Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BU6423

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
21-11-2011
Datum publicatie
30-11-2011
Zaaknummer
16/712095-10 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich samen met zijn medeverdachte schuldig gemaakt aan mensenhandel door een meisje uit Roemenie mee te nemen naar Nederland om haar in de prostitutie te laten werken. Door verdachte is misbruik gemaakt van de kwetsbare positie waarin het meisje verkeerde door haar een onevenredig groot deel van het door haar verdiende geld af te nemen.

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/712095-10 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 21 november 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1983] te [geboorteplaats],

verblijvende te [adres], [woonplaats].

Raadsvrouwen mr. L.A. Korfker en mr. M.J. van Weerden, advocaten te Almere.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzittingen van 7 juni 2011 en 7 november 2011, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De tenlastelegging is aangepast overeenkomstig artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: samen met een ander [slachtoffer 1] naar Nederland heeft gehaald om haar als prostituee te laten werken.

Feit 2: samen met een ander [slachtoffer 1] heeft uitgebuit.

Feit 3: samen met een ander heeft geprobeerd een persoon aangeduid met de naam [slachtoffer 2] naar Nederland te halen om haar als prostituee te laten werken.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan en baseert zich daarbij op de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen. Ten aanzien van feit 2 vordert de officier van justitie partiële vrijspraak met betrekking tot de bestanddelen die zien op ‘dwang en/of geweld en/of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld en/of andere feitelijkheid en/of misleiding’.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt om verdachte van alle aan hem ten laste gelegde feiten vrij te spreken wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs. Hiertoe hebben de raadsvrouwen het volgende aangevoerd:

Ten aanzien van feit 1 en feit 2

De verklaring van [slachtoffer 1] dient van het bewijs te worden uitgesloten, omdat deze innerlijke tegenstrijdig is. Voorts is [slachtoffer 1] er niet door verdachte en zijn medeverdachte toe bewogen seksuele handelingen tegen betaling in Nederland te verrichten. Zij heeft immers zelf aan verdachte en zijn medeverdachte gevraagd wat de mogelijkheden zouden zijn om in Nederland te werken in de prostitutie. Verdachte en zijn medeverdachte hebben haar enkel in staat gesteld zich als zelfstandige hier te lande te manifesteren.

Ten aanzien van feit 2 voorts

Het dossier biedt onvoldoende aanknopingspunten voor de stelling dat verdachte en zijn medeverdachte misbruik hebben gemaakt van [slachtoffer 1]’s kwetsbare positie of misbruik hebben gemaakt vanuit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht. Van geweld of bedreiging met geweld is al helemaal geen sprake geweest. De verhoren van verdachten wekken eerder de indruk dat zij een enigszins naïeve poging hebben gedaan om haar te helpen. Niet kan worden gezegd dat [slachtoffer 1] in een situatie verkeerde die niet gelijk is aan die van een mondige Nederlandse prostituee Zo bevinden zich in het dossier onvoldoende aanknopingspunten voor het feit dat [slachtoffer 1] niet alleen van de boot af zou kunnen of dat ze voortdurend gecontroleerd zou worden. Zelf verklaarde ze dat ze haar identiteitsbewijs in Nederland terugkreeg en dat ze haar telefoon mocht houden. Ze kon wel degelijk weg en dat heeft ze op 11 oktober 2010 ook gedaan. Daarnaast is er niks mis mee om met een buitenlandse vrouw in een woonboot te wonen.

Er is geen wettig en overtuigend bewijs in het dossier aanwezig, waaruit blijkt dat [slachtoffer 1] door verdachte is uitgebuit. Ze had zich kunnen onttrekken aan haar komst naar Nederland, en later aan haar verblijf alhier. Dat laatste heeft ze ook gedaan.

Ten overvloede merkt de verdediging op dat verdachte [slachtoffer 1] niet heeft gedwongen of bewogen om zich beschikbaar te stellen voor seksuele diensten of om haar inkomsten af te staan.

Ten aanzien van feit 3

Het is niet duidelijk wie [slachtoffer 2] is. Zij bleek niet te traceren en de verdediging heeft haar niet kunnen ondervragen. Niet kan worden uitgesloten dat deze [slachtoffer 2] zelf als prostituee in Nederland wilde werken. Verdachte had niet de intentie om deze [slachtoffer 2] te dwingen als prostituee in Nederland te werken. Het geld dat door verdachte aan [medeverdachte 2] is betaald, was bedoeld rekeningen mee te betalen en niet om deze [slachtoffer 2] naar Nederland te laten komen.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

4.3.1 De verklaringen van verdachte, diens medeverdachte en [slachtoffer 1]

Voorafgaand aan de bespreking van de bewijsmiddelen acht de rechtbank het van belang stil te staan bij de verklaringen die verdachte en diens medeverdachte [medeverdachte] als getuige, ter terechtzitting hebben afgelegd en de verklaring van de prostituee die gebruik maakt van de werknaam ‘[slachtoffer 1]’, zoals afgelegd bij de rechter-commissaris d.d. 3 juli 2011.

De rechtbank overweegt met betrekking tot de verklaringen van verdachte en diens medeverdachte [medeverdachte 1] als volgt:

Ter terechtzitting is zowel verdachte als diens medeverdachte, die tevens als getuige in de zaak van verdachte is gehoord, op belangrijke punten teruggekomen op de verklaringen die beiden ten overstaan van de politie en rechter-commissaris hebben afgelegd.

De rechtbank acht de verklaringen van verdachte en medeverdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting, niet aannemelijk voor zover zij afwijken van hun eerdere verklaringen. Verdachte en medeverdachte hebben bij de politie en de rechter-commissaris uitgebreid verklaard over hun rol bij de aan hen ten last gelegde feiten. Deze door hen afgelegde verklaringen komen, anders dan de verklaring die zij ter zitting hebben afgelegd, op veel essentiële punten overeen met de overige bewijsmiddelen in het dossier. Daarom gaat de rechtbank uit van deze verklaringen, voor zover zij ondersteund worden door andere bewijsmiddelen in het dossier. Voor zover de verklaringen ter terechtzitting afwijken van de verklaringen tegenover de politie, zijn zij ongeloofwaardig in het licht van de overige onderdelen van het dossier.

Met betrekking tot de verklaring die [slachtoffer 1] ten overstaan van de rechter-commissaris heeft afgelegd overweegt de rechtbank als volgt:

De verdediging stelt dat de verklaring van [slachtoffer 1] van het bewijs moet worden uitgesloten, omdat deze vol innerlijke tegenstrijdigheden zit.

De rechtbank heeft vastgesteld dat de verklaring van [slachtoffer 1] inderdaad op sommige punten tegenstrijdigheden bevat, maar ook op verschillende punten aansluit bij andere bewijsmiddelen in het dossier, waaronder met name de verklaringen van verdachte en diens medeverdachte, zoals afgelegd bij de politie en de verklaring van getuige [getuige]. Op die onderdelen acht de rechtbank de verklaring van [slachtoffer 1] dan ook voldoende betrouwbaar. Gelet hierop ziet de rechtbank geen aanleiding de verklaring van [slachtoffer 1] in zijn geheel van het bewijs uit te sluiten. De rechtbank zal voor het bewijs evenwel enkel gebruik maken van de verklaring van [slachtoffer 1] voor zover deze verklaring aansluit bij andere bewijsmiddelen die zich in het dossier bevinden.

4.3.2 De feiten blijkend uit de bewijsmiddelen betreffende feit 1 en feit 2

De rechtbank is van oordeel dat op grond van de stukken van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte het onder feit 1 en 2 aan hem ten laste gelegde heeft begaan. Na te noemen bewijsmiddelen zien steeds op het feit waarop zij blijkens hun inhoud betrekking hebben.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij [slachtoffer 1] in Roemenie heeft leren kennen. Zij is met hem en medeverdachte [medeverdachte] meegegaan naar Nederland. Volgens medeverdachte [medeverdachte] was het de bedoeling dat zij in de prostitutie zou gaan werken en dat verdachte als haar chauffeur zou op te treden en daarmee geld zou verdienen. In Nederland verbleef [slachtoffer 1] op de boot van medeverdachte [medeverdachte], gelegen te Vinkeveen. Hier heeft zij twee tot tweeënhalve week verbleven, aldus medeverdachte. Verdachte heeft bevestigd dat hij en medeverdachte [medeverdachte], [slachtoffer 1] vanuit Roemenie hebben meegenomen naar Nederland, zodat zij in Nederland in de prostitutie kon gaan werken.

Deze ‘[slachtoffer 1]’ heeft ten overstaan van de rechter-commissaris d.d. 3 juli 2011 verklaard dat zij vorig jaar september/oktober naar Nederland is gegaan en hier drie weken is geweest. Zij verbleef in Nederland op een boot. Verdachte bracht haar naar de klanten. Er werden foto’s van haar gemaakt, welke op internet werden gezet.

Ook verdachte heeft verklaard dat er naaktfoto’s van [slachtoffer 1] zijn gemaakt. Hij maakte deze samen met medeverdachte [medeverdachte]. De foto’s werden gemaakt op de boot van medeverdachte en in de woning van medeverdachte in Almere. Ook werden er foto’s gemaakt rondom de Vinkeveense plassen. Deze foto’s werden vervolgens geplaatst bij advertenties op de websites www.kinky.nl en www.speurders.nl. Ter zitting heeft medeverdachte [medeverdachte] –als getuige- toegelicht dat hij de advertenties plaatste omdat verdachte en [slachtoffer 1] geen Nederlands spraken. [slachtoffer 1] sprak een beetje geen Engels.

In de advertenties stond het telefoonnummer van verdachte vermeld. Potentiële klanten belden hem op om een afspraak te maken, waarna hij [slachtoffer 1] naar het afgesproken adres reed. Hiervoor maakte verdachte gebruik van de Mercedes van medeverdachte. Hij wachtte buiten, hield de tijd in de gaten en bracht [slachtoffer 1] na afloop van de afspraak weer terug naar huis.

Tijdens de doorzoeking in de woning van medeverdachte [medeverdachte 1] is onder andere een notitieboekje in beslag genomen. In dit notitieboekje hield verdachte bij waar [slachtoffer 1] was geweest, hoeveel geld de klant betaalde en hoeveel daarvan voor [slachtoffer 1] was. Ter zitting heeft verdachte de juistheid van de informatie uit het notitieboekje bevestigd. Uit deze aantekeningen blijkt dat [slachtoffer 1] zeven keer gewerkt heeft en dat er vier keer € 150,00 is betaald om één uur van haar diensten gebruik te maken, waaraan zij telkens € 30,00 overhield. Eenmaal is er € 260,00 betaald om twee uur gebruik te maken haar diensten. Hieraan hield zij zelf € 60,00 over. Verder is genoteerd dat er voor een half uur € 100,00 is betaald, waarvan [slachtoffer 1] 20,00 kreeg en een keer € 130,00 is betaald voor één uur, waar [slachtoffer 1]

€ 25,00 van kreeg. Als vroegste datum waarop [slachtoffer 1] bij een klant zou zijn geweest, staat in het notitieboekje ’27-09’.

Door een anonieme melder, die later bleek te zijn getuige [getuige], is verklaard dat hij op 10 oktober 2011, naar aanleiding van een advertentie op www.kinky.nl en www.speurders.nl, een prostituee heeft besteld, genaamd [slachtoffer 1]. Hij belde het in de advertentie opgenomen telefoonnummer en kreeg een Engels sprekende man aan de lijn. Hij bestelde [slachtoffer 1] voor één uur en betaalde daar € 150,00 voor. Na afloop gaf [slachtoffer 1] de getuige haar telefoon. Aan de andere kant van de lijn was een vrouwenstem te horen die vertelde dat zij de zus van [slachtoffer 1] was. [slachtoffer 1] heeft bevestigd dat zij, terwijl zij bij een klant was, een vriendin heeft gebeld, welke vriendin tegen de getuige moest zeggen dat zij moest werken en haar geld moest afstaan.

Voorts heeft [slachtoffer 1] verklaard dat zij de persoon is op de foto’s, welke geplaatst zijn bij de advertentie waar [getuige] op heeft gereageerd.

Op 11 oktober 2010 vetrok [slachtoffer 1] daadwerkelijk via Schiphol uit Nederland.

4.3.3 De feiten blijkend uit de bewijsmiddelen betreffende feit 3

De rechtbank is van oordeel dat op grond van de stukken van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte het onder feit 3 aan hem ten laste gelegde heeft begaan.

Medeverdachte [medeverdachte] heeft bij de politie verklaard dat er op 4 december ene ‘[slachtoffer 2]’ naar Nederland zou komen. Verdachte was samen met medeverdachte naar Schiphol gegaan om haar op te halen, maar zij was er niet. Door het observatieteam is waargenomen dat verdachte en medeverdachte op 4 december 2010 op Schiphol zijn. [A] had deze [slachtoffer 2] gevonden en zou daar € 3.000,00 voor krijgen. Dit bedrag is door verdachte betaald via Western Union, aldus medeverdachte. Op 29 november 2010 om 05:31:35 uur heeft een money transfer plaatsgevonden van [verdachte] naar [verdachte], betreffende € 3.000,00. Diezelfde dag vindt er om 06:19:25 uur nog een money transfer plaats van [verdachte] naar [A] van € 3.000,00. Het geld was van medeverdachte [medeverdachte]. Het was de bedoeling dat verdachte dit meisje zou rondrijden. Hiervoor zou hij € 25,00 per uur krijgen. Het meisje zou verblijven in de woning van medeverdachte [medeverdachte] te Almere.

Verdachte heeft eveneens bij de politie verklaard dat hij een meisje genaamd [slachtoffer 2] naar Nederland wilde halen. Hij was op zoek naar één, maximaal twee, meisjes die in Nederland in de prostitutie wilde werken. Verdachte heeft, naar eigen zeggen, € 3.000,00 overgemaakt naar ‘[A]’, via Westen Union. [slachtoffer 2] zou met het vliegtuig naar Nederland komen en zou in Almere verblijven.

In een telefoongesprek tussen verdachte, aangeduid met de naam ‘[verdachte]’ en [A] d.d. 25 november 2011, zegt [A]: ‘hij geeft me 3000 voor een meisje, doet zijn werk met haar zolang hij wil en als hij weer geld heeft voor een ander dan stuur ik hem nog een meisje.’ en: ‘Ja, [slachtoffer 2] komt.’ Vervolgens zegt verdachte in een telefoongesprek d.d. 26 november 2011 tegen [A] dat [medeverdachte] 3000 zal sturen en dat [A] een vliegticket moet reserveren voor de eerste vlucht die mogelijk is, een vlucht voor Nederland, Schiphol (…). Op 3 december 2010 belt verdachte wederom met [medeverdachte 2]. [A] geeft aan dat het vliegtuig morgen zal vertrekken en dat hij met [slachtoffer 2] onderweg is naar Boekarest.

4.3.4 Aanvullende bewijsoverwegingen

Ten aanzien van feit 1

Door de verdediging is aangevoerd dat [slachtoffer 1] inderdaad door verdachte en medeverdachte [medeverdachte] naar Nederland is medegenomen, maar dat zij zelf in de prostitutie wilde werken en hiertoe niet door verdachte is bewogen.

De rechtbank stelt voorop dat voor de strafbaarheid van de ten laste gelegde gedraging, zoals vervat in artikel 273f aanhef en onder 3° van het Wetboek van Strafrecht niet van belang is of gebruik is gemaakt van geweld of van ongeoorloofde beïnvloeding, waardoor het slachtoffer is bewogen in de prostitutie te gaan werken. Voorts is voor een bewezenverklaring van hetgeen onder feit 1 aan verdachte is ten laste gelegd irrelevant of [slachtoffer 1] zelf in Nederland in de prostitutie wilde werken of al eerder in de prostitutie werkzaam was. Van belang is of verdachten enige handelingen hebben ondernomen, waarvan zij wisten of redelijkerwijs moesten vermoeden dat [slachtoffer 1] zich daardoor in Nederland beschikbaar zou stellen voor het verrichten van seksuele handelingen met derden tegen betaling.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte, samen met zijn medeverdachte [medeverdachte], [slachtoffer 1] naar Nederland heeft vervoerd en naar de woonboot van medeverdachte heeft gebracht, terwijl zij wisten dat deze [slachtoffer 1] in Nederland prostitutiewerkzaamheden zou gaan verrichten, welke werkzaamheden zij ook heeft verricht.

Gelet op bovenstaande feiten en omstandigheden is de rechtbank dan ook van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte, tezamen en in vereniging met zijn mededader [medeverdachte], [slachtoffer 1] naar Nederland heeft meegenomen met het oogmerk haar ertoe te brengen zich hier beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met derden tegen betaling.

Ten aanzien van feit 2

Door de verdediging is bepleit dat [slachtoffer 1] wellicht in een enigszins kwetsbare positie verkeerde, doch dat verdachte van deze positie geen misbruik heeft gemaakt en evenmin misbruik heeft gemaakt van uit feitelijke verhoudingen voorvloeiend overwicht. Ook kan, aldus de verdediging, niet wettig en overtuigend bewezen worden dat [slachtoffer 1] door verdachte is uitgebuit.

De rechtbank overweegt dat voor het bewijs van door ‘misbruik’ handelen toereikend is dat de dader zich bewust moet zijn geweest van de relevante feitelijke omstandigheden van de betrokkene waaruit het overwicht voortvloeit, dan wel verondersteld moet worden voort te vloeien, in die zin dat voorwaardelijk opzet ten aanzien van die omstandigheden bij hem aanwezig moet zijn (vergelijk HR 27 oktober 2009, LJN BI7099). Datzelfde geldt voor gevallen waarin sprake is van een kwetsbare positie van het slachtoffer.

Voor het opzet is niet vereist dat doelbewust misbruik is gemaakt van de kwetsbare positie van het slachtoffer. Evenmin is voor het bewijs van het misbruik een verdergaand initiatief en actief handelen van de verdachte vereist dat tot uitdrukking komt in de in de wet gebezigde termen ‘werft, vervoert, overbrengt, huisvest of opneemt’. Het is geen zelfstandig vereiste dat het initiatief van de verdachte is uitgegaan en evenmin dat het slachtoffer door de verdachte in een situatie is gebracht die de gelegenheid tot uitbuiting schiep.

Verdachte heeft, samen met zijn medeverdachte, de Roemeense [slachtoffer 1] naar Nederland gebracht. In Nederland verbleef zij op de woonboot van medeverdachte [medeverdachte], waar ook verdachte op verbleef. [slachtoffer 1] sprak geen Nederlands en gebrekkig Engels. Uit deze omstandigheden leidt de rechtbank af dat [slachtoffer 1] in kwetsbare positie verkeerde. Zij was van verdachte afhankelijk voor een slaap-/woonadres, beheerste de Nederlandse taal niet en de Engelse taal onvoldoende om zich zelfstandig te kunnen redden in Nederland. Voorts heeft medeverdachte [medeverdachte] ter terechtzitting verklaard dat [slachtoffer 1] nauwelijks Engels sprak en daarom bijvoorbeeld niet zelfstandig naar de zwarte markt in Beverwijk kon gaan. De rechtbank is, gelet op bovenstaande, van oordeel dat verdachte zich ervan bewust was dat [slachtoffer 1] zich in een kwetsbare positie bevond.

Terwijl deze [slachtoffer 1] in de hiervoor omschreven kwetsbare positie verkeerde, heeft verdachte samen met zijn medeverdachte [medeverdachte], naaktfoto’s van [slachtoffer 1] gemaakt, welke foto’s vervolgens bij escortadvertenties op internet werden geplaatst. Wanneer op deze advertenties door potentiële klanten werd gereageerd, kregen zij verdachte aan de telefoon. Hij maakte dan de afspraak tussen de klant en [slachtoffer 1]. Vervolgens bracht verdachte haar, met de auto van medeverdachte [medeverdachte], naar de desbetreffende klant. Uit het notitieboekje volgt voorts dat [slachtoffer 1] van het bedrag dat de klanten betaalden voor haar diensten, slechts een klein deel, te weten 1/5 deel, mocht houden. Van het overige deel, te weten 4/5, acht de rechtbank het aannemelijk dat dit deel bestemd was voor verdachte en diens medeverdachte.

Verdachte heeft tegenover de politie verklaard dat van de € 150,00 per uur die [slachtoffer 1] verdiende € 60,00 voor haar zelf was en de rest voor hem en voor medeverdachte [medeverdachte] voor onkosten. Uit de bewijsmiddelen volgt al dat [slachtoffer 1] aanmerkelijk minder kreeg dan € 60,00. Voor zover verdachte zich op het standpunt heeft gesteld dat hij en medeverdachte [medeverdachte] een reële vergoeding ontvingen voor de door hen gemaakte onkosten (en er dus geen sprake was van uitbuiting) overweegt de rechtbank dat de verdeelsleutel klaarblijkelijk niet was gebaseerd op daadwerkelijk gemaakte kosten, maar op een percentage van de inkomsten van [slachtoffer 1]. Nu iedere relatie tussen eventueel gemaakte kosten en te ontvangen bedragen ontbreekt, verwerpt de rechtbank dit verweer.

De rechtbank is, gelet op bovenstaande feiten en omstandigheden, van oordeel dat verdachte, samen met zijn medeverdachte, [slachtoffer 1] heeft uitgebuit, door een groot deel van het geld dat voor de door haar geleverde diensten werd betaald van haar af te nemen. Hiermee verkeerde [slachtoffer 1] in een situatie die niet gelijk is aan de omstandigheden waarin een mondige prostitué(e) in Nederland pleegt te verkeren.

Ten aanzien van feit 3

De rechtbank is, anders dan de verdediging, van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte, samen met zijn medeverdachte heeft geprobeerd een meisje dat aangeduid werd met de naam ‘[slachtoffer 2]’ naar Nederland te halen om hier in de prostitutie te werken. De rechtbank laat hierbij in het midden wat de echte naam is van de vrouw in kwestie. Van belang is dat zij door alle betrokkenen werd aangeduid als ‘[slachtoffer 2]’.

Uit zowel de verklaringen van verdachte als medeverdachte [medeverdachte], afgelegd bij de politie, blijkt dat beiden het voornemen hadden een meisje genaamd [slachtoffer 2] naar Nederland te halen. Deze verklaringen sluiten nauw aan bij tapgesprekken tussen verdachte, medeverdachte en een persoon genaamd [medeverdachte 2]. Verdachte zou deze [slachtoffer 2] naar de klanten brengen. [slachtoffer 2] zou verblijven in de woning van medeverdachte te Almere. Om [slachtoffer 2] naar Nederland te doen overbrengen is € 3.000,00 betaald. [slachtoffer 2] zou op 4 december 2010 op Schiphol aankomen. Zowel verdachte als diens medeverdachte waren daar aanwezig om haar op te halen. [slachtoffer 2] kwam echter nooit aan.

De rechtbank is van oordeel dat door dit begin van uitvoering het voornemen van verdachte en diens medeverdachte zich heeft geopenbaard om [slachtoffer 2] aan te werven en mede te nemen, om haar hier te lande in de prostitutie te laten werken.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

omstreeks de periode van 01 september 2010 tot en met 21 september 2010 in Nederland en Roemenie, tezamen en in vereniging met een ander, een vrouw genaamd [slachtoffer 1] heeft medegenomen door die [slachtoffer 1]

- met een auto van Roemenie naar Nederland te vervoeren en

- in Nederland te vervoeren naar de woonboot van zijn mededader

met het oogmerk die [slachtoffer 1] in een ander land ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van één of meer seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling;

2.

op meer tijdstippen in de periode van 21 september 2010 tot en met 11 oktober 2010 te Vinkeveen, gemeente Ronde Venen, tezamen en in vereniging met een ander,

een ander te weten [slachtoffer 1], door misbruik van een kwetsbare positie heeft vervoerd en overgebracht en opgenomen, met het oogmerk van uitbuiting van die [slachtoffer 1]

en enige handeling heeft ondernomen waarvan hij wist dat die [slachtoffer 1] zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten van arbeid of diensten

en die [slachtoffer 1] heeft bewogen hem, verdachte, en zijn mededader te bevoordelen uit de opbrengst van dier seksuele handelingen met of voor een derde

bestaande dat van een kwetsbare positie hieruit dat hij verdachte en zijn mededader

- die [slachtoffer 1] heeft gebracht in een omgeving waarin zij de taal niet kende en waarin zij geen vrienden en familie had en

- met die [slachtoffer 1] op de woonboot in Vinkeveen feitelijk heeft samengewoond

hebbende die handelingen hieruit bestaat dat hij, verdachte, en zijn mededader meermalen

- seksueel getinte foto's gemaakt hebben van die [slachtoffer 1] kennelijk bestemd voor plaatsing op escortsites op het internet en

- advertenties geplaatst hebben voor die [slachtoffer 1] op het internet ten behoeve van escortwerkzaamheden en

- afspraken gemaakt hebben met klanten voor die [slachtoffer 1] en

- die [slachtoffer 1] gebracht hebben naar en gehaald heeft van haar escortwerkzaamheden en

- die [slachtoffer 1] een zeer groot deel van de verdiensten van haar escortwerkzaamheden hebben laten afgeven aan hem, verdachte en zijn mededader;

3.

in de periode van ongeveer 28 oktober 2010 tot en met 07 december in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door hem, verdachte, en zijn mededader voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander, een vrouw genaamd [slachtoffer 2] aan te werven en mede te nemen, met het oogmerk die [slachtoffer 2] in een ander land ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van één of meer seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling,

- meermalen gebeld heeft met ene [medeverdachte 2] om te informeren of hij een of meer vrouwen wist die in Nederland in de prostitutie konden gaan werken en

- met die [medeverdachte 2] afspraken heeft gemaakt dat een vrouw genaamd [slachtoffer 2] per vliegtuig naar Nederland (Schiphol) zou afreizen en

- die [medeverdachte 2] daartoe 3000 euro heeft betaald en

- op de afgesproken datum naar Schiphol is gegaan om die [slachtoffer 2] op te gaan halen,

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Ten aanzien van feit 1 en feit 2: Telkens, mensenhandel, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Ten aanzien van feit 3: Poging tot mensenhandel, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 15 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, met als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich op geen enkele wijze zal bezighouden met prostitutie(-bemiddelings) werkzaamheden en escortservices in de ruimste zin van het woord.

6.2 Het standpunt van de verdediging

Door de verdediging is primair verzocht verdachte integraal vrij te spreken. Subsidiair heeft de verdediging verzocht, mocht de rechtbank aanleiding zien een straf op te leggen, te volstaan met een gevangenisstraf conform voorarrest. Verdachte heeft reeds 6 maanden gedetineerd gezeten. Dit heeft een grote psychische impact op hem gehad. Verdachte heeft geen strafblad en zijn gedrag was wellicht dom, kwalijk en naïef, maar hij heeft nooit kwade intenties gehad.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich samen met zijn medeverdachte schuldig gemaakt aan mensenhandel door een meisje genaamd [slachtoffer 1] uit Roemenie mee te nemen naar Nederland om haar in de prostitutie te laten werken. Het meisje werd naar klanten toe gereden en moest een groot deel van het door haar verdiende geld afstaan aan verdachte en diens medeverdachte. Alhoewel de rechtbank er rekening mee houdt dat [slachtoffer 1] zelf in de prostitutie wilde werken, rekent de rechtbank het verdachte aan dat hij misbruik heeft gemaakt van de kwetsbare positie waarin [slachtoffer 1] verkeerde door haar een onevenredig groot deel van het door haar verdiende geld af te nemen.

Voorts heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan een poging tot mensenhandel. Zo zijn verdachte en diens medeverdachte, nadat [slachtoffer 1] terug was gegaan naar Roemenie, verder gaan zoeken naar meisjes die in Nederland in de prostitutie zouden willen werken. Hiertoe is contact opgenomen met een derde persoon in Roemenie die ervoor zou zorgen dat er een meisje over zou komen. Er zijn concrete afspraken gemaakt om een meisje genaamd [slachtoffer 1] naar Nederland te laten komen. Er is € 3.000,00 voor haar betaald en verdachte is samen met zijn medeverdachte naar Schiphol gegaan om haar op te halen. Het meisje kwam echter niet aan. Dit feit zou, wanneer de uitvoering voltooid zou zijn, een inbreuk op de lichamelijke en geestelijke integriteit en persoonlijke vrijheid van het betreffende slachtoffer met zich mee hebben kunnen brengen.

Eén en ander vond plaats binnen een relatief korte tijdspanne. De relatief korte pleegperiode van het strafbare handelen, is echter allerminst te danken aan verdachte. Het feit dat [slachtoffer 1] na ongeveer drie weken terug naar Roemenie is gegaan en adequaat opsporingswerk, hebben hieraan bijgedragen.

De rechtbank betrekt in haar oordeel dat er geen (dreiging met) geweld is gebruikt jegens [slachtoffer 1].

Over de persoon van de verdachte heeft reclasseringswerker A. Balfoort d.d. 2 februari 2011 een reclasseringsadvies uitgebracht. Hierin staat dat de reclassering het recidiverisico inschat als laag. Uit onderzoek naar de leefgebieden van verdachte blijkt dat onder meer de financiële positie van verdachte aan zijn delictgedrag heeft bijgedragen. De reclassering adviseert evenwel niet om aan verdachte bijzondere voorwaarden op te leggen, daar verdachte geen Nederlands spreekt, Roemeens staatsburger is en waarschijnlijk wordt uitgezet.

Voorts heeft de rechtbank rekening gehouden met het strafblad van verdachte d.d. 15 april 2011, waaruit blijkt dat verdachte een first offender is.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf noodzakelijk is. De rechtbank ziet geen ruimte voor een andere of lichtere sanctie. Wel ziet de rechtbank aanleiding een deel daarvan voorwaardelijk op te leggen. Met deze voorwaardelijke straf wordt beoogd verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

De rechtbank acht het evenwel niet noodzakelijk om de, door de officier van justitie gevorderde, bijzondere voorwaarde dat verdachte zich op geen enkele wijze met prostitutiewerkzaamheden zal bezighouden op te leggen. De algemene voorwaarden, behorende bij het voorwaardelijk strafdeel bieden naar het oordeel van de rechtbank voldoende waarborgen om recidive tegen te gaan.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 45, 57 en 273f van het Wetboek van Strafrecht en artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Ten aanzien van feit 1 en feit 2: Telkens, mensenhandel, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Ten aanzien van feit 3: Poging tot mensenhandel, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

Voorlopige hechtenis

Heft op het reeds geschorste bevel voorlopige hechtenis van verdachte.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.M.G. de Weerd, voorzitter, mr. N.E.M. Kranenbroek en mr. S. Wijna, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.P. Stapel en mr. D.J. Veenhof, griffiers, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 21 november 2011.