Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BU6603

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
02-12-2011
Datum publicatie
02-12-2011
Zaaknummer
780073 UV EXPL 11-420
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

In kort geding vordert werkneemster, locatiemanager van een kinderdagverblijf die vanwege vermeend gebrek aan 'commitment' is teruggeplaatst naar de functie van pedagogisch medewerker, van werkgeefster dat zij weer in haar managersfunctie wordt tewerkgesteld en jegens medewerkers en ouders wordt gerehabiliteerd. Toetsing aan de norm van het goed werkgeverschap. Vordering merendeels toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2011-1001
XpertHR.nl 2012-388378
XpertHR.nl 2011-390918
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

sector handel en kanton

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 780073 UV EXPL 11-420 LH 4059

kort geding vonnis d.d. 2 december 2011

inzake

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

verder ook te noemen [eiseres],

eisende partij,

gemachtigde: mr. M.E. Stefels,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Skon Kinderopvang B.V.,

gevestigd te Vianen,

verder ook te noemen Skon,

gedaagde partij,

gemachtigden: mr. E.C. de Bie en mr. A.P.J.M. Verbeek.

Het verloop van de procedure

[eiseres] heeft Skon in kort geding doen dagvaarden.

Partijen hebben voorafgaand aan de zitting (nadere) producties toegezonden.

De zitting heeft plaatsgevonden op 24 november 2011. Daarvan is aantekening gehouden.

Partijen hebben elk een pleitnotitie overgelegd. [eiseres] heeft bij gelegenheid van de zitting de vordering gewijzigd.

Hierna is uitspraak bepaald.

De feiten

1.1. [eiseres] is sinds 1 juli althans 1 september 1997 in dienst van (de rechtsvoorgangers van) Skon, een gecertificeerde particuliere organisatie op het gebied van de kinderopvang. Op de arbeidsovereenkomst is de CAO Kinderopvang 2010-2011 (hierna: de CAO) van toepassing. Tot 3 oktober 2011 was [eiseres] voor Skon werkzaam in de functie van manager van het kinderdagverblijf de ‘Blauwe koe’ te Utrecht, laatstelijk tegen een bruto loon van € 3.548,-- per maand (exclusief vakantiebijslag en emolumenten). In haar functie was [eiseres] belast met de dagelijkse leiding van het kinderdagverblijf en het daarin werkzame personeel (ongeveer 28 medewerkers en 14 stagiaires, die dagelijks de zorg hebben over ruim 100 kinderen uit de regio Utrecht-West). Blijkens het functieprofiel uit de CAO behoort het tot de taken van de manager om het ondernemingsbeleid van Skon uit te voeren, ontwikkelingen en knelpunten te signaleren en te analyseren, en om verbeteringsvoorstellen ten aanzien van de dienstverlening te doen. De regiomanager en direct leidinggevende van [eiseres] is sinds begin 2009 mevrouw [A].

1.2. [eiseres] heeft steeds naar behoren gefunctioneerd. In het verslag van het functionerings- en ontwikkelgesprek van 11 oktober 2010 is zij op de onderscheiden gezichtspunten (nagenoeg) voldoende tot goed beoordeeld. Op een schaal van 1 (onvoldoende) tot 5 (zeer goed) scoorde [eiseres] onder meer 3,9 op ‘commitment’ (‘het vermogen en de bereidheid om een bijdrage te leveren ten dienste van de prioriteiten en de doelen van de organisatie en de missie van de organisatie onderschrijven met eigen houding en gedrag’), in welk kader haar ‘passie, toewijding en werklust’ werd benadrukt. Slechts op het aspect ‘communicatie’ voldeed [eiseres] net niet aan de gestelde eisen (score van 2,9, waar 3 staat voor ‘voldoet conform eisen’), reden waarom daarover destijds verbeterafspraken zijn gemaakt.

1.3. Op 27 juni 2011 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen mevrouw [A] en een P&O-adviseur van Skon enerzijds en [eiseres] anderzijds. Blijkens het gespreksverslag heeft mevrouw [A] [eiseres] er in dit gesprek mee geconfronteerd dat zij in haar houding en gedrag geen blijk gaf van voldoende commitment aan (het beleid van) de organisatie. Uit het gespreksverslag van [A]: ‘Ondanks dat [A] ([eiseres], ktr.) duidelijk uitspreekt gecommitteerd te zijn aan de organisatie is dit niet terug te zien in haar houding en gedrag. Het gevoel van vertrouwen is een fundamenteel gevoel dat bij beide partijen aanwezig dient te zijn. In de contacten met [A] betreffende de aansturing door mij of uitvoering van beleid van skon is dit gevoel bij mij niet aanwezig. Haar reactie op aansturing geeft een gevoel van wantrouwen weer. Deze reactie ondermijnt het vertrouwen dat [A] op haar locatie uitvoering kan geven aan het beleid van skon. We hebben een aantal voorbeelden besproken om dit te verduidelijken. Doel van dit gesprek is om aan te geven dat voor mij daarmee de basis voor samenwerking niet aanwezig is en dat ik de komende weken de beslissing wil nemen of ik deze samenwerking wil blijven continueren (-).’

1.4. Een vervolggesprek werd gepland op 11 juli 2011. Bij e-mail van 4 juli 2011 heeft [eiseres] aan [A] laten weten zich niet te herkennen in de twijfel aan haar commitment. [eiseres] schreef: ‘(-) Ik heb er inmiddels een week over na kunnen denken, maar ben nog steeds van mening dat ik helemaal niet herken wat je zei. Ik vind S(kon) juist een prettige werkgever, heb het zelfs erg naar mijn zin en heb, zoals jullie ook beaamde(n) in het gesprek, altijd naar volle tevredenheid gefunctioneerd. Wat mij betreft is het dan ook niet nodig om onze afspraak van 11 juli te laten doorgaan. Indien jij daar wel behoefte aan hebt, ben ik uiteraard bereid je te woord te staan.’ Bij e-mail van 5 juli 2011 liet [A] weten de afspraak graag door te willen laten gaan. [eiseres] heeft vervolgens schriftelijk gereageerd op het door haar ontvangen verslag van het gesprek van 27 juni 2011. Zij ging daarbij onder meer in op de in dat gesprek door [A] gegeven voorbeelden.

1.5. In het vervolggesprek van 11 juli 2011 heeft [A] aan [eiseres] meegedeeld dat haar eerdere e-mail bevestigt dat zij niet voldoende heeft begrepen dat van haar ‘een open en constructieve grondhouding’ werd verwacht en ‘dat het juist dit ontbreken van deze houding mij laat twijfelen aan de basis van een goede samenwerking.’ Uit het verslag van [A] van het gesprek van 11 juli 2011: ‘Ik heb besloten [A] nog de kans te willen bieden haar houding en gedrag aan te passen om het commitment niet alleen in woorden maar ook in gedrag te laten zien.’ Aan [eiseres] werden twee opties voorgehouden: ‘Optie 1: een verbetertraject waarin we het komende half jaar afspraken gaan maken waarin [A] in houding en gedrag kan laten zien dat ze voldoende vertrouwen in skon en het beleid van skon heeft om mij daarmee het vertrouwen te geven dat ze op een juiste wijze uitvoering aan beleid kan geven in haar aansturing van de blauwe koe. (-) Optie 2: Indien [A] besluit niet het verbetertraject in te willen, betekent dit dat zij niet meer als manager werkzaam kan zijn op de blauwe koe. Dan zullen gesprekken volgen waarin we samen gaan kijken naar de toekomstmogelijkheden voor [A]. [A] geeft aan dat ze vooralsnog de voorkeur geeft voor het starten van een traject (-).’ Een volgende afspraak werd gemaakt voor 18 augustus 2011. Voorafgaand aan, en ter voorbereiding van dat gesprek zond [eiseres] op 15 augustus 2011 aan [A] een e-mail waarin ze (nogmaals) inging op de drie eerder gegeven voorbeelden van haar vermeende gebrek aan commitment. Uit deze e-mail: ‘Ik wil je met dit bericht aangeven dat ik zeer bereid ben om te praten over mogelijke verbeteringen als er knelpunten zijn. Maar dat ik van mijn werkgever verwacht dat de communicatie daarover tijdig, zakelijk en helder is. Verder wil ik aan een mogelijk verbetertraject in principe meewerken, maar niet zolang ik geen idee heb wat ik zou moeten verbeteren, waar het traject toe dient, waarnaar het leidt en op welke manier we daar gaan komen (-).’

1.6. In het gesprek van 18 augustus 2011 heeft [A] aan [eiseres] meegedeeld dat ook haar brief van 15 augustus 2011 ‘niet aan mij (laat) zien dat je in staat bent tot zelfreflectie en dat je bereid (-) bent om met de feed back die ik je geef daadwerkelijk wat te gaan doen. Ik heb bij [A] aangegeven dat wij om het traject wat we nu in willen laten gaan te laten slagen het noodzakelijk is dat [A] zich onvoorwaardelijk uitspreekt zich aan instructies en beleid van skon te houden.’ Als ‘hoofdontwikkeldoelen’ werden genoemd: ‘organisatie-loyaliteit en samenwerking.’ [eiseres] zou onder andere moeten leren om achter (ook impopulaire of controversiële) beslissingen te staan die voor de organisatie nuttig zijn, om gezag te accepteren en om informatie te delen met haar leidinggevende. In reactie op het betreffende gespreksverslag zond [eiseres] op 2 september 2011 aan [A] een e-mail, in een bijlage, gedateerd 1 september 2011, waarbij zij onder meer schreef: ‘In het verslag noem je nu vier concrete ontwikkeldoelen. Dit verduidelijkt de situatie voor mij iets meer. (-) Hoewel ik het verwarrend vond dat het steeds een andere issue leek te zijn, denk ik nu aan de hand van jouw voorbeelden te kunnen afleiden dat je bedoelt te zeggen dat ik te weinig inzicht geef in wat er gebeurt binnen de blauwe koe. Los van de vraag of dit terecht is, staat voor mij vast dat ik er zelf ook belang bij heb dat ik zichtbaar maak dat ik de organisatie van voldoende managementinformatie voorzie, zodat ik kan laten zien wat er op de blauwe koe gebeurt en dat dit gebeurt conform het beleid van skon. (-) Vandaar dat ik op basis van de volgende 3 ontwikkeldoelen aan het bijhouden ben welke voorbeelden zich voordoen. 1. Ik hou me aan het beleid en sta achter het beleid; 2 Vertellen wat er op de blauwe koe gebeurt; 3 Goed contact met afdelingen van het HK. Mocht bovenstaande niet zijn wat je bedoelt, dan hoor ik dat graag van je.’

1.7. Bij brief van 2 september 2011 heeft [A] naar aanleiding van het gesprek van 18 augustus 2011 aan [eiseres] meegedeeld: ‘Voorafgaand aan dit gesprek heb ik jou duidelijk aangegeven dat dit traject enkel kan slagen indien jij je onvoorwaardelijk en schriftelijk uitspreekt dat jij je aan de instructies en het beleid van Skon zal houden. Dit betekent dat jij oproepen van Skon tot het voeren van gesprekken zal honoreren (dit mede gelet op jouw eenzijdige afzegging voor het gesprek d.d. 11 juli jl.), de instructies van de regiomanager zullen worden uitgevoerd en beslissingen van Skon omtrent begeleiding en de wijze van communicatie door jou zullen worden geaccepteerd zonder deze ter discussie te stellen. Middels ondertekening van deze brief bevestig jij je te committeren aan het bovenstaande alsmede aan het ontwikkeltraject (dat betekent dat jij je zult committeren aan de afgesproken ontwikkeldoelen, organisatie en samenwerking). Ik benadruk nogmaals dat het mijn intentie is het traject succesvol af te ronden. Een positieve intentie van jouw kant is hiervoor noodzakelijk. Mocht je naar aanleiding van de eerdere gesprekken en deze brief je hier echter niet voor kunnen committeren dan zijn wij alsnog genoodzaakt andere maatregelen te nemen.’ [eiseres] heeft geweigerd deze brief ‘voor akkoord’ te tekenen, omdat zij niet de indruk wilde wekken haar eerdere verweer tegen de ontvangen kritiek niet te handhaven.

Bij e-mail van 8 september 2011 herhaalde zij haar bereidheid aan het ontwikkeltraject mee te werken. [eiseres] heeft de brief van 2 september 2011 uiteindelijk ‘voor gezien’ getekend.

1.8. Bij brief van 22 september 2011 heeft [A] aan [eiseres] meegedeeld dat was besloten om haar met ingang van maandag 3 oktober 2011 tijdelijk in de functie van pedagogisch medewerkster op de ‘Blauwe houtworm’ te plaatsen, omdat zij niet uitstraalt onvoorwaardelijk achter het beleid van Skon te staan en heeft geweigerd van haar commitment te doen blijken door ondertekening ‘voor akkoord’ van de brief van 2 september 2011. Op 26 september 2011 hebben partijen over de arbeidsvoorwaardelijke gevolgen van deze maatregel gesproken. Bij brief van 26 september 2011 heeft [A] aan [eiseres] meegedeeld ‘dat wanneer je binnen zes maanden nog niet voldoet aan de vastgestelde ontwikkeldoelen je salaris geleidelijk zal worden afgebouwd naar het niveau van pedagogisch medewerker. Bij het met goed resultaat afsluiten van het ontwikkeltraject zullen we met jou in overleg (-) treden over een passende functie met bijbehorende voorwaarden.’

1.9. Op 28 september 2011 heeft de gemachtigde van [eiseres] Skon verzocht en gesommeerd de getroffen maatregel in te trekken en de voorgenomen bekendmaking ervan achterwege te laten. Skon heeft de terugplaatsing van [eiseres] gehandhaafd. Op vrijdag 30 september 2011 heeft Skon de locatiemanagers in de regio Utrecht-West, de medewerkers van de Blauwe koe en de ouders/verzorgers van de aldaar opgevangen kinderen meegedeeld dat [eiseres] vanaf 3 oktober 2011 (voorlopig) een andere functie binnen Skon zal bekleden en dat een manager ad interim haar op de Blauwe koe zal vervangen. Over de reden van deze maatregel heeft Skon zich jegens de geadresseerden niet willen uitlaten. Vanwege de ontstane onrust heeft [A] bij nieuwsbrief van 10 oktober 2011 aan het team van de Blauwe koe meegedeeld dat de overplaatsing niet van doen heeft met ‘de directe zorg en veiligheid van de kinderen’. Dit is nadien ook aan de oudercommissie bevestigd, waarna deze commissie in november 2011 de ouders van de kinderen hierover heeft geïnformeerd.

De vordering en de standpunten van partijen

2.1. [eiseres] vordert in dit kort geding dat Skon bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, wordt veroordeeld (I) om haar binnen twee dagen na betekening van het in dit kort geding te wijzen vonnis in de gelegenheid te stellen haar gebruikelijke werkzaamheden als manager van locatie de Blauwe koe, onder de gebruikelijke arbeidsvoorwaardelijke condities, te verrichten, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,-- voor elke dag dat Skon nalaat aan dit deel van de veroordeling te voldoen. Na wijziging van de eis vordert [eiseres] voorts (II) de veroordeling van Skon om binnen een week na betekening van het vonnis een verklaring met de door [eiseres] als productie 25 overgelegde tekst althans een verklaring waarin de reden van de overplaatsing en de intrekking worden genoemd en waardoor [eiseres] volledig zal zijn gerehabiliteerd, ondertekend door de directie van Skon te verzenden aan de medewerkers van de Blauwe koe, de oudercommissie en aan alle betrokken ouders, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,-- voor elke dag dat Skon nalaat aan dit deel van de veroordeling te voldoen. Tevens vordert [eiseres] dat Skon wordt veroordeeld tot betaling van (III) een immateriële schadevergoeding van € 5.000,--, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 1 oktober 2011 tot de voldoening, tot betaling - bij wijze van voorschot - van (IV) een vergoeding van de ten behoeve van dit kort geding gemaakte juridische kosten van € 5.000,75 (inclusief btw), tot betaling van (V) € 750,-- aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf de opeisbaarheid tot de voldoening, een en ander met veroordeling van Skon in de proceskosten.

2.2. [eiseres] legt aan haar vordering ten grondslag dat Skon in strijd heeft gehandeld met haar verplichting zich als goed werkgever te gedragen door haar te degraderen van manager tot pedagogisch medewerker. Voor deze diffamerende maatregel, die gezien de brief van 26 september 2011 neerkomt op een permanente schorsing uit haar functie, ontbreekt zowel een deugdelijke grondslag als een zwaarwegend bedrijfsbelang. Zoals Skon bij herhaling heeft beaamd, staat het functioneren van [eiseres] niet ter discussie, maar gaat het erom dat zij geen vertrouwen in (het beleid van) Skon zou uitstralen en het gezag van Skon als haar werkgeefster niet zou accepteren. [eiseres] bestrijdt dit. De twijfel die haar regiomanager ten aanzien van haar commitment zegt te hebben, is niet onderbouwd of met relevante voorbeelden gestaafd. Dat de door [A] aangedragen voorbeelden blijk geven van het ontbreken van commitment, betwist [eiseres]. Zij heeft zich in de loop van de gesprekken constructief en loyaal aan haar leidinggevende opgesteld, maar haar herhaalde vraag om verduidelijking van de kritiek bleef onbeantwoord. Het ondertekenen ‘voor akkoord’ van de brief van 2 september 2011 mocht Skon in redelijkheid niet van [eiseres] verwachten, omdat ze daarmee alsnog met de onterechte kritiek zou hebben ingestemd. [eiseres] heeft daarom recht op terugkeer naar haar functie van manager van de Blauwe koe. Door de wijze waarop Skon de overplaatsing van [eiseres] aan de bij het kinderdagverblijf betrokken medewerkers en ouders heeft bekendgemaakt, is veel onrust ontstaan en is de eer en goede naam van [eiseres] geschaad. Vanaf eind juni 2011 heeft [eiseres] aan hoge spanning blootgestaan en is haar gevoel van eigenwaarde aangetast. Zij maakt daarom aanspraak op rehabilitatie en op smartengeld. Voorts vordert zij vergoeding van de kosten van rechtsbijstand voorafgaand aan en in dit kort geding.

3. Skon betwist de vordering. In de gegeven omstandigheden, mede gezien de kwetsbaarheid van de branche en de voorbeeldfunctie die een locatiemanager heeft, kon en mocht Skon, als goed werkgeefster, redelijkerwijs besluiten om [eiseres] tijdelijk terug te plaatsen in de functie van pedagogisch medewerker. Daarbij speelde het functioneren van [eiseres] voorafgaand aan het gesprek van 27 juni 2011 geen rol, maar ging het om haar opstelling in dat gesprek en in het overleg daarna. Anders dan [eiseres] meent, is op 27 juni 2011 niet over de mogelijkheid van ontslag gesproken. Skon mocht van [eiseres] verwachten dat zij zich de kritiek van haar regiomanager aantrok en constructief reageerde op de gerezen twijfel aan haar commitment. In plaats daarvan heeft [eiseres] laten weten geen behoefte te hebben aan het geplande vervolggesprek van 11 juli 2011 en is zij blijven benadrukken dat de door [A] gegeven voorbeelden, die inhoudelijk niet zijn betwist, de kritiek niet illustreren. Aldus heeft [eiseres] er blijk van gegeven niet over het benodigde zelfinzicht te beschikken. Skon heeft geen welles-nietes discussie over de aangedragen voorbeelden gewild, reden waarom [A] de gesprekken van 11 juli en 18 augustus 2011 heeft toegespitst op de door [eiseres] te ontwikkelen vaardigheden en het voorgestelde verbetertraject. Voor het slagen daarvan was het echter noodzakelijk dat [eiseres] inzag dat dit traject noodzakelijk was en dat zij haar commitment aan Skon toonde. Dat heeft zij, door de brief van 2 september 2011 niet ‘voor akkoord’ te willen tekenen, halsstarrig geweigerd. Had zij wèl getekend, dan was niet tot de disciplinaire maatregel van terugplaatsing besloten. [eiseres] heeft, na consultatie van haar advocaat, bij brief van 15 augustus 2011 de aanval gekozen en op een conflict met haar regiomanager aangestuurd. Ook uit deze brief, waarin [eiseres] aan Skon verwijten maakt en zelf haar ontwikkeldoelen formuleert, spreekt zowel vijandigheid en wantrouwen jegens Skon als een gemis aan zelfreflectie bij [eiseres]. Bij de berichtgeving over de terugplaatsing heeft Skon de benodigde zorgvuldigheid en terughoudendheid betracht.

De beoordeling van het geschil

4.1. Voorop gesteld wordt dat het voor toewijzing van een voorziening, zoals door [eiseres] in dit kort geding wordt gevorderd, waarschijnlijk moet zijn dat een gelijkluidende vordering in een te voeren bodemprocedure zal worden toegewezen. Alleen in dat geval kan daarop in kort geding worden vooruitgelopen.

4.2. De kern van het geschil betreft de vraag of Skon heeft mogen besluiten om [eiseres] met ingang van 3 oktober 2011 te plaatsen in de - lagere - functie van pedagogisch medewerker en om haar, voorlopig voor de duur van een half jaar, niet in de gelegenheid te stellen haar werkzaamheden als locatiemanager van de Blauwe koe te verrichten. Bij de beantwoording van deze vraag neemt de kantonrechter tot uitgangspunt dat de bedongen arbeid in de afgelopen jaren steeds die van manager op genoemd kinderdagverblijf is geweest. Dit is niet in geschil. Nu [eiseres] niet met de maatregel van Skon heeft ingestemd, draait het in dit geding om de vraag naar de rechtsgeldigheid van de eenzijdige wijziging, waartoe Skon heeft besloten. In het midden kan blijven of de litigieuze maatregel - zoals [eiseres] meent - een permanente schorsing uit de eigen functie behelst of dat het - zoals Skon heeft betoogd - gaat om een tijdelijke terugplaatsing. Ook zonder dat voorshands sprake is van financiële gevolgen ([eiseres] behoudt in genoemd half jaar haar laatstgenoten loon c.a.) moet de opgelegde maatregel, gezien het disciplinaire en diffamerende karakter ervan en gelet op de wezenlijke verandering in de aard van de werkzaamheden en in de hiërarchische plaats in de organisatie die ervan het gevolg is, als ingrijpend worden aangemerkt.

4.3. Partijen hebben zich - mede - beroepen op het bepaalde in artikel 7:611 Burgerlijk Wetboek (BW). De kantonrechter zal het geschil inderdaad hebben te beoordelen aan de hand van de normen die uit het goed werkgever- en werknemerschap voortvloeien. Dat de arbeidsovereenkomst van partijen een eenzijdig wijzigingsbeding bevat, is gesteld noch gebleken. Op het instructierecht van artikel 7:660 BW heeft Skon in dit kort geding geen beroep (meer) gedaan. Hetgeen de CAO en het kwaliteitshandboek van Skon omtrent schorsing en op non-actief stelling respectievelijk disciplinaire maatregelen inhouden, leidt in dit kort geding niet tot een andere uitkomst, zodat de toetsing daaraan achterwege blijft.

4.4. Zoals uit haar brief van 22 september 2011 (waarin Skon haar besluit aan [eiseres] heeft meegedeeld) blijkt, was de directe aanleiding tot de getroffen maatregel gelegen in de weigering van [eiseres] om de brief van Skon van 2 september 2011 ‘voor akkoord’ te ondertekenen. Skon heeft ter zitting benadrukt dat daarmee - gezien de gebeurtenissen sinds het gesprek van 27 juni 2011 en de gerezen twijfel aan het commitment van [eiseres] - voor haar ‘de maat vol’ was. De kantonrechter stelt voorop dat in beginsel eerdere gedragingen en gebeurtenissen inderdaad kunnen bijdragen tot het oordeel dat disciplinair kan worden opgetreden. Er kan immers sprake zijn van de spreekwoordelijke ‘druppel die de emmer doet overlopen.’ In dit geval wordt het standpunt van Skon evenwel verworpen, niet alleen omdat de eerdere gebeurtenissen naar hun aard en gewicht in redelijkheid de getroffen maatregel niet rechtvaardigen, maar ook omdat de weigering tot ondertekening van de brief door [eiseres] redelijkerwijs geen reden kon vormen ervan af te zien om haar als locatiemanager van de Blauwe koe aan het voorgestelde ontwikkeltraject te doen deelnemen en haar functie te wijzigen. Met andere woorden: noch van een ‘emmer’ die dreigde over te lopen, noch van een relevante ‘druppel’ was in dit geval sprake. De kantonrechter overweegt hiertomtrent het volgende.

4.5. Voorafgaand aan het gesprek van 27 juni 2011 heeft [eiseres] uit het optreden van haar regiomanager niet kunnen opmaken dat Skon bedenkingen had bij de wijze waarop zij aan haar functie van locatiemanager invulling gaf. Daarvoor gaf de laatste beoordeling van haar functioneren in oktober 2010, toen [eiseres] nog was geroemd om haar commitment, allerminst aanleiding. Zoals Skon ter zitting heeft gesteld, gaat het haar ook niet om het functioneren van [eiseres] voorafgaand aan het gesprek van 27 juni 2011. Voorstelbaar is daarom dat [eiseres] in dat gesprek werd overvallen, niet alleen door de aanwezigheid van de P&O-adviseur, maar ook door het onaangekondigde gespreksonderwerp, en zeker door de mededeling van [A] dat zij geen basis voor verdere samenwerking zag en binnen twee weken zou beslissen of die zou worden voortgezet. Mede omdat reeds in dit eerste gesprek de voortzetting van de samenwerking ter discussie werd gesteld, en daarmee het overleg ‘op scherp’ kwam te staan, had [eiseres] er belang bij dat Skon haar kritiek concretiseerde en duidelijk en deugdelijk onderbouwde.

4.6. Tijdens het gesprek van 27 juni 2011 heeft [A] een drietal voorbeelden van de gelaakte werkwijze van [eiseres] gegeven. Skon heeft - ook ter zitting - echter niet kunnen verhelderen welk gewicht zij aan deze voorbeelden meent te kunnen hechten. Naar het oordeel van de kantonrechter rechtvaardigen deze voorbeelden niet dat wordt getwijfeld aan de capaciteiten van [eiseres] of aan de wijze waarop zij als locatiemanager is opgetreden. Hierbij wordt het volgende in aanmerking genomen.

Wat de kwestie van de ‘leidster-kind ratio’ betreft, heeft [eiseres] er op overtuigende wijze blijk van gegeven dat zij hierover in de eerste helft van 2011 namens haar collega-managers, die kennelijk unaniem meenden dat het niet wenselijk was meer dan drie baby’s in een verticale groep te plaatsen, het overleg met onder meer de directie van Skon is aangegaan, uitsluitend uit oprechte en professionele zorg voor de kwaliteit van de dienstverlening. Dat is ook uitdrukkelijk haar taak als manager. Dat [eiseres] over deze ratio ‘achter de rug van Skon’ om met de GG&GD contact heeft gezocht, heeft Skon niet onderbouwd en heeft [eiseres] gemotiveerd weersproken. Zij stelt alleen, in september 2011 (dus ruimschoots na eind juni 2011), bij genoemde instantie te hebben geïnformeerd of er nieuwe regelgeving op dit punt was, hetgeen niet het geval bleek.

De klacht van Skon, dat [eiseres] haar regiomanager onvoldoende informeerde over hetgeen in de Blauwe koe omgaat, is slechts geadstrueerd met het voorbeeld dat [eiseres] [A] niet heeft ingelicht over de ziekte waaraan een van haar medewerkers, naar deze aan [eiseres] in vertrouwen had meegedeeld, lijdende is. Dat [eiseres] hieraan, ook tegen haar regiomanager, geen ruchtbaarheid heeft willen geven, is volstrekt legitiem, nu het hier uiterst privacy-gevoelige informatie betreft en de ziekte volgens [eiseres] het functioneren van de betreffende werkneemster niet beperkte noch de gezondheid van de kinderen beïnvloedde. Door de informatie toe te vertrouwen aan een ander dan de bedrijfsarts (die [eiseres] wel zegt te hebben geïnformeerd), zou haar positie als leidinggevende zijn ondermijnd, terwijl de belangen van Skon voldoende waren gediend met de melding aan de bedrijfsarts.

Ten slotte heeft Skon niet kunnen verklaren waarom [eiseres] is tekort geschoten toen zij bij [A] informeerde waarom haar ongevraagd hulp bij het voeren van verzuim-gesprekken was aangeboden. Begrijpelijk is dat [eiseres] wilde weten of zij hieruit moest opmaken dat haar vaardigheden op dat vlak volgens [A] te wensen overlieten. Dat dit laatste het geval was, heeft Skon niet gesteld.

4.7. Ook los van het hetgeen hierboven omtrent de gegeven voorbeelden is overwogen, heeft te gelden dat een werknemer - óók iemand in een functie als die van [eiseres] - er recht op heeft dat kritiek door de werkgever wordt geadstrueerd aan de hand van concrete feiten of omstandigheden, zodat daartegen gemotiveerd verweer kan worden gevoerd. Dat klemt temeer in het geval deze kritiek aanzienlijke ruimte laat voor een subjectieve beoordeling door de leidinggevende, hetgeen het geval is waar het, zoals hier, om vertrouwen en commitment gaat. Het is dan, ter voorkóming van willekeur, van groot belang dat wordt gestreefd naar een optimale objectivering van de klachten. [eiseres] heeft daarom terecht veel waarde gehecht aan de deugdelijkheid van de op 27 juni 2011 door [A] gegeven voorbeelden. Daarmee heeft zij er, anders dan Skon meent, geen blijk van gegeven als manager tekort te schieten of geen kritiek te kunnen velen, maar heeft zij slechts duidelijkheid willen verkrijgen omtrent onvoldoende onderbouwde klachten, hetgeen haar goed recht is. Het is aan Skon te verwijten dat zij, in reactie op het gemotiveerde verweer van [eiseres], haar standpunt niet nader heeft willen onderbouwen, maar daarentegen in de reactie van [eiseres] slechts een bevestiging heeft willen zien van haar eigen standpunt dat [eiseres] geen aansturing en kritiek kon verdragen. Door de dialoog met [eiseres] op deze manier te voeren, is het vervolg van het overleg, mede gezien de direct al ingezette dreiging met rechtspositionele consequenties, onnodig onder druk komen te staan.

4.8. Op grond van het voorgaande heeft Skon in redelijkheid niet kunnen menen dat de maat al nagenoeg vol was toen zij van [eiseres] verlangde dat zij de brief van 2 september 2011 ‘voor akkoord’ ondertekende. Omdat [eiseres] bij herhaling te kennen had gegeven zich weliswaar niet in de - nog immer niet geconcretiseerde - kritiek te kunnen vinden maar bereid te zijn aan een ontwikkeltraject mee te werken, was die eis niet redelijk. Dat [eiseres] harerzijds vreesde door die ondertekening de indruk te wekken haar standpunt te hebben laten varen, is alleszins voorstelbaar. Door in de brief van 2 september 2011 - opnieuw - te refereren aan de e-mail van [eiseres] van 4 juli 2011 en vol te houden dat zij daarbij eenzijdig de vervolgafspraak van 11 juli 2011 had afgezegd, geeft Skon blijk van een verkeerde lezing van die e-mail, maar ook van een gebrekkig gevoel voor hedendaagse arbeidsverhoudingen tussen professionals. Dat [eiseres] met de opmerking dat zij desgewenst bereid was [A] ‘te woord te staan’, de verhoudingen uit het oog heeft verloren, is niet gebleken. Dat strookt ook niet met de verdere correspondentie tussen hen. Dat Skon reden had te vrezen dat [eiseres] instructies van haar regiomanager zou negeren, is niet gebleken en het tegendeel behoefde daarom ook niet uitdrukkelijk te worden bevestigd. De eis dat [eiseres] toezegde dat zij ‘de wijze van communicatie’ zou accepteren ‘zonder deze ter discussie te stellen’, is zo vaag dat deze alleen al daarom niet redelijk was.

4.9. Waar Skon [eiseres] in dit kort geding nog heeft verweten dat zij zelf heeft willen bepalen op welke aspecten zij zich in het voorgestelde traject wilde ontwikkelen, miskent zij dat [eiseres] zich er terecht bij [A] over heeft beklaagd dat de kritiek onvoldoende werd onderbouwd en geobjectiveerd. [eiseres] heeft daarom, getuige onder meer haar brief van 1 september 2011, zichtbaar moeite gedaan om te begrijpen wat Skon in het ontwikkeltraject van haar verlangde. Juist omdat de kritiek van [A] zo weinig concreet was, heeft [eiseres] getracht dit voor zichzelf nader in te vullen, teneinde aan de wens van haar regiomanager te kunnen voldoen. Aldus heeft zij zich inschikkelijk en terughoudend getoond en er blijk van gegeven onverwijld werk te willen maken van een poging om [A] te bewijzen dat zij haar aanmerkingen ter harte had genomen.

4.10. De verwijten die Skon bij brief van 24 oktober 2011, derhalve drie weken nadat [eiseres] haar werkzaamheden als manager in de Blauwe koe had beëindigd, aan [eiseres] heeft gemaakt, kunnen in dit kort geding worden daargelaten, niet alleen omdat deze in september 2011 reeds bekend waren of hadden kunnen zijn maar niet aan de bestreden maatregel van terugplaatsing ten grondslag zijn gelegd, doch tevens omdat Skon niet heeft gesteld dat ze aan een terugkeer van [eiseres] naar de functie van manager van de Blauwe koe in de weg staan.

4.11. Het voorgaande leidt de slotsom dat voorshands moet worden geoordeeld dat Skon ten onrechte heeft besloten om [eiseres] met ingang van 3 oktober 2011 te plaatsen in een andere functie dan die van locatiemanager van de Blauwe koe. De vordering tot wedertewerkstelling (onder I.) zal daarom worden toegewezen, zoals hierna omschreven. De dwangsom wordt gesteld op € 500,-- per dag, met een maximum van € 100.000,-- aan in totaal te verbeuren dwangsommen.

4.12. De vordering tot rehabilitatie (onder II.) is eveneens toewijsbaar, omdat [eiseres] er een spoedeisend belang bij heeft dat bij derden, aan wie Skon de getroffen maatregel heeft bekendgemaakt, de indruk wordt weggenomen dat zij als manager van de Blauwe koe is tekort geschoten. De door [eiseres] (bij productie 25) voorgestelde tekst kan daartoe evenwel niet dienen, omdat van Skon niet kan worden verlangd dat zij de gang van zaken betreurt, dat zij haar verontschuldigingen daarvoor aanbiedt en dat zij zich verheugt op de terugkeer van [eiseres] als manager van de Blauwe koe. De kantonrechter verstaat dit onderdeel van de vordering aldus dat - subsidiair - wordt gevorderd dat Skon wordt veroordeeld om aan de medewerkers en oudercommissie van de Blauwe koe en aan de ouders van de kinderen die aldaar worden opgevangen, te berichten dat de maatregel tot terugplaatsing van [eiseres] in dit kort geding ongegrond is geoordeeld en dat Skon is veroordeeld haar in de gelegenheid te stellen haar werk als manager van de Blauwe koe te hervatten. Deze vordering wordt toegewezen, zoals hierna omschreven. De dwangsom wordt gesteld op € 500,-- per dag, met een maximum van € 100.000,-- aan in totaal te verbeuren dwangsommen.

4.13. De vordering (onder III.) tot vergoeding van immateriële schade is voorshands niet toewijsbaar, omdat [eiseres] onvoldoende feiten of omstandigheden heeft gesteld om in dit kort geding te kunnen concluderen dat zij in haar eer en goede naam is geschaad of op andere wijze in haar persoon is aangetast en dat zij aanspraak heeft op smartengeld, en tot welke bedrag. Het door de bestreden maatregel van Skon veroorzaakte psychisch onbehagen en het zich daardoor gekwetst voelen door [eiseres] is voor toekenning van smartengeld onvoldoende.

4.14. De onderdelen IV. en V. van de vordering zien op de vergoeding van juridische kosten en buitengerechtelijke incassokosten. Eerstbedoelde kosten zijn in dit kort geding niet voor vergoeding vatbaar, omdat - ook al bestaat er mogelijk reden om toepassing te geven aan of aansluiting te zoeken bij het bepaalde in artikel 3.5, lid 1 onder e, laatste volzin van de CAO - [eiseres] daartoe, met de enkele overlegging van een ‘pro forma’ declaratie van haar gemachtigde, onvoldoende heeft gesteld. Voor de toewijsbaarheid van de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten dient te worden gesteld en onderbouwd op grond waarvan deze verschuldigd zijn en voorts dat genoemde kosten daadwerkelijk zijn gemaakt. Daarbij hanteert de kantonrechter conform het rapport Voorwerk II het uitgangspunt dat het moet gaan om verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. [eiseres] heeft niet voldoende gesteld, gespecificeerd en onderbouwd dat de gevorderde buitengerechtelijke kosten daadwerkelijk zijn gemaakt of moeten worden beschouwd als buitengerechtelijke kosten, reden waarom deze kosten moeten worden aangemerkt als betrekking hebbend op verrichtingen waarvoor de proceskostenveroordeling wordt geacht een vergoeding in te sluiten.

4.15. Skon wordt, als de merendeels in het ongelijk gestelde partij, veroordeeld in de proceskosten. Bij de hoogte van het gemachtigdensalaris houdt de kantonrechter rekening met de omvang van de zaak en die van de dagvaarding.

De beslissing

De kantonrechter:

geeft de volgende onmiddellijke voorziening:

veroordeelt Skon om [eiseres] binnen twee dagen na betekening van dit vonnis in de gelegenheid te stellen de werkzaamheden als manager van locatie de Blauwe koe op de gebruikelijke wijze en onder de gebruikelijke arbeidsvoorwaarden te hervatten, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,-- per dag met een maximum van

€ 100.000,-- aan te verbeuren dwangsommen in totaal;

veroordeelt Skon om binnen een week na betekening van dit vonnis schriftelijk aan de medewerkers en de oudercommissie van de Blauwe koe en aan de ouders van de kinderen die aldaar worden opgevangen, te berichten dat de maatregel tot terugplaatsing van [eiseres] door de kantonrechter te Utrecht in dit kort geding ongegrond is geoordeeld en dat Skon is veroordeeld [eiseres] in de gelegenheid te stellen haar werk als manager van de Blauwe koe te hervatten, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,-- per dag met een maximum van € 100.000,-- aan te verbeuren dwangsommen in totaal;

veroordeelt Skon tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [eiseres], tot de uitspraak van dit vonnis begroot op

€ 1.507,14 waarin begrepen € 1.200,-- aan salaris gemachtigde;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het anders of meer gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.V.M. Veldhoen, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 2 december 2011.