Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BU6812

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
06-12-2011
Datum publicatie
06-12-2011
Zaaknummer
SBR 11/3546
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Voorlopige voorziening hangende bezwaar. Omgevingsvergunning verleend voor de aanleg van twee bruggen en een damwand met onderleider. Activiteiten ter uitvoering van een watergebiedsplan. Dorpsplatform is belanghebbende bij de vergunning. Naar voorlopig oordeel terecht vergunning verleend voor het bouwen; motiveringsgebreken kunnen in bezwaarfase worden hersteld. Het watergebiedsplan en de wijze van totstandkoming daarvan liggen niet ter toetsing voor. Weigeringsgronden artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo zijn limitatief en imperatief geformuleerd. Watergebiedsplan is geen weigeringsgrond. Vooralsnog geen strijd met bestemmingsplan geconstateerd. Niet gebleken dat andere weigeringsgrond zich voordoet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummer: SBR 11/3546

uitspraak van de voorzieningenrechter op het verzoek om voorlopige voorziening van

de stichting Stichting Dorpsplatform Kamerik, gevestigd te Kamerik, verzoekster

(gemachtigden: K. de Wit en C.F. Mees-Snepvangers),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Woerden, verweerder

(gemachtigde: A.H. Chaudron).

Procesverloop

Bij besluit van 13 september 2011 heeft verweerder aan het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden (hierna: vergunninghouder) een vergunning ingevolge de Wet algemene bepalingen van omgevingsrecht (Wabo) verleend voor de aanleg van twee bruggen en een damwand met onderleider nabij het perceel Van Teylingenweg 148 te Kamerik (hierna: het perceel). Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Voorts heeft verzoekster de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 november 2011. Verzoekster en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Vergunninghouder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.S.P. Plaizier, M. Marchek en ing. R. Kastelein.

Overwegingen

1. De voorzieningenrechter ziet zich ambtshalve en gelet op het verweer van verweerder voor de vraag gesteld of verzoekster als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan worden aangemerkt.

2. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid , van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij het besluit is betrokken. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden ten aanzien van rechtspersonen als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.

3. Ingevolge artikel 2 van haar statuten heeft verzoekster ten doel het verbeteren en in stand houden van een kwalitatief goed woon- en leefklimaat in Kamerik, met postcode 3471, zoals deze kern is aangegeven op het bij deze statuten horende kaartje.

Ingevolge artikel 3 van haar statuten tracht verzoekster haar doel onder meer te verwezenlijken door:

a. het bevorderen van een goede communicatie tussen het gemeentebestuur, de bij Kamerik betrokken gemeentelijke diensten, de bij Kamerik betrokken maatschappelijke organisaties en de bewoners van Kamerik.

b. het vergroten van de betrokkenheid van de bewoners bij de inrichting en het beheer van de dorpskern en het vergroten van hun invloed daarop, onder meer door middel van uit bewoners van de dorpskern bestaande werkgroepen, overeenkomstig het daarvoor opgestelde reglement;

c. het dragen van gezamenlijke verantwoordelijkheid van bewoners, gemeentebestuur, bij de bij Kamerik betrokken gemeentelijke diensten en bij Kamerik betrokken maatschappelijke organisaties;

d. het stimuleren van een snelle en integrale aanpak van knelpunten in de dorpskern door onder meer afstemming en samenwerking;

e. het organiseren van activiteiten in welke vorm dan ook en uitsluitend ten behoeve van de leefbaarheid van Kamerik.

4. Het bestreden besluit ziet op de aanleg van twee bruggen en een damwand met onderleider nabij het perceel Van Teylingenweg 148 te Kamerik. De voorzieningenrechter stelt vast dat dit perceel binnen het statutaire werkgebied van verzoekster valt. De feitelijke werkzaamheden van verzoekster bestaan, zoals namens haar ter zitting is toegelicht, uit het voeren van overleg met en informeren van bestuursorganen en inwoners over ontwikkelingen binnen het werkgebied. Daartoe houdt zij onder meer (tezamen met de wethouder en inwoners) schouwen van het werkgebied en heeft zij een driemaandelijks overleg met de wethouder. De voorzieningenrechter is gezien de hiervoor weergegeven doelstelling van verzoekster en haar feitelijke werkzaamheden, voorlopig van oordeel dat verzoekster door het bestreden besluit rechtstreeks wordt getroffen in een belang dat zij in het bijzonder behartigt. Verzoekster kan dan ook vooralsnog worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste en derde lid, van de Awb.

5. De voorzieningenrechter is voorts van oordeel dat verzoekster spoedeisend belang heeft bij het treffen van een voorlopige voorziening. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder medegedeeld dat de hoorzitting in bezwaar niet eerder dan medio januari 2012 zal plaatsvinden. Nu de gemachtigde van vergunninghouder te kennen heeft gegeven dat de werkzaamheden ter uitvoering van de vergunning in week 2 van 2012 – en dus voordat een beslissing op bezwaar wordt genomen – zullen aanvangen, is daarmee het spoedeisend belang van verzoekster gegeven.

6. Voor het treffen van een voorlopige voorziening in dit stadium (de bezwaarfase) is in beginsel alleen dan aanleiding wanneer het bestreden besluit zodanig gebrekkig is dat het in de heroverweging naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet of niet volledig in stand zal kunnen blijven. Voor zover deze toetsing meebrengt dat een oordeel wordt gegeven over het geschil in een eventuele bodemprocedure, heeft dit oordeel een voorlopig karakter en bindt dit de rechtbank niet bij haar beslissing in die procedure. Als een vergunninghouder van een vergunning gebruik maakt als deze nog geen formele rechtskracht heeft, dan gebeurt dat op eigen risico, ook als een verzoek tot schorsing van die vergunning is afgewezen.

7. Op 8 juni 2011 heeft vergunninghouder een aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend door het plaatsen van twee bruggen en een damwand op het perceel. Brug A wordt gerealiseerd om een nieuw gemaal te bereiken, gelegen binnen de gemeente Nieuwkoop.

Brug B wordt gerealiseerd om de doorgaande weg (de Van Teylingenweg) te behouden, nadat de watergang de “Nieuwe Maalvliet” is gegraven. De damwang met onderleider wordt gerealiseerd, teneinde een kruising tussen de Kamerikse Wetering en de Nieuwe Maalvliet mogelijk te maken.

8. Bij besluit van 13 september 2011 heeft verweerder aan vergunninghouder een vergunning ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c en artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder e van de Wabo verleend. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Voorts heeft verzoekster de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

9. Verzoekster heeft allereerst aangevoerd dat ing. R. Kastelein niet bevoegd was tot het doen van de aanvraag. Artikel 1:3, derde lid, van de Awb bepaalt dat onder een aanvraag wordt verstaan: een verzoek van een belanghebbende een besluit te nemen. Nu uit de aanvraag van

27 mei 2011 blijkt dat vergunninghouder de aanvrager is namens wie ing. Kastelein verweerder verzoekt een besluit te nemen, is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter sprake van een aanvraag door een belanghebbende en daarmee van een ontvankelijke aanvraag in de zin van de Awb. Of ing. R. Kastelein in persoon, gelet op de interne mandaatregelingen, al dan niet bevoegd was de aanvraag in te dienen, kan dan ook niet tot een ander oordeel leiden. Dit betoog slaagt niet.

10. Ter zitting heeft verzoekster aangevoerd dat het perceel is gelegen binnen het plangebied van het watergebiedsplan Zegveld en Oud-Kamerik, welk plan niet voorziet in een hoogwatervoorziening in de Wetering. Een dergelijke hoogwatervoorziening is wel opgenomen in het watergebiedsplan Kamerik en Kockengen, maar het perceel valt buiten dat betreffende plangebied. Gelet hierop is het watergebiedsplan Zegveld en Oud-Kamerik in strijd met de inspraakverplichtingen en dus onzorgvuldig tot stand gekomen. De voorzieningenrechter overweegt dat in de onderhavige zaak slechts het besluit van 13 september 2011 ter toetsing voorligt. Het (eventuele) feit dat het watergebiedsplan Zegveld en Oud-Kamerik onzorgvuldig tot stand is gekomen, kan dan ook niet leiden tot de conclusie dat het besluit van 13 september 2011 niet in stand kan blijven in bezwaar. Voor zover verzoekster met dit argument heeft willen betogen dat het besluit van 13 september 2011 onzorgvuldig tot stand is gekomen, overweegt de voorzieningenrechter dat zij vooralsnog geen aanknopingspunten voor dat oordeel ziet.

11. Voorts heeft verzoekster aangevoerd dat de aanleg van de waterkruising het cultuurhistorische 'slagenlandschap' in de directe omgeving bedreigt. Ook heeft de aanleg ingrijpende gevolgen voor de huidige afwateringssystematiek, doordat de nieuwe maalvliet de historische afwateringsfunctie van de Kamerikse Wetering overneemt, aldus verzoekster. Verzoekster heeft verder aangevoerd dat de nieuwe waterkruising de verlaging van het waterpeil in de polders ten westen en oosten van de Kamerikse Watering faciliteert, hetgeen in de toekomst zal leiden tot een steeds groter hoogteverschil tussen de Kamerikse Wetering en de aangrenzende poldersloten. Uiteindelijk zal de Kamerikse Wetering 'losraken' van het omliggend polderland, aldus verzoekster.

12. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, van de Wabo is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

a. het bouwen van een bouwwerk, […]

c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, een beheersverordening, een exploitatieplan, de regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening of een voorbereidingsbesluit voor zover toepassing is gegeven aan artikel 3.7, vierde lid, tweede volzin, van die wet, […].

Artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo bepaalt dat, voor zover ingevolge een bepaling in een provinciale of gemeentelijke verordening een vergunning of ontheffing is vereist om een uitweg te maken, te hebben of te veranderen of het gebruik daarvan te veranderen, een zodanige bepaling als een verbod geldt om een project voor zover dat geheel of gedeeltelijk uit die activiteiten bestaat, uit te voeren zonder omgevingsvergunning.

Artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo bepaalt dat, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, de omgevingsvergunning wordt geweigerd indien:

a. de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden het naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aannemelijk maken dat het bouwen van een bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, voldoet aan de voorschriften die zijn gesteld bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 2 of 120 van de Woningwet;

b. de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden het naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aannemelijk maken dat het bouwen van een bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, voldoet aan de voorschriften die zijn gesteld bij de bouwverordening of, zolang de bouwverordening daarmee nog niet in overeenstemming is gebracht, met de voorschriften die zijn gesteld bij een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 8, achtste lid, van de Woningwet dan wel bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 120 van die wet;

c. de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, de beheersverordening of het exploitatieplan, of de regels die zijn gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening;

d. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onder a, van de Woningwet, tenzij het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning niettemin moet worden verleend; […].

Het tweede lid van artikel 2.10 van de Wabo bepaalt dat de aanvraag, in gevallen als bedoeld in het eerste lid, onder c, mede wordt aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en wordt de vergunning slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is.

Ingevolge artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo kan de omgevingsvergunning, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, slechts worden verleend indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:

1°. met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking, […].

13. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoekster geen gronden heeft gericht tegen de omgevingsvergunning, voor zover daarbij op voet van artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo toestemming is verleend om een uitweg te maken. Ter beoordeling ligt dan ook voor of verweerder terecht vergunning heeft verleend voor het bouwen van de twee bruggen en de damwand met onderleider. In dat kader stelt de voorzieningenrechter voorop dat de weigeringsgronden in artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo limitatief en imperatief zijn geformuleerd. Hieruit vloeit voort dat de omgevingsvergunning voor het bouwen verleend moet worden, indien zich geen van de in voornoemd artikel genoemde weigeringsgronden voordoet. Het door verzoekster aangehaalde watergebiedsplan Zegveld en Oud-Kamerik is geen direct toetsingscriterium en kan gelet daarop dan ook geen rol spelen bij de toets of een omgevingsvergunning voor het bouwen geweigerd moet worden.

14. Tussen partijen is niet in geschil dat de twee bruggen en de damwand met onderleider vergunningplichtig zijn in de zin van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo.

Ten aanzien van het bestemmingsplan

15. Het perceel waarbij de bouwwerken zijn voorzien is gelegen binnen het bestemmingsplan “Landelijk Gebied Woerden, Kamerik, Zegveld” (hierna: het bestemmingsplan).

Brug A

16. De gronden waarop brug A is voorzien zijn in het bestemmingsplan bestemd voor “Water”.

Artikel 21.1 van de planvoorschriften bepaalt (voor zover relevant) dat de op de plankaart voor “Water” aangewezen gronden bestemd zijn voor:

a. watergangen, waterpartijen, oevers en taluds,

b. waterhuishouding,

c. waterwegen ten dienste van het verkeer te water,

d. instandhouding en ontwikkeling van ter plaatse voorkomende dan wel daaraan eigen landschappelijke, cultuurhistorische- en natuurwaarden, en […].

Artikel 21.2 van de planvoorschriften bepaalt dat op de gronden als bedoeld in 21.1, uitsluitend mogen worden gebouwd:

a. andere bouwwerken, behorende bij de bestemming of bij aangrenzende wegen, in- en uitritten en paden, zoals duikers, gemalen, stuwen en steigers, waarvan de hoogte niet meer dan 3 m mag bedragen,

b. […],

c. bestaande bruggen mogen uitsluitend op dezelfde plaats opnieuw worden gebouwd, tenzij aangetoond wordt dat voor het bouwen van een brug op een andere plaats dan op de bestaande plaats of van een extra brug, met een maximum van één brug per oorspronkelijk verkavelingsperceel, de waarden als bedoeld in lid 1 onder d niet onevenredig worden aangetast en dat een extra ontsluiting noodzakelijk is ter behoud van de huidige gebruiksmogelijkheden.

17. De voorzieningenrechter stelt vast dat verweerder in het besluit van 13 september 2011 geen expliciet onderscheid maakt tussen de bruggen A en B en de damwand met onderleider. Uit de tekst van het besluit leidt de voorzieningenrechter af dat verweerder zich daarin op het standpunt heeft gesteld dat de aanleg van brug A in strijd is met het bestemmingsplan, omdat sprake is van de aanleg van een extra brug. Gelet daarop heeft verweerder de aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag voor een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo, te weten een met het bestemmingsplan strijdige activiteit. In dat kader heeft de afdeling Ruimte op 5 september 2011 ten aanzien van de aanleg van een extra brug positief geadviseerd. Deze afdeling heeft hiertoe overwogen: “Medewerking kan verleend worden omdat de tijdelijke brug vervangen wordt door een definitieve brug en de omgeving niet onevenredig aangetast wordt hierdoor. In andere watergangen dan de hoofdwatergang is een dam met een duiker toegestaan voor de noodzakelijke ontsluiting van een perceel. De waterhuishouding wordt gehandhaafd zoals vastgesteld is in het waterplan nabij de Van Teylingenweg.” Vervolgens heeft verweerder de vergunning voor voornoemde activiteit met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, sub 1, van de Wabo verleend.

18. De voorzieningenrechter stelt vervolgens vast dat verweerder zich in het verweerschrift op een gewijzigd standpunt heeft gesteld. Verweerder acht de aanleg van brug A in overeenstemming met het bestemmingsplan, nu aan de criteria voor het aanleggen van een extra brug van artikel 21.2, onder c in samenhang met artikel 21.1, onder d, van de planvoorschriften is voldaan. Hiertoe heeft verweerder overwogen dat het realiseren van brug A noodzakelijk is ter behoud van de huidige gebruiksmogelijkheden en voor het kunnen bereiken van het nieuwe gemaal. De aanwezige landschappelijke, cultuurhistorische en natuurwaarden en het karakteristieke verkavelingspatroon worden door het realiseren van deze brug niet aangetast, aldus verweerder. Ten slotte heeft verweerder overwogen dat de brug de aanwezigheid van het water benadrukt.

19. De voorzieningenrechter constateert in de eerste plaats dat verweerder de verlening van de omgevingsvergunning voor brug A, in het besluit van 13 september 2011 ten onrechte heeft gebaseerd op artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, sub 1, van de Wabo, nu is gebleken dat de vergunde activiteiten naar voorlopig oordeel niet strijdig zijn met het bestemmingsplan. Dat betekent dat het bestreden besluit niet ongewijzigd in stand zal kunnen blijven. Verweerder kan dit gebrek in de beslissing op bezwaar evenwel herstellen en hij heeft daarop in het verweerschrift reeds geanticipeerd door het formuleren van zijn standpunt of wordt voldaan aan de in de artikelen 21.2, onder c en 21.1, onder d, van de planvoorschriften genoemde criteria. De voorzieningenrechter wijst erop dat met betrekking het in die artikelen geformuleerde beoordelingskader aan verweerder beoordelingsruimte toekomt. De wijze waarop verweerder invulling geeft aan die beoordelingsruimte wordt door de bestuursrechter terughoudend getoetst.

Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder zich in het verweerschrift in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat met de aanleg van brug A als extra brug de waarden als bedoeld in artikel 21.1, onder d, van de planvoorschriften lid 1 onder d niet onevenredig worden aangetast en voorts dat een extra ontsluiting noodzakelijk is ter behoud van de huidige gebruiksmogelijkheden. Deze onderbouwing acht de voorzieningenrechter weliswaar summier maar niet zodanig dat op voorhand moet worden geconcludeerd dat de afweging van verweerder onvoldoende is geweest. Verweerder kan deze onderbouwing voorts in de te nemen beslissing op bezwaar aanvullen. In dat kader kan verweerder tevens nader aandacht besteden aan het argument van verzoekster dat de aanleg van de waterkruising het cultuurhistorische slagenlandschap in de directe omgeving bedreigt, alsmede aan de inhoud van het door verzoekster overgelegde e-mailbericht van professor Vervloet van 16 november 2011.

Niet in geschil is dat het gestelde maximum van één brug per oorspronkelijk verkavelingsperceel door de aanleg van brug A niet wordt overschreden.

Brug B

20. De gronden waarop brug B is voorzien zijn in het bestemmingsplan bestemd voor “Verkeer”.

Artikel 19.1 van de planvoorschriften bepaalt dat de op de plankaart voor “Verkeer” aangewezen gronden zijn bestemd voor wegen, op- en afritten, inritten, parkeerstroken, fiets- en voetpaden, bermen en watergangen.

Artikel 19.2.1 van de planvoorschriften bepaalt (voor zover relevant) dat op de gronden als bedoeld in 19.1 uitsluitend mogen worden gebouwd gebouwen en andere bouwwerken, zoals […] bruggen […].

21. De voorzieningenrechter stelt vast dat niet duidelijk is of verweerder zich in het besluit van 13 september 2011 op het standpunt heeft gesteld dat (ook) de aanleg van brug B in strijd is met het bestemmingsplan. In het verweerschrift stelt verweerder zich op het standpunt dat de aanleg van de brug daarmee in overeenstemming is, nu artikel 19.2.1 van de planvoorschriften het bouwen van bruggen op de voor “Verkeer” bestemde gronden toelaat.

22. Voor wat betreft de onderbouwing van de omgevingsvergunning voor zover deze ziet op brug B geldt, evenals voor brug A, dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd. De voorzieningenrechter is voorlopig van oordeel dat verweerder met de weergave van zijn standpunt in het verweerschrift voldoende heeft aangetoond dat de aanleg van brug B in overeenstemming is met het bestemmingsplan. Artikel 19.2.1 van de planvoorschriften biedt immers expliciet de mogelijkheid tot het bouwen van bruggen op gronden met de bestemming “Verkeer”. Verweerder zal het motiveringsgebrek in de beslissing op bezwaar kunnen herstellen.

Damwand met onderleider

23. De gronden waarop de damwand met onderleider is voorzien zijn in het bestemmingsplan bestemd voor “Water”.

24. De voorzieningenrechter stelt vast dat ook ten aanzien van de aanleg van de damwand met onderleider niet duidelijk is of verweerder zich in het besluit van 13 september 2011 op het standpunt heeft gesteld dat die activiteit in strijd is met het bestemmingsplan. In het verweerschrift stelt verweerder zich op het standpunt dat de aanleg van de damwand met onderleider daarmee in overeenstemming is, nu artikel 21.2, aanhef en onder a, van de planvoorschriften het bouwen van andere bouwwerken, behorende bij de bestemming of bij aangrenzende wegen, in- en uitritten en paden, zoals duikers, gemalen, stuwen en steigers toelaat.

25. Met verweerder is de voorzieningenrechter voorlopig van oordeel dat de aanleg van de damwand met onderleider in overeenstemming is met het bestemmingsplan. Uit artikel 21.2, aanhef en onder a, van de planvoorschriften kan immers vooralsnog worden afgeleid dat het is toegestaan op gronden met de bestemming “Water” damwanden te bouwen. Nu ook aan dit onderdeel van het besluit een motiveringsgebrek kleeft, zal verweerder dit in de bezwaarfase dienen te herstellen.

Ten aanzien van de redelijke eisen van welstand

26. Uit het besluit van 13 september 2011 volgt dat de commissie Welstand en Monumenten Midden Nederland het bouwplan heeft beoordeeld en op 6 september 2011 een positief advies heeft uitgebracht. Verweerder stelt zich – gelet daarop – op het standpunt dat het plan voldoet aan de redelijke eisen van welstand, als bedoeld in artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wabo. Verweerder was desgevraagd niet bij machte het advies van voornoemde commissie over te leggen. Nu verweerder echter ter zitting nogmaals heeft verklaard dat er een positief advies is afgegeven en voorts heeft toegelicht dat in dit soort gevallen – indien er een stempeladvies is gegeven en er bezwaar wordt gemaakt – altijd een nader schriftelijk advies wordt gevraagd aan de commissie, zal het besluit van 13 september 2011 naar verwachting niet op deze grond worden herroepen.

Conclusie

27. Gelet op het voorgaande bestaat onvoldoende grond voor het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter dat het besluit van 13 september 2011 in de bezwaarprocedure niet of niet volledig in stand zal kunnen blijven. Dat aan dat besluit een motiveringsgebrek kleeft, is geen reden om het bestreden besluit te schorsen, nu dit gebrek in de bezwaarfase kan worden hersteld.

28. Het verzoek wordt afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Aldus vastgesteld door mr. M.N. Noorman en in het openbaar uitgesproken op

6 december 2011.

De griffier: De voorzieningenrechter:

mr. C.J. van Niejenhuis mr. M.N. Noorman

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.