (merk Starx en Nemef), toebehorende aan de Bouwmaat;

2.

op 21 maart 2011 te Utrecht, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een hoeveelheid toiletartikelen en een hoeveelheid (sterke) drank toebehorende aan Albert Heijn;

parketnummer 16/504262-11

op 25 juni 2011 te Doorn, gemeente Utrechtse Heuvelrug, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen drie verpakkingen Duracel batterijen en drie gloeilampen en twee blikjes Eristoff Wodka, toebehorende aan Albert Heijn;

parketnummer 16/504327-11

op 05 september 2011 te Houten, opzettelijk mishandelend [slachtoffer] tegen het gezicht heeft gestompt/geslagen, waardoor voornoemde [slachtoffer] pijn heeft ondervonden.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

parketnummer 16/600454-11 feit 1 en 2 en parketnummer 16/504262-11:

Telkens: diefstal

parketnummer: 16/504327-11:

Mishandeling.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 jaren zonder de aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw stelt dat verdachte al eerder de ISD-traject heeft gevolgd en niet nogmaals een ISD-maatregel opgelegd wil krijgen. De raadsvrouw verzoekt de rechtbank dat, wanneer de rechtbank toch de voornoemde maatregel oplegt, zij de dagen dat verdachte in voorarrest heeft gezeten aftrekt van de duur van de ISD-periode. De raadsvrouw meent dat, omdat verdachte al eerder in een ISD-instelling heeft gezeten, er sneller gestart kan worden met het inhoudelijke ISD-traject. Voorts verzoekt de raadsvrouw de rechtbank, in het geval zij de ISD-maatregel oplegt zonder aftrek, mondeling uitspraak te doen, zodat verdachte zo snel mogelijk aan het ISD-traject kan beginnen.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen maatregel heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft opnieuw vermogensdelicten gepleegd, terwijl hij net een week tevoren een gevangenisstraf had uitgezeten voor een ander vermogensdelict. Uit de handelingen van verdachte blijkt dat verdachte weinig respect toont voor andere mensen en hun eigendommen. Verdachte heeft door de jaren door heen veel overlast veroorzaakt, maar lijkt dit niet te beseffen en accepteert niet of nauwelijks hulp voor zijn problematiek. De vele hulp die verdachte heeft aangeboden gekregen, is niet afdoende gebleken

De rechtbank acht, alles afwegende, de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaar passend en geboden. De rechtbank heeft daarbij het volgende overwogen:

Blijkens het uittreksel uit de justitiële documentatie is verdachte in de periode van vijf jaren voorafgaand aan het bewezenverklaarde feit ten minste driemaal onherroepelijk veroordeeld tot vrijheidsstraffen, te weten door de politierechter op 26 mei 2011, door de politierechter op 16 februari 2011 en door de politierechter op 3 augustus 2010. Deze straffen zijn volgens voornoemd uitreksel volgens mededeling van de officier van justitie ten uitvoer gelegd voorafgaand aan de onderhavige strafbare feiten. De bewezen verklaarde feiten zijn misdrijven, waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Er ligt een met redenen omkleed, gedagtekend en ondertekend advies over de wenselijkheid of noodzakelijkheid van de maatregel.

Hieruit volgt dat is voldaan aan de door de wet gestelde voorwaarden voor oplegging van de isd-maatregel, mits er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan en de veiligheid van personen en goederen het opleggen van de maatregel eist.

Met betrekking tot het recidivegevaar, de veiligheid van personen en goederen en de daaruit voorvloeiende noodzakelijkheid van de isd-maatregel overweegt de rechtbank als volgt.

Uit het uittreksel uit de justitiële documentatie volgt dat verdachte vele malen veroordeeld is voor ondermeer vermogensdelicten.

Aan verdachte is eerder een ISD-maatregel opgelegd door de rechtbank en deze maatregel is 11 september 2009 beëindigd. Vanuit de ISD was toegewerkt naar zelfstandige woonruimte met ambulante woonbegeleiding en voor het financiële gedeelte werd verdachte aangemeld bij Stadsgeldbeheer. Deze doelen waren, blijkens het rapport van Centrum Maliebaan d.d. 7 september 2011, opgemaakt door W.A. van Kreel, gerealiseerd. Toch bleef verdachte na zijn ISD herhaaldelijk in aanraking komen met de politie. Verdachte heeft door de politierechter d.d. 6 oktober 2010 een verplicht reclasseringstoezicht opgelegd gekregen, maar pleegde kort daarna weer een strafbaar feit. Op 24 augustus 2010 is verdachte door de politierechter veroordeeld tot een behandeling bij Kade 17, maar verdachte heeft aan deze ambulante hulpverlening niet meegewerkt en het toezicht is geretourneerd. Ook in 2011 is verdachte geschorst uit de voorlopige hechtenis en diende hij zich te melden bij Centrum Maliebaan. Ook daaraan heeft verdachte niet voldaan.

Vanuit de optiek van Centrum Maliebaan is het niet mogelijk gebleken om verdachte te begeleiden, ook niet binnen een justitieel kader. Zijn voortdurende delictgedrag, ondanks de dreiging dat bij een volgend feit ingezet zou worden op een ISD-maatregel, leidt in de ogen van de rapporteur tot geen enkele andere conclusie dat het opnieuw opleggen van de ISD-maatregel noodzakelijk is. Binnen de ISD zou toegewerkt kunnen worden naar opname in een forensische verslavingskliniek.

Gelet op de inhoud van bovengenoemd rapport van 7 september 2011, waaruit blijkt dat verdachte verslaafd is aan harddrugs en elke vorm van behandeling afbreekt danwel niet opstart, overweegt de rechtbank dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan. Het is de rechtbank duidelijk geworden dat het drugsgebruik van verdachte de kern van de problematiek is en dat verdachte voor deze verslaving een behandeling nodig heeft om te voorkomen dat verdachte in de toekomst wederom strafbare feiten pleegt.

Nu verdachte de laatste jaren stelselmatig delicten heeft gepleegd, de hem opgelegde vrijheidsstraffen en de hem in grote mate geboden hulpverlening hem er niet toe hebben gebracht het roer om te gooien en de reclassering onderbouwd heeft aangegeven geen enkele andere mogelijkheid meer te zien, is de rechtbank van oordeel dat de veiligheid van personen en goederen het opleggen van de isd-maatregel eist. Het nog niet bestaan van een concreet behandelplan vormt geen (formeel) beletsel voor oplegging van de maatregel.

Nu de concrete invulling van het hulpverleningstraject thans nog niet duidelijk is zal de rechtbank bij het opleggen van de isd-maatregel bepalen dat het Openbaar Ministerie binnen negen maanden na het onherroepelijk worden van het vonnis de rechtbank bericht over het verloop van de maatregel.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 38m, 57, 310, 300 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8 De beslissing

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.2 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

parketnummer 16/600454-11 feit 1 en 2 en parketnummer 16/504262-11:

Telkens: diefstal

parketnummer: 16/504327-11:

Mishandeling;

- verklaart verdachte strafbaar;

Maatregel

- gelast de plaatsing van verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaar;

- bepaalt dat het Openbaar Ministerie binnen negen maanden na het onherroepelijk worden van het vonnis bericht over de noodzakelijkheid van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van deze maatregel.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.G. van Doorn, voorzitter, mr. A. Kuijer en mr. A.M. Crouwel, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Z. Berkouwer en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 16 september 2011.

De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.